Bekennende verdachte, art. 359 lid 3 Sv. Het middel faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. Conclusie AG: anders.

Hoge Raad 26 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1424

Feiten

Het Gerechtshof te Amsterdam heeft bij arrest van 4 januari 2013, onder aanvulling van gronden, het vonnis van de Rechtbank Haarlem van 3 juli 2012 bevestigd, bij welk vonnis de verdachte ter zake van “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod” is veroordeeld tot dertig maanden gevangenisstraf met aftrek.

Middel

Het middel klaagt dat het Hof het vonnis van de Rechtbank niet had mogen bevestigen.

Oordeel Hoge Raad

De Rechtbank heeft in het vonnis volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in de tweede volzin van art. 359, derde lid, Sv. De raadsvrouwe van de verdachte heeft bij de behandeling van de zaak in hoger beroep vrijspraak bepleit ten aanzien van het tenlastegelegde. Uit de bewoordingen van art. 359, derde lid, Sv volgt dat deze bepaling in ieder geval geen toepassing kan vinden indien door of namens de verdachte ter terechtzitting vrijspraak is bepleit.

Uit de overwegingen volgt dat het Hof dit niet heeft miskend. Die overwegingen bevatten de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden en een opgave van de wettige bewijsmiddelen waaraan die feiten of omstandigheden zijn ontleend. Het middel mist dus feitelijke grondslag en kan derhalve niet tot cassatie leiden.

Conclusie AG Vegter

De Rechtbank heeft in haar vonnis volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in de tweede volzin van art. 359, derde lid, Sv. De raadsvrouwe van de verdachte heeft bij de behandeling van de zaak in hoger beroep een verweer gevoerd strekkende tot vrijspraak. Uit de bewoordingen van art. 359, derde lid, Sv volgt dat deze bepaling in ieder geval geen toepassing kan vinden indien door of namens de verdachte ter terechtzitting vrijspraak is bepleit. Gelet op het voorgaande had het Hof het vonnis van de Rechtbank niet mogen bevestigen dan onder de in art. 423, eerste lid, Sv bedoelde aanvulling van gronden, te weten de in de eerste volzin van art. 359, derde lid, Sv bedoelde weergave van de inhoud van de bewijsmiddelen.

Het middel is terecht voorgesteld.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF