Megazaak Juwelier: veroordeling wegens gewoontewitwassen, eigen misdrijf (fiscaal de-lict)

Gerechtshof Amsterdam 26 februari 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:675 Verdachte heeft zich gedurende een zeer lange periode schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen van personenauto’s en geldbedragen, hetgeen gericht is geweest op het veiligstellen van uit eigen misdrijf (belastingfraude) afkomstige opbrengsten. De verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie.

Feit 1

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gerequireerd tot vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde (in de kluis van A.B. aangetroffen) geldbedrag van €20.000,00 en tot bewezenverklaring van het overigens onder 1 tenlastegelegde, daaronder begrepen de twee horloges van A.K.

De advocaat-generaal heeft daartoe het volgende naar voren gebracht.

De verdachte ontvangt sinds 1974 een WAO-uitkering en heeft verder geen legale inkomsten. Zijn echtgenote AvA ontvangt naast beperkte looninkomsten sinds 1992 een aanvullende WAO-uitkering. Gezamenlijk konden zij derhalve in de periode van 14 december 2001 tot en met 25 november 2008 beschikken over een legaal netto inkomen van €149.259,74. Uit onderzoek is echter gebleken dat de verdachte in die periode ongeveer €625.053,97 heeft uitgegeven. Daarnaast is op 25 november 2008 in de woning van de verdachte en zijn echtgenote een geldbedrag van €10.089,00 aangetroffen en bleek er in totaal €24.042,00 op een rekening in België te zijn gestort. Ook heeft de verdachte in de tenlastegelegde periode diverse leningen verstrekt, te weten €50.000,00 aan CvB, ƒ 100.000,00 aan GvdK en €17.000,00 aan A.K. De verdachte, zijn echtgenote én zijn vriendin G.B., die sinds 2000 een WAO-uitkering ontving, leefden gelet op de auto’s waarin zij reden en die op naam stonden van de verdachte, zijn echtgenote dan wel op Z. B.V., zijnde het bedrijf van M.P., op grote voet. Daarnaast dienen de verdachte en zijn vriendin als rechthebbende te worden beschouwd van een aantal kavels en een recreatiewoning. De verdachte heeft ter zake geen concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring gegeven, zodat tot een bewezenverklaring van het medeplegen van gewoontewitwassen kan worden gekomen. Ten aanzien van de horloges geldt dat er vanuit kan worden gegaan dat deze van A.K. zijn en dat A.K. deze als onderpand voor een woekerlening aan de verdachte heeft gegeven. De verdachte staat eveneens terecht voor de afpersing van A.K. Hij wist aldus dat de horloges deel uitmaakten van enig door hem gepleegd strafbaar feit.

Standpunt van de verdediging

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep uitgelegd waarom hij in de tenlastegelegde periode kon beschikken over aanzienlijk meer contant geld dan op grond van zijn legale inkomstenbron verklaarbaar was. Die verklaring houdt in dat hij vanaf zijn 14e jaar heeft gewerkt als loodgieter: overdag voor een baas en ’s avonds voor zichzelf. Vanaf zijn 25e is hij incassowerkzaamheden gaan verrichten en enkele jaren later is hij geld gaan uitlenen tegen hoge rentepercentages. Van het op deze wijze bijeengebrachte vermogen heeft de verdachte nimmer aangifte gedaan bij de belastingdienst, noch heeft hij er melding van gemaakt aan de instantie die sinds 1974 zijn WAO uitkering uitkeerde. Het legale vermogen van de verdachte is vermengd met zijn illegale vermogen, waardoor het vermogen van de verdachte gedeeltelijk van misdrijf afkomstig is. Hetzelfde heeft te gelden voor de legale inkomsten van AvA, de echtgenote van de verdachte, die naast een salaris uit dienstbetrekking een WAO-uitkering had, welke inkomsten eveneens met het deels illegale vermogen van de verdachte vermengd zijn geraakt. Indien sprake is van een eigen misdrijf, geldt dat sprake moet zijn van meer dan het enkele voorhanden hebben of verwerven om de gedraging te kunnen kwalificeren als witwassen. Zo dat niet mogelijk is, dient ontslag van alle rechtsvervolging te volgen.

De raadsman heeft zich met betrekking tot de vraag of sprake is geweest van een verhullende gedraging gerefereerd ten aanzien van de tenlastegelegde geldbedragen: €381.715,35 (bonnetjes Hillegom) en €57.238,57 (bonnetjes Hensbroek) als ook ten aanzien van de kavels grond, het chalet en de auto’s waar G.B. zich in voortbewoog.

De raadsman heeft bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het witwassen van de twee horloges van A.K., omdat niet kan worden bewezen dat deze uit misdrijf afkomstig zijn. De verdachte moet voorts worden vrijgesproken van het witwassen van het geldbedrag van €20.000,00, aangezien niet kan worden bewezen dat de verdachte dit voorhanden heeft gehad en heeft verhuld. De verdachte moet voorts worden vrijgesproken van het in de woning bij G.B. aangetroffen geldbedrag van €2.115,00, omdat niet kan niet worden bewezen dat de verdachte dat geld op dat moment voorhanden had. Subsidiair moet de verdachte ter zake worden ontslagen van alle rechtsvervolging, aangezien niet is gebleken dat er ten aanzien van dat bedrag verhullingshandelingen hebben plaatsgevonden. Dat laatste geldt ook voor het in de woning van de verdachte aangetroffen geldbedrag van €10.076,07.

De verdachte moet tevens worden vrijgesproken van het geldbedrag van €89.100,00. Dit bedrag is enkel gebaseerd op de verklaring van G.B. De stukken in het dossier bieden onvoldoende houvast voor het bepalen van de hoogte van het door haar ontvangen bedrag.

De verdachte moet ten slotte ook worden vrijgesproken van het geldbedrag van €24.042,00 op de rekening in België. De rekening staat op naam van AvA en de verdachte is als gemachtigde geregistreerd. De verdachte is wel eens mee geweest als er geld werd gestort. Het ging daarbij om niet al te grote bedragen. Van duidelijke pogingen om de criminele opbrengsten veilig te stellen is hier geen sprake.

Oordeel van het hof

Naar inmiddels bestendige jurisprudentie kan witwassen bewezen worden geacht, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat de tenlastegelegde voorwerpen uit enig misdrijf afkomstig zijn. Het ligt op de weg van het openbaar ministerie om zicht te bieden op het bewijs waaruit zodanige feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid. Daarbij geldt dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel “afkomstig uit enig misdrijf” niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de tenlastegelegde voorwerpen afkomstig zijn uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is vereist dat vaststaat dat die voorwerpen afkomstig zijn uit enig misdrijf.

  • Partiële vrijspraak (afkomstig uit enig misdrijf)

Het hof heeft ten aanzien van na te noemen voorwerpen het volgende vastgesteld.

De G.B. -auto’s, kavels en de recreatiewoning (tenlastegelegd onder 1, eerste cumulatief/alternatief en tweede cumulatief/alternatief)

De Mercedes-Benz A160 is op 7 mei 2004 door M.P. bij Centraal Automobielbedrijven B.V. gekocht tegen (contante) betaling (op 17 mei 2004) van een bedrag van €12.000,00. Uit de gegevens bij de RDW blijkt dat deze auto op naam heeft gestaan van M.P. van 7 mei 2004 tot 24 maart 2005, waarna de tenaamstelling weer is overgegaan op Centraal Automobielbedrijven B.V. De vriendin van de verdachte, G.B., heeft in de genoemde periode in deze auto gereden.

De Mercedes-Benz SLK is op 24 maart 2005 door Z. B.V. (het hof begrijpt: vertegenwoordigd door M.P.) gekocht bij Centraal Automobielbedrijven B.V. door inruil van de Mercedes-Benz en tegen (girale) betaling van een bedrag van €62.000,00. G.B. heeft vanaf 24 maart 2005 tot haar aanhouding op 25 november 2008 in deze auto gereden.

G.L. heeft op 21 september 1999 aan AvdV verkocht een registergoed, te weten een kavel grond, kadastraal bekend als 1 (met daarop een mobiele bungalow) voor een bedrag van ƒ 45.000,00 voor de grond (en ƒ 190.000,00 voor de mobiele bungalow). Een deel van de koopsom was, zo blijkt uit de akte tot levering, al voldaan door koper aan verkoper. Het resterende deel is door koper voldaan door storting op een rekening van de stichting: Appel Eskens Boon en Willemsen Stichting Derdengelden, aan welke stichting de notaris is verbonden. Blijkens een kadastraal bericht per persoon (betreft: AvdV) van 20 februari 2009 behoort dit object in eigendom toe aan AvdV.

G.L. heeft op 21 september 1999 aan AvdV verkocht een registergoed, te weten een kavel (het hof begrijpt: 2), grenzend aan de oostzijde van 1 en deel uitmakend van G 1182 én een kavel, grenzend aan de noordzijde van 1 en deel uitmakend van G 1182 voor een bedrag van ƒ 25.5000,00, welk bedrag reeds door koper aan verkoper is voldaan. Blijkens een kadastraal bericht per persoon (betreft: AvdV) van 20 februari 2009 behoort dit object (2) in eigendom toe aan AvdV.

CvB heeft op 25 oktober 2000 verkocht aan SP B.V. (welke vennootschap wordt bestuurd door Z. B.V., die op haar beurt weer wordt bestuurd door (enig aandeelhouder) M.P. een registergoed, te weten een kavel grond, kadastraal bekend als 3 voor een bedrag van ƒ 30.000,00. Blijkens een kadastraal bericht per persoon (betreft: Z. B.V.) van 20 februari 2009 behoort dit object 3 in eigendom toe aan Z. B.V.

Het hof begrijpt dat met de recreatiewoning, adres, wordt bedoeld de mobiele bungalow op kavel 1, toebehorend aan AvdV. G.B. heeft vanaf 1999 tot haar aanhouding op 25 november 2008 in deze recreatiewoning gewoond.

Conclusie

Het hof stelt op grond van de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting ten aanzien van deze registergoederen/voorwerpen vast dat deze nooit op naam van de verdachte (en/of zijn echtgenote AvA) hebben gestaan én dat niet is gebleken van een (onderliggende) geldstroom van de verdachte naar de geregistreerde eigenaren met betrekking tot de (verkrijging van die) voorwerpen. Een aanwijzing voor het bestaan van zo’n geldstroom zou kunnen worden gevonden in een tweetal zich bij de stukken bevindende koopovereenkomsten (op pagina 961473/961480 en pagina 961461/961465). Het hof heeft echter ten aanzien van deze overeenkomsten vastgesteld dat deze (te) onvolledig zijn om daaraan enige conclusie te verbinden. Zo ontbreken bij de ene overeenkomst de pagina’s waaruit kan blijken op welke datum de verdachte welke kavel tegen welke prijs van CvB zou hebben gekocht en ontbreken bij de andere overeenkomst de datum alsmede de namen van de koper en verkoper.

Vaststaat dat G.B. de hierboven genoemde auto’s en de recreatiewoning met omliggende gronden gebruikte/bewoonde en dat de verdachte, zoals hij ook ter terechtzitting in hoger beroep heeft bevestigd, daar vaak aanwezig was en alle met dat gebruik samenhangende kosten (waaronder huur, gas/water/licht, benzine, onderhoud en verzekering) voor zijn rekening nam. Wat daar ook van zij, voor een bewezenverklaring van het tenlastegelegde witwassen moet vast komen te staan dat deze voorwerpen/registergoederen afkomstig zijn uit enig misdrijf. Nu het dossier, zoals hierboven reeds is overwogen, geen concrete aanknopingspunten bevat voor enige criminele betrokkenheid van de verdachte bij de verkrijging van de auto’s en de recreatiewoning met omliggende gronden en ook overigens bewijs dat deze voorwerpen/registergoederen (middellijk of onmiddellijk) anderszins uit misdrijf afkomstig zijn in het dossier ontbreekt, dient de verdachte reeds op die grond van het ter zake van deze voorwerpen cumulatief/alternatief tenlastegelegde witwassen te worden vrijgesproken.

Twee horloges van het merk Rolex (tenlastegelegd onder 1, tweede cumulatief/alternatief)

Uit de stukken in het dossier leidt het hof af dat deze twee horloges, die zijn aangetroffen (in de deur) van de kluis van juwelier M&B, door A.K. aan de verdachte zijn overhandigd als borg voor een door de verdachte aan A.K. verstrekte geldlening. Mede gelet op hetgeen het hof hiervoor met betrekking tot het onder 3 tenlastegelegde heeft overwogen, en bij gebreke van enig ander bewijs, is het hof van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat deze horloges van enig misdrijf afkomstig zijn. Het hof zal de verdachte dan ook van dit onderdeel van het onder 1 tenlastegelegde vrijspreken.

  • Partiële vrijspraak (verbergen/verhullen van de werkelijke aard of herkomst)

De eigen auto’s (tenlastegelegd onder 1, eerste cumulatief/alternatief)

Het hof heeft, zoals hierna onder het kopje ‘Het verwerven/voorhanden hebben, overdragen, omzetten en/of gebruiken eigen auto’s’ uitgebreider wordt overwogen, ten aanzien van de:

  • de Mercedes-Benz
  • de BMW 320i Sedan
  • de BMW 3ER Reihe kenteken)

geconstateerd dat ze op naam van de verdachte en/of AvA waren gesteld, dat ze (in ieder geval grotendeels) met gelden van de verdachte en/of AvA zijn aangeschaft en dat de verdachte en/of AvA er gebruik van maakten dan wel hebben gemaakt. Het hof heeft niet kunnen vaststellen dat de verdachte de werkelijke aard, herkomst, vindplaats, vervreemding of verplaatsing van die personenauto’s heeft verborgen of verhuld, dan wel heeft verborgen of verhuld wie de daadwerkelijke rechthebbende op die personenauto’s was. Het hof zal de verdachte daarom ten aanzien van deze auto’s van het onder 1 eerste cumulatief/alternatief tenlastegelegde vrijspreken.

  • Partiële vrijspraak (voorhanden hebben)

Een geldbedrag van 20.000,00 (tenlastegelegd onder 1, tweede cumulatief/alternatief)

Uit de stukken in het dossier blijkt dat in de deur van een kluis bij juwelier M&B een contant geldbedrag van €20.000,00 is aangetroffen. Met de advocaat-generaal en de raadsman van de verdachte is het hof van oordeel dat uit de stukken in het dossier niet kan worden afgeleid dat de verdachte dit geldbedrag, ter zake waarvan niet is gebleken dat het aan de verdachte toebehoort, voorhanden heeft gehad. Het hof zal de verdachte dan ook vrijspreken van dit onderdeel.

  • Het vermoeden van witwassen

Ten aanzien van het overigens onder 1 tenlastegelegde zal het hof het toetsingskader hanteren dat wordt toegepast ingeval van een tenlastelegging van witwassen, waarbij geen direct bewijs voor brondelicten aanwezig is.

Naar inmiddels bestendige jurisprudentie kan, in een geval zoals dat zich hier voordoet, witwassen bewezen worden geacht, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het tenlastegelegde geld en/of voorwerp(en) uit enig misdrijf afkomstig is/zijn. Het ligt op de weg van het openbaar ministerie zicht te bieden op het bewijs waaruit zodanige feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid.

Bij toetsing door de zittingsrechter dienen daarbij de volgende stappen te worden doorlopen.

Allereerst zal moeten worden vastgesteld of aangedragen feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Indien zulk een geval zich voordoet mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld of de goederen. Zo een verklaring dient te voldoen aan de vereisten dat zij concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is.

Bij de beoordeling van deze verklaring spelen de omstandigheden waaronder en het moment en de wijze waarop deze tot stand is gekomen mede een rol. Zo kan het van belang zijn of de verdachte van meet af aan een tegenwicht tegen de verdenking heeft geboden of dat hij eerst in een laat stadium van het onderzoek is gaan verklaren op een wijze die aan de hiervoor genoemde vereisten voldoet.

Zodra het door de verdachte geboden tegenwicht daartoe aanleiding geeft, ligt het vervolgens op de weg van het openbaar ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het geld en de goederen. Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal dienen te blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de geldbedragen en de goederen waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst hebben en dat derhalve een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.

Het hof overweegt als volgt.

Uit onderzoek is gebleken dat de verdachte (en zijn echtgenote AvA, met wie hij een economische eenheid vormde) in de tenlastegelegde periode uitgaven hebben gedaan, die niet kunnen worden verklaard uit hun legale inkomen. Immers, hun legale inkomen bedroeg in de tenlastegelegde periode in totaal €149.259,74 (bestaande uit een WAO-uitkering van de verdachte en beperkte looninkomsten met (sinds 1992) een aanvullende WAO-uitkering voor AvA), terwijl uit onderzoek is gebleken dat de verdachte in die periode ongeveer €650.000,00 heeft uitgegeven. Daarnaast is op 25 november 2008 in de woning van de verdachte een geldbedrag van €10.089,00 aangetroffen en bleek er een geldbedrag van €24.042,00 op een rekening in België te zijn gestort.

Het geldbedrag van €650.000,00 dat de verdachte in de tenlastegelegde periode zou hebben uitgegeven is opgebouwd uit de navolgende posten:

  • Uitgaven Hillegom €381.715,35
  • Uitgaven auto’s €118.400,05
  • Uitgaven Hensbroek €57.238,57
  • Toelage G.B. €89.100,00.

Op grond van de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting komt het hof tot een andere berekening dan hiervoor genoemd. Zo acht het hof niet bewezen dat de verdachte uitgaven heeft gedaan voor een bedrag van €57.238,57. Dit totaalbedrag aan uitgaven is gebaseerd op de in de door G.B. bewoonde recreatiewoning (adres) aangetroffen facturen en bonnetjes. Naar het oordeel van het hof valt geenszins uit te sluiten dat deze uitgaven (deels) zijn gedaan van de wekelijkse toelage die G.B. van de verdachte ontving, zodat in die zin sprake is van een dubbeltelling. Nu het dossier ook anderszins geen aanknopingspunten bevat om tot een nadere duiding van deze uitgaven te komen, zal het hof de verdachte van dit onderdeel in het onder 1 tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegde vrijspreken.

Het hof is voorts van oordeel dat ook het in het dossier berekende bedrag aan uitgaven aan auto’s moet worden bijgesteld. Zoals hiervoor is overwogen, heeft het hof geen daadwerkelijke geldstroom van de verdachte naar M.P. / Z. B.V. kunnen vaststellen met betrekking tot de auto’s, waarin G.B. reed. Ten aanzien van de overige personenauto’s heeft het hof vastgesteld, zoals hieronder nader wordt overwogen, dat de verdachte minst genomen uitgaven heeft gedaan voor een bedrag van €41.048,00.

Het hof komt aldus tot een bedrag aan uitgaven van ongeveer €510.000,00. Het hof overweegt dat ook ten aanzien dit bedrag geldt dat de gedane uitgaven niet kunnen worden verklaard uit de legale inkomsten van de verdachte en AvA, zodat te dien aanzien zonder meer sprake is van een witwasvermoeden.

  • Verklaring van de verdachte

In het onderhavige geval is de verdachte in een zeer laat stadium, namelijk pas ter terechtzitting in hoger beroep, met een verklaring gekomen, inhoudende dat hij naast legale inkomsten (uit werk en later een WAO-uitkering) gedurende een groot deel van zijn leven ook andere inkomsten heeft genoten. Zo had de verdachte vanaf zijn 14e inkomsten uit zwart (loodgieters)werk en vanaf zijn 25e inkomsten uit incassowerkzaamheden (eveneens zwart). Vanaf ongeveer diezelfde tijd is hij, volgens zijn verklaring, leningen gaan verstrekken tegen hoge rentepercentages. Over de daarmee door hem gegenereerde inkomsten heeft de verdachte nimmer belasting betaald noch heeft hij die inkomsten opgegeven aan de uitkeringsinstantie.

Hoewel aan de advocaat-generaal kan worden toegegeven dat verdachtes verklaring betreffende zijn inkomsten uit loodgieters- en incassowerkzaamheden niet erg gedetailleerd is en wellicht niet eenvoudig te verifiëren, kan - naar het oordeel van het hof - die verklaring niet reeds op voorhand als hoogst onwaarschijnlijk ter zijde worden geschoven. Met betrekking tot verdachtes verklaring dat hij jarenlang inkomsten heeft gehad uit door hem verstrekte geldleningen overweegt het hof dat deze verklaring steun vindt in het onderhavige strafdossier. Uit het strafrechtelijk onderzoek, meer in het bijzonder zaaksdossier 7.1.0, is immers gebleken dat de verdachte in de tenlastegelegde periode geldleningen aan derden heeft verstrekt en dat hij over die leningen een buitengewoon hoog bedrag aan rente ontving. Het hof neemt voorts in aanmerking dat het dossier geen gegevens bevat die inzicht verschaffen in de financiële situatie van de verdachte op het beginmoment van de ten laste gelegde periode. Het hof zal bij de beoordeling van het ten laste gelegde dan ook uitgaan van de juistheid van de verklaring van de verdachte.

Nu de verdachte van deze inkomsten geen opgave heeft gedaan bij de belastingdienst, heeft hij zich ten minste schuldig gemaakt - ook naar zijn eigen zeggen - aan belastingontduiking. Voorts kan worden vastgesteld dat deze inkomsten zich hebben vermengd met de legale inkomsten van de verdachte en diens echtgenote.

  • Een eigen misdrijf

Volgens bestendige jurisprudentie zijn vermogensbestanddelen, waarover men de beschikking heeft doordat de belasting is ontdoken, van misdrijf afkomstig. In het geval dat van misdrijf afkomstige vermogensbestanddelen worden vermengd met vermogensbestanddelen die zijn verkregen door middel van legale activiteiten, kan het aldus vermengde vermogen worden aangemerkt als "mede" of "deels" uit misdrijf afkomstig.

Het voorgaande in aanmerking genomen acht het hof het aannemelijk dat de verdachte aldus inkomsten heeft gegenereerd uit “eigen misdrijf”. Het hof betrekt daarbij ook dat het omvangrijke onderzoek Juwelier geen enkel aanknopingspunt biedt voor betrokkenheid van de verdachte bij enig ander misdrijf.

Voorts volgt uit vaste jurisprudentie ter zake van witwassen dat in het geval dat het witwassen betrekking heeft op gelden/voorwerpen afkomstig uit eigen misdrijf, er in beginsel sprake dient te zijn van een handeling die erop is gericht om de crimineel verkregen gelden/voorwerpen veilig te stellen. In dergelijke gevallen moet sprake zijn van een gedraging die meer omvat dan het enkele verwerven of voorhanden hebben en die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van die door eigen misdrijf verkregen gelden/voorwerpen gericht karakter heeft. Die regel gaat niet op in gevallen waarin sprake is van voorwerpen die “middellijk” afkomstig zijn uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf doordat direct uit misdrijf afkomstige voorwerpen nadien zijn omgezet in andere voorwerpen.

  • Het verwerven/voorhanden hebben, overdragen, omzetten en/of gebruiken (tenlastegelegd onder 1, tweede cumulatief/alternatief)

De eigen auto’s

Uit de stukken in het dossier leidt het hof ten aanzien van - kort gezegd - de eigen auto’s van de verdachte en AvA het volgende af.

De Mercedes-Benz is op 17 april 2007 aangekocht bij Centraal Automobielbedrijven B.V. voor een bedrag van €85.000,00. De auto is gefinancierd door inruil van een Mercedes-Benz ML 280 ter waarde van €70.000, welke auto sinds 6 januari 2006 op naam stond van de verdachte, en door bijbetaling van een geldbedrag van €15.000,00, welk geldbedrag op 18 april 2007 is voldaan door M.P. / Z. B.V. Blijkens de gegevens bij de Rijksdienst voor het wegverkeer (RDW) stond deze auto vanaf 17 april 2007 op naam van de verdachte. Gebleken is dat de verdachte tot zijn aanhouding op 25 november 2008 in de onderhavige auto heeft gereden.

De BMW 320i Sedan is op 16 maart 2005 aangekocht bij Ad Smelt B.V. voor een bedrag van €48.548,05. Blijkens de aantekeningen op de factuur, die op naam staat van AvA, is de auto deels contant betaald (€14.500,00, kennelijk door de verdachte), deels giraal (€11.548,05, gestort door AvA) en door inruil van een BMW 318IA ter waarde van €22.500,00, welke auto sinds 27 april 2001 op naam stond van AvA. Blijkens de gegevens bij de RDW stond deze auto vanaf 18 maart 2005 tot en met 7 april 2007 op naam van AvA, waarna de tenaamstelling is overgegaan op Z. B.V.

De BMW 3ER Reihe is op 3 april 2007 aangekocht bij Ad Smelt B.V. voor een bedrag van €50.950,26. Dit bedrag is (giraal) voldaan door Z. B.V. Uit de stukken van Z. B.V. blijkt dat de verdachte ter financiering van deze auto een bedrag van €15.000,00 van Z. B.V. had geleend, welke lening de verdachte aan Z. B.V. heeft terug betaald. Blijkens de gegevens bij de RDW stond deze auto vanaf 6 april 2007 op naam van AvA. Zij heeft tot haar aanhouding op 25 november 2008 in deze auto gereden.

Het hof stelt aldus vast dat voornoemde personenauto’s op naam van de verdachte en/of AvA waren gesteld, dat die personenauto’s (in ieder geval grotendeels) met gelden van de verdachte en/of AvA zijn aangeschaft en dat de verdachte en/of AvA van die auto’s gebruik maakten dan wel gebruik hebben gemaakt. Nu, zoals het hof hiervoor heeft vastgesteld, genoemde gelden door vermenging van legale en illegale inkomsten in hun geheel als van misdrijf afkomstig moeten worden aangemerkt, zijn de daarmee gekochte auto’s eveneens (middellijk) van misdrijf afkomstig. Het hof acht dan ook het onder 1, tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegde ten aanzien van voornoemde auto’s in die zin bewezen.

  • Geldbedragen aan uitgaven tot in totaal ongeveer €381.715,35

Uit de stukken in het dossier leidt het hof af dat bij de doorzoeking in de woning van de verdachte op 25 november 2008 een groot aantal schriftelijke bescheiden in beslag is genomen. Uit deze bescheiden, waaronder bonnen en facturen van contante aankopen, is gebleken dat de verdachte (en AvA) in de tenlastegelegde periode in totaal €381.715,35 contant hebben uitgegeven.

Het hof acht daarom bewezen dat de verdachte aldus in de tenlastegelegde periode een geldbedrag van in totaal €381.715,35 afkomstig uit (eigen) misdrijf heeft omgezet en overgedragen.

  • De G.B. -geldbedragen

De raadsman heeft ten aanzien van deze gelden vrijspraak bepleit, stellende dat de stukken in het dossier onvoldoende houvast bieden voor het bepalen van de hoogte van dit bedrag.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

G.B. heeft op 19 december 2008 verklaard dat zij gedurende zo’n vijftien jaar wekelijks geld van de verdachte heeft ontvangen. Het is begonnen met een bedrag van ƒ 200,00 en dat bedrag is, naar haar zeggen, in stappen van €50,00 opgelopen tot een bedrag van €400,00 euro per week. Zij heeft destijds ook verklaard dat zij sinds ongeveer één jaar een wekelijkse toelage van €400,00 ontving. Bij de berekening van het totaalbedrag van de door de verdachte aan G.B. betaalde toelagen is rekening gehouden met deze door G.B. genoemde oplopende schaal. De verklaring van G.B. vindt (in ieder geval ten aanzien van het bedrag van €400,00) steun in een op 8 november 2011 tussen de verdachte en G.B. gevoerd telefoongesprek.

Het hof acht, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte in de tenlastegelegde periode een bedrag van €89.100,00 aan toelagen aan G.B. heeft overgedragen.

Het hof heeft hiervoor reeds overwogen dat niet valt uit te sluiten dat de berekening van het op de aangetroffen bonnetjes en facturen gebaseerde bedrag aan uitgaven van €57.238,57 een dubbeltelling oplevert ten aanzien van het berekende totaalbedrag dat de verdachte als toelage aan G.B. heeft betaald.

Hetzelfde heeft naar het oordeel van het hof te gelden - waarbij de vraag of kan worden bewezen dat de verdachte dit geldbedrag destijds voorhanden heeft gehad kan worden daargelaten - ten aanzien van het op 25 november 2008 in de recreatiewoning te adres aangetroffen contante geldbedrag van €1.115,00 (ten onrechte is in de tenlastelegging het bedrag van 2.115,00 vermeld). Het zal de verdachte om die reden ook ten aanzien van dit geldbedrag vrijspreken.

  • Contant geldbedrag van €10.076,07

Uit de stukken in het dossier leidt het hof af dat op 25 november 2008 in de woning van de verdachte een contant geldbedrag van €10.076,07 is aangetroffen. Gelet op de door het hof aannemelijk geachte verklaring van de verdachte omtrent de herkomst van zijn inkomsten dient er ook ten aanzien van dit geldbedrag van te worden uitgegaan dat deze gelden uit eigen misdrijf afkomstig zijn. Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting kan slechts worden afgeleid dat de verdachte deze gelden in zijn woning voorhanden heeft gehad. Aanknopingspunten dat de verdachte enige gedraging heeft verricht die (kennelijk) gericht was op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van deze gelden ontbreken in het dossier. Nu daarvan niet is gebleken, kan het voorhanden hebben van dit geldbedrag naar bestendige jurisprudentie niet als ‘witwassen’ worden gekwalificeerd. Gelet op het feit dat onder 1 tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegde het bestanddeel ‘plegen van (gewoonte)witwassen’ in de tenlastelegging is opgenomen, zal het hof de verdachte om die reden van dit onderdeel vrijspreken.

  • Giraal geldbedrag van €24.042,00

Uit de stukken in het dossier leidt het hof af dat het geldbedrag van €24.042,00 op een bankrekening in België is gestort. AvA heeft op 6 september 1995 een bankrekening geopend bij de KBC-bank in Lanaken (België) met rekeningnummer 1. De verdachte was sindsdien gemachtigd op deze bankrekening. Op 29 december 2006 heeft AvA bij diezelfde bank een rekening geopend met rekeningnummer 2, waarna op 2 januari 2007 het gehele saldo van rekeningnummer 1 is overgeboekt naar rekeningnummer 2 In de tenlastegelegde periode heeft AvA (al dan niet met de verdachte) een geldbedrag van €24.042,00 op die rekeningen gestort en voorhanden gehad. Nu het storten van geld op een (buitenlandse) bankrekening op eigen naam niet zonder meer kan worden aangemerkt als een gedraging die er kennelijk op gericht is de criminele herkomst daarvan (uit eigen misdrijf) daadwerkelijk te verbergen of te verhullen en ook anderszins bewijs daarvoor in het dossier ontbreekt, kan naar het oordeel van het hof het onder 1 tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegde bestanddeel ‘plegen van (gewoonte)witwassen’ niet worden bewezen. Ook van dit onderdeel zal de verdachte daarom worden vrijgesproken.

  • Gewoontewitwassen

Gelet op de omvang en de continuïteit van de hierboven bewezen geachte gedragingen van de verdachte, acht het hof eveneens bewezen dat de verdachte daarvan een gewoonte heeft gemaakt. Het hof acht echter niet bewezen dat de verdachte zich tezamen en in vereniging met AvA en/of G.B. aan dit gewoontewitwassen heeft schuldig gemaakt. Uit het dossier valt niet af te leiden of en in hoeverre AvA en G.B. wetenschap hadden van de aard en omvang van de uit eigen misdrijf van de verdachte afkomstige inkomsten en de uitgaven van de verdachte. Dit geldt te minder, nu uit het dossier naar voren komt dat de verdachte zijn betrokkenheid bij G.B. en zijn daarmede verband houdende uitgaven voor AvA verborgen heeft gehouden. Voorts valt evenmin vast te stellen of G.B. wetenschap had van het uitgavepatroon van de verdachte met betrekking tot AvA. Nu ook overigens wettig en overtuigend bewijs ontbreekt, zal het hof de verdachte van het tenlastegelegde medeplegen vrijspreken.

Bewezenverklaring

Feit 1: gewoontewitwassen

Feit 2: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Strafoplegging

Verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Hof spreekt vrij omdat door het plaatsen van elektronische handtekening van de hoofd-officier van justitie op het pv een wezenlijk deel onleesbaar is geworden

Gerechtshof Amsterdam 12 januari 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:35 Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij op of omstreeks 16 maart 2014 te Amsterdam zich op en/of aan de weg, te weten de Oudezijds Achterburgwal heeft opgehouden, terwijl aannemelijk is, dat zulks gebeurde om middelen als bedoeld in art. 2 of 3 van de Opiumwet althans daarop gelijkende waar, en/of slaapmiddelen en/of kalmeringsmiddelen en/of stimulerende middelen of daarop gelijkende waar te kopen en/of te koop aan te bieden.

Het hof spreekt verdachte vrij en overweegt hiertoe als volgt. In het procesdossier bevindt zich een zogenoemd ‘gescand’ exemplaar van een proces-verbaal van de verbalisant van 19 maart 2014. Deze ‘scan’ is aan te merken als een digitaal afschrift van een proces-verbaal, als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van het Besluit elektronisch proces-verbaal (Bepv). Ingevolge diezelfde bepaling wordt dat digitale afschrift aangemerkt als een (elektronisch) proces-verbaal als bedoeld in artikel 153, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), indien het als waarmerk is voorzien van een gekwalificeerde elektronische handtekening van een daartoe door de verantwoordelijke aangewezen ambtenaar. De digitale stempel van de hoofdofficier van justitie te Den Haag, H. Korvinus, zoals opgenomen op de eerste pagina van het dossier, is als zodanig aan te merken.

Uit voornoemd proces-verbaal volgt verder dat een toerist aan de verbalisant, toen hem werd gevraagd wat er was gebeurd, het volgende verklaard “The black guy said coke, coke, coke, coke, coke, coke, coke but I did not buy any”. Door bovenbedoelde digitale stempel is een (belangrijk) deel van de tekst van het proces-verbaal op de eerste pagina onleesbaar geworden, tengevolge waarvan niet duidelijk is wie de persoon is, uit een groepje van een drietal negroïde personen waartoe ook de verdachte behoorde, die diverse passerende toeristen aansprak. Daarenboven heeft de steller van de telastlegging ervoor gekozen het delict niet (ook) in deelnemingsvorm te verwijten.

Naar het oordeel van het hof blijkt uit voornoemd bewijsmiddel onvoldoende concreet en specifiek of de ondervraagde toerist door de verdachte is aangesproken, temeer nu bij onderzoek aan de kleding van de verdachte geen voor inbeslagname vatbare goederen zijn aangetroffen.

Mitsdien acht het hof niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Twaalf maanden gevangenisstraf voor witwassen geldbedrag in 2006 voor 'aankoop machines in Libanon t.b.v. Liberia'

Gerechtshof Amsterdam 2 maart 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:786 Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 05 februari 2006, te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, een voorwerp, te weten een geldbedrag van 432.135 Engelse en/of Schotse Ponden, althans enig geldbedrag, heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten een geldbedrag van 432.135 Engelse en/of Schotse Ponden, althans enig geldbedrag, gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

Door de raadsvrouw is betoogd dat de verdachte moet worden vrijgesproken. Niet kan worden bewezen dat het onder de verdachte aangetroffen geldbedrag van enig misdrijf afkomstig is; er is geen rechtstreeks verband met een bepaald misdrijf vast te stellen. Voorts is de juistheid van de verklaring van getuige, volgens wie het geld de opbrengst is van een in Groot-Brittannië verkochte partij cocaïne, op geen enkele wijze te verifiëren. Bovendien lijkt deze getuige een motief te hebben voor het afleggen van een belastende verklaring.

Verder kan niet worden bewezen dat de verdachte wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het geldbedrag van enig misdrijf afkomstig is.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Op 5 februari 2006 is op Schiphol naar aanleiding van een binnengekomen tip de bagage van de verdachte gecontroleerd. Daarbij zijn in twee koffers 16 pakketten aangetroffen met daarin een geldbedrag van in totaal 432.135 Engelse en Schotse ponden, in biljetten van verschillende coupures. De koffers waren geseald en ingecheckt voor de vlucht naar Beiroet in Libanon.

Op grond van voormelde feiten en omstandigheden was het vermoeden dat de verdachte zich schuldig maakte aan witwassen gerechtvaardigd, maar niet kon worden vastgesteld uit welk specifiek misdrijf het geld afkomstig was. Bij die stand van zaken kon van de verdachte worden gevergd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand als hoogst onwaarschijnlijk aan te merken verklaring zou geven omtrent de herkomst van het geld.

De verdachte heeft in dit verband het volgende aangevoerd. Op 3 maart 2006 is de verdachte op verzoek van een Liberiaanse “diplomaat”, getuige 2 geheten - later als getuige 2 bekend geworden -, vanuit Beiroet naar Nederland gevlogen om geld van deze getuige 2 naar Beiroet te vervoeren voor een Liberiaanse gouverneur. De verdachte heeft van getuige 2 twee koffers gekregen met daarin het geld, volgens getuige 2 500.000 Britse ponden, in enveloppen. De verdachte heeft zijn eigen koffer achtergelaten. De verdachte heeft zelf het geld niet geteld omdat de koffers al gesloten waren. In Libanon moest hij het geld aan een (andere) Liberiaanse diplomaat geven en deze zou het geld aan voornoemde gouverneur overhandigen. getuige 2 zou het ticket van de verdachte betalen en mogelijk zou de verdachte als beloning nog USD 2.000 of 3.000 krijgen.

Over de persoon van getuige 2 heeft de verdachte verklaard dat hij hem eerder één keer had ontmoet, in Beiroet, dat hij diens adres niet had, maar dacht dat hij in Duitsland of Nederland woonde.

Hoewel van de verklaring van de verdachte over de herkomst van het geld bepaald niet kan worden gezegd dat deze concreet, verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk was te noemen, is in hoger beroep het nodige onderzoek naar de aannemelijkheid daarvan geëntameerd (zie o.a. de processen-verbaal van de raadsheer-commissaris van 14 mei 2013 en 19 maart 2015), mede naar aanleiding van de ter terechtzitting in eerste aanleg van 6 september 2007 afgelegde verklaring van getuige 2, die onder meer het volgende inhoudt:

Ik ben business consultant voor het Ministerie van Buitenlandse Zaken van Liberia.

Ik heb de heer verdachte ingeschakeld om van Nederland naar Beiroet te vliegen; hij was de koerier. Ik was met hem bevriend sinds een klein jaar. Ik heb hem in Nederland ingelicht wat hij moest doen en zeggen. Ik heb gezegd dat hij het geld naar een bank moest brengen. Het moest gewisseld worden in US-dollars. Het was de bedoeling dat verdachte het geld aan de manager van mijn bank zou geven. Hij wist welke manager het was. De bankmanager zou hem op het vliegveld van Beiroet opwachten.

Met het geld was ik van plan machines te kopen op een veiling. Het geld was afkomstig van de ‘government’ van Liberia. U houdt mij voor dat verdachte heeft verklaard dat het geld bestemd was voor de gouverneur van Liberia. Dat klopt niet. Ik heb tegen verdachte gezegd dat het geld bestemd was voor de ‘government’ van Liberia. Het geld was bestemd voor de aankoop van landbouwmachines in Libanon en Dubai voor de regering van Liberia.

De rechtbank heeft haar oordeel dat het onder de verdachte aangetroffen geld afkomstig was van enig misdrijf mede doen steunen op de verklaringen die getuige zou hebben afgelegd (in het onderzoek Mijnenjager) over de verkoop van een grote partij cocaïne door getuige 2 in Engeland en de ontdekking van de opbrengst daarvan op Schiphol bij de in Beiroet woonachtige verdachte (hof: de verdachte). getuige kon niet worden getraceerd en kon dus niet als getuige worden gehoord. Wel heeft de raadsvrouw van de verdachte inzage gehad in het dossier Mijnenjager, hetgeen heeft geresulteerd in de voeging in het onderhavige dossier van processen-verbaal van door getuige afgelegde verklaringen, zoals samengevat door de politie. Nu evenwel de processen-verbaal van de desbetreffende verhoren zelf niet beschikbaar zijn en de context waarin de verklaringen zijn afgelegd, onduidelijk is, is controle van de betrouwbaarheid daarvan niet mogelijk, zodat dit naar het oordeel van het hof niet tegen de verdachte kan worden gebruikt. Hetzelfde geldt voor de zich eerder al in het dossier bevindende, in een “start proces-verbaal” samengevatte, bevindingen van de grootschalige handel in, en smokkel van, verdovende middelen waarvan onder anderen getuige 2 werd verdacht.

Het voorgaande staat evenwel niet in de weg aan de vaststelling dat het onderhavige geldbedrag van misdrijf afkomstig is, waarbij het hof het volgende in aanmerking neemt.

De verklaringen van de verdachte en getuige 2 komen niet overeen voor wat betreft de duur van hun “vriendschap”, de persoon/instantie voor wie het geld bestemd was en de persoon aan wie het geld in Libanon moest worden afgeleverd. Ook is onopgehelderd gebleven waarom het nodig was de verdachte (vanuit Beiroet) naar Amsterdam te laten vliegen om hem als koerier te laten optreden. De verklaring van getuige 2 vindt voorts geen bevestiging in een telefoongesprek dat hij op 6 februari 2006 voerde met de verdachte over de onderhavige zaak, waarin de verdachte onder meer opmerkte “ik heb hun verteld dat deze (papieren) voor de Liberiaanse ‘gouverner’ zijn”, waarop getuige 2 antwoordde “bravo, bravo, bravo” en voorts door beiden in enigszins versluierd taalgebruik wordt gesproken. Voorts is noch door de verdachte noch door getuige 2 verklaard door wie het geld aan laatstgenoemde zou zijn overhandigd. In een door de voormalige raadsman van de verdachte namens getuige 2 ingediend verzoek om teruggave van het geld wordt weliswaar medegedeeld dat het geld op de Liberiaanse ambassade te Lagos (Nigeria) aan getuige 2 is overhandigd door een naam, die als vice-consul aan die ambassade verbonden zou zijn, maar enige onderbouwing daarvoor ontbreekt, daargelaten een officieel ogende brief van getuige 2 zelf en een overzicht (op hetzelfde officieel ogende briefpapier) van de inbeslaggenomen coupures, aan welke documenten, zonder nadere onderbouwing, door het hof geen relevante betekenis wordt toegekend. Voorts roept genoemde mededeling de vraag op waarom geld dat bestemd is voor de aankoop van materieel voor Liberia in ontvangst moet worden genomen in Nigeria en vervolgens via Amsterdam naar Libanon moet worden overgebracht. En meer in het algemeen is onduidelijk gebleven waarom voor het overbrengen van het geld geen bancaire route is gebruikt.

Door de verdediging is ter zitting in hoger beroep van 19 april 2012 verzocht dhr. getuige 3 als getuige te horen, die ter zitting was verschenen. De stelling dat deze consul werkzaam was bij de Liberiaanse ambassade in Bonn is door de verdediging op geen enkele wijze onderbouwd, reden waarom het hof ervoor heeft geopteerd inlichtingen te doen inwinnen door de raadsheer-commissaris bij de Liberiaanse autoriteiten door tussenkomst van de Liberiaanse ambassade in Brussel. Van voornoemde getuige 3 bevindt zich wel een brief van 7 september 2007 aan de voormalige raadsman van de verdachte in het dossier, alsmede twee bijgevoegde “notes verbale” maar de authenticiteit daarvan valt niet na te gaan.

Bij gebrek aan medewerking van de Liberiaanse autoriteiten heeft het aan de raadsheer-commissaris opgedragen onderzoek geen resultaten opgeleverd. Wel heeft de raadsheer-commissaris nog pogingen ondernomen een zekere getuige 4 als getuige te doen horen, maar ook die pogingen waren tevergeefs. Deze als “senator” aangeduide getuige 4 heeft op 14 maart 2006 een telefoongesprek gevoerd met getuige 2, waarin blijkens de weergave van dat gesprek in het dossier gesproken werd over het rechtzetten/corrigeren van informatie, over een vervalst document en een stempel dat getuige 2 bij zich had. Mede tegen deze achtergrond kan de zich in het dossier bevindende brief van 6 juli 2006 van deze getuige 4 die zich presenteert als “Chairman Parliamentary Committee on Foreign Affairs” niet serieus worden genomen, nog daargelaten het feit dat ook de authenticiteit van deze brief niet kon worden vastgesteld.

Op grond van het voorgaande komt het hof tot het oordeel dat het niet anders kan dan dat het geld van misdrijf afkomstig was. Ook neemt het hof als vaststaand aan dat verdachtes (voorwaardelijk) opzet daarop was gericht. Het hof baseert dit oordeel op de omstandigheid dat de verdachte een grote hoeveelheid cash geld heeft aangenomen om te vervoeren van Amsterdam naar Libanon voor iemand die hij pas één keer eerder had gezien, zonder dat hij kennelijk heeft doorgevraagd naar de herkomst van het geld of zich anderszins van enige nadere informatie heeft voorzien. De verdachte heeft aldus welbewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het om crimineel geld ging.

Bewezenverklaring

  • Witwassen

Strafoplegging

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Verduistering van een graafmachine die verdachte uit hoofde van een leaseovereenkomst onder zich had

Gerechtshof Den Haag 2 februari 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:172 Uit het dossier en het onderzoek ter zitting is gebleken dat verdachte als directeur/enig aandeelhouder van de besloten vennootschap namens deze laatste op 23 oktober 2010 een lease-overeenkomst heeft gesloten met Amstel Lease/ABN Amro Lease (de laesemaatschappij) met betrekking tot een minigraver, merk Kubota, type KX41-3. Deze graafmachine is gekocht, betaald en in eigendom verworven door de leasemaatschappij en door deze aan vennootschap tegen een overeengekomen vergoeding in gebruik gegeven. Anders dan door de raadsman is gesteld, is niet aannemelijk geworden dat vennootschap of de verdachte op enig moment voor of na het aangaan van de lease-overeenkomst eigenaar van de graafmachine is geworden.

Voor zover de verdediging heeft beoogd om in hoger beroep haar verweer te handhaven, dat de verdachte er redelijkerwijs van uit mocht gaan dat de minigraver zijn eigendom was, verwerpt het hof ook dit verweer. Uit de bewoordingen van de overeenkomst volgt zonneklaar dat de leasemaatschappij de graafmachine koopt en in eigendom behoudt en de graafmachine enkel aan (het bedrijf van) de verdachte ter beschikking stelt. Bovendien heeft de verdachte, zoals hij zelf heeft verklaard, contact opgenomen met de leasemaatschappij toen hij niet langer in staat was om de leasetermijnen te betalen, met het verzoek om de graafmachine te mogen verkopen om van de opbrengst zijn schulden te betalen, waarop hij ook toen te horen kreeg van de leasemaatschappij dat dat niet was toegestaan. Hieruit volgt dat de verdachte, op het moment dat hij de graafmachine verkocht, wist, althans redelijkerwijs had kunnen en moeten weten, dat hij daartoe niet bevoegd was. Nu de verkoop van de graafmachine gezien kan worden als het als heer en meester beschikken daarover, had de verdachte op het moment van de verkoop op zijn minst het voorwaardelijk opzet op het zich wederrechtelijk toe-eigenen van de graafmachine.

Voorts heeft de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep het voorwaardelijke verzoek gedaan, voor het geval het hof niet tot een vrijspraak zou komen, om de curator in het faillissement van vennootschap, de heer mr. B. van Noort, als getuige te horen, nu die kan verklaren dat de verdachte legaal en bevoegd tot de verkoop van de minigraver is overgegaan.

Bewezenverklaring

Verduistering

Strafoplegging

Het hof veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 40 uur.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Vrijspraak van meineed (in een civiele procedure)

Gerechtshof Amsterdam 3 maart 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:805 Aan verdachte is meineed (in een civiele procedure) (feit 1) en bedreiging (feit 2) ten laste gelegd. De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 en 2 bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 weken, met aftrek van de periode die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft bepleit dat de verdachte van het onder 1 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat het dossier onvoldoende bewijs bevat om te kunnen vaststellen dat de verdachte aan het opgenomen gesprek, waarvan slechts een schriftelijke vertaling in het dossier zit, heeft deelgenomen, dan wel dat hij op een ander moment verklaringen heeft afgelegd die maken dat de verdachte op 22 maart 2012 tegenover de rechter-commissaris in strijd met de waarheid heeft verklaard.

De raadsman heeft voorts bepleit dat de verdachte van het onder 2 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte geen opzet heeft gehad (ook niet in voorwaardelijke zin) dat er op was gericht dat getuige 1 daadwerkelijk op de hoogte zou raken van de bedreiging.

Het standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft betoogd dat het onder 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat de stelling van de aangevers dat de verdachte deelnemer was aan het schriftelijk uitgewerkte gesprek en de aan hem toegeschreven bewoordingen heeft geuit, wordt ondersteund door de verklaring van de getuige 5.

De advocaat-generaal heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat het onder 2 ten laste gelegde kan worden bewezen en dat het verweer van de raadsman dient te worden verworpen op de zelfde gronden als door de rechtbank is gedaan.

Het oordeel van het hof

Het hof constateert dat het belangrijkste bewijsmiddel waaruit zou volgen dat de verdachte op 22 maart 2012 onder ede (opzettelijk) in strijd met de waarheid heeft verklaard, de schriftelijke vertaling van een opgenomen gesprek is, welk gesprek volgens aangevers getuige 1 en getuige 2 zou hebben plaatsgevonden tussen de verdachte, getuige 6 en getuige 5. De vertaalster heeft, gelet op de boven de vertaling (deels tussen haakjes) geplaatste opmerking kennelijk van haar opdrachtgever vernomen dat de verdachte een van de deelnemers aan het gesprek betrof. Uit niets blijkt dat zij dit zelf heeft vastgesteld.

De verdachte heeft betwist het uitgewerkte gesprek met getuige 6 en getuige 5 te hebben gevoerd en de in de vertaling aan hem toegeschreven uitlatingen te hebben gedaan. De enige persoon die bevestigt dat de verdachte inderdaad bij bovenbedoeld gesprek aanwezig is geweest is getuige 5. Gelet echter op de familieband die deze getuige heeft met getuige 2 (een van de personen namens wie aangifte tegen de verdachte is gedaan en met wie de verdachte een zakelijk geschil heeft), is het hof van oordeel dat getuige 5 niet kan worden geacht een onafhankelijke getuige te zijn. Gelet op het voorgaande kan de vertaling van het bedoelde gesprek niet (mede) leiden tot het bewijs dat de verdachte op 22 maart 2012 een meinedige verklaring heeft afgelegd.

De verklaringen van de getuigen getuige 7 en getuige 8 kunnen evenmin aan een bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde bijdragen. getuige 7 heeft blijkens zijn verklaringen de verdachte de specifieke uitlatingen niet horen doen, maar trekt slechts conclusies uit hetgeen hij weet van de aangeefsters en uit hetgeen hij de verdachte juist wel of niet heeft horen zeggen. getuige 8 heeft verklaard over een bedrag tussen € 580.000 en € 600.000, zodat niet zonder meer vastgesteld kan worden dat hij het over het zelfde geldbedrag heeft als de aangevers.

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Bedoeling Flora- en Faunawet: niet meer dan 2 jachthouders voor dezelfde grond. Verdachte mocht jagen. Vrijspraak.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 24 februari 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:1862

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 26 oktober 2013 te Nagele, gemeente Noordoostpolder, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, als houder van een jachtakte een geweer heeft gedragen en/of laten dragen op gronden, te weten op de percelen E17 en E18, waarop hij niet tot het gebruik van een geweer gerechtigd was, immers

a. kwam hem en/of zijn medeverdachte(n) het genot van de jacht daar niet toe, omdat in strijd met artikel 33 en 34 van de Flora- en faunawet het genot van de jacht was verhuurd aan twee huurders en was/waren hij/zij dus niet gerechtigd daar een geweer te (laten) dragen,

en/of

kwam hem en/of zijn medeverdachte(n) het genot van de jacht daar niet toe, omdat in strijd met artikel 49 Flora- en faunawet er werd gejaagd op een jachtveld dat niet voldeed aan de eisen van artikel 10 en 11 van het Jachtbesluit, immers werd er met meerdere jachthouders gejaagd en/of liet(en) verdachte(n) meerder jachthouders jagen op een jachtveld van 45 hectaren.

Geldigheid van de inleidende dagvaarding

In de eerste vier regels en onder sub b is aan verdachte tenlastegelegd - kort weergegeven - dat hij een geweer heeft gedragen op gronden waarop hij niet tot het gebruik van een geweer gerechtigd was, immers kwam hem als jachthouder het genot van jacht daar niet toe omdat er werd gejaagd op een jachtveld dat niet aan de wettelijke eisen voldeed.

Het hof is van oordeel dat het in de eerste vier regels en onder sub b tenlastegelegde innerlijk tegenstrijdig is. Verdachte was uit hoofde van het jachthouderschap gerechtigd tot het genot van de jacht (art. 1 in samenhang met artikel 33 en 34 van de Flora- en faunawet) op bedoelde percelen. Dat verdachte dat genot mogelijkerwijs niet mocht uitoefenen omdat het jachtveld niet zou voldoen aan de door de wet gestelde eisen, maakt dat niet anders.

Het hof zal de inleidende dagvaarding daarom, voor zover het betreft het onder sub b tenlastegelegde, nietig verklaren.

Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder sub a tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

In het bijzonder overweegt het hof het volgende.

Bij schriftelijke overeenkomst, gedagtekend 22 maart 2010, hebben verdachte en betrokkene 1 het genot van de jacht van betrokkene 2 gehuurd. Blijkens die huurovereenkomst zijn de huurders gerechtigd tot het genot van de jacht op de gronden J17 en J18, waarvan betrokkene 2 eigenaar is.

Artikel 1 van de Flora- en faunawet luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

jachthouder: degene die overeenkomstig het in de artikelen 33 of 34 bepaalde gerechtigd is tot het gehele of gedeeltelijke genot van de jacht;

Artikel 33 van de Flora- en faunawet luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

Gerechtigd tot het genot van de jacht is:

a. de eigenaar van de grond indien niet ingevolge het in onderdeel b of c bepaalde de erfpachter, vruchtgebruiker, beklemde meier of pachter gerechtigd is tot het genot van de jacht en voorzover het genot van de jacht niet is verhuurd;

de huurder van het genot van de jacht voorzover hij dat overeenkomstig artikel 34, eerste lid, heeft gehuurd (…);

Artikel 34 van de Flora- en faunawet luidt, voor zover thans van belang, als volgt:

1. Degene die ingevolge het bepaalde in artikel 33, onderdeel a, b of c, gerechtigd is tot het genot van de jacht, kan dat genot geheel of gedeeltelijk aan één ander verhuren, mits bij een schriftelijke en gedagtekende huurovereenkomst.

Uit het eerste lid van artikel 34 volgt dat het gehele of gedeeltelijke genot van de jacht aan ‘één ander’ kan worden verhuurd. Aangezien zowel verdachte als betrokkene 1 hebben getekend als huurders van het genot van de jacht, ziet het hof zich voor de vraag gesteld of er - in het onderhavige geval - sprake is van een geldige overeenkomst.

Uit de memorie van toelichting volgt het volgende.

‘De jachthouder kan, voor zover hij het genot van de jacht op de betreffende grond niet heeft gehuurd, dat recht geheel of gedeeltelijk overdragen aan één ander door middel van gedagtekende en schriftelijke overeenkomsten van huur en verhuur van de jacht, aangezien het jachtrecht een vermogensrecht in de zin van artikel 1585 van het Burgerlijk Wetboek (Boek 7A) is. Kiest hij voor gedeeltelijke verhuur van het jachtrecht, dan kan hij daarnaast niet nog een ander gedeelte van het jachthouderschap op de betreffende grond overdragen.

Anders dan thans het geval is, is het degene die het gehele of gedeeltelijke genot van de jacht heeft gehuurd, niet toegestaan het door hem gehuurde genot van de jacht in gedeelten te verhuren. Wanneer het genot van de jacht in te veel delen wordt opgesplitst, bijvoorbeeld per wildsoort of groep van wildsoorten, per periode of per middel, dan zouden op hetzelfde stuk grond verschillende jachthouders aanwezig zijn met elk een eigen verantwoordelijkheid. Zo'n situatie komt de samenhang in de uitvoering van het wildbeheer niet ten goede. Hij die slechts een gedeeltelijk jachthouderschap bezit, kan het gedeelte dat hij bezit slechts in zijn geheel weder verhuren. Op deze wijze zijn er nooit meer dan twee jachthouders op dezelfde grond. De mogelijkheid van een gedeeltelijke verhuur van het jachthouderschap is gehandhaafd om terreinbeherende instanties de mogelijkheid te bieden

een deel van het wildbeheer te verhuren en een ander deel in eigen beheer te houden’.

Het hof begrijpt de strekking van artikel 34, eerste lid, van de Flora- en faunawet tegen de achtergrond van de memorie van toelichting aldus dat de wetgever het onwenselijk acht dat er meer dan twee jachthouders voor dezelfde grond zijn.

In de onderhavige casus is als gevolg van de huurovereenkomst sprake van twee jachthouders, te weten verdachte en betrokkene 1. Ingevolge het bepaalde in artikel 1 in samenhang met artikel 33, onder a, is eigenaar betrokkene 2 immers geen jachthouder meer.

Naar het oordeel van het hof verdraagt dit zich met de bedoeling van de wet en moet in een geval als het onderhavige aan het woord “één” in “één ander” niet zodanige betekenis worden toegekend dat niet meer dan één persoon huurder kan zijn. Het hof merkt nog op dat er in de Nota van toelichting op het Jachtbesluit ook van uit wordt gegaan dat er van méér dan één huurder sprake kan zijn in een huurovereenkomst.

Gelet op het vorenstaande acht het hof niet bewezen dat verdachte niet tot het gebruik van een geweer gerechtigd was op de percelen E17 en E18 en hem het genot van de jacht daar niet toekwam. Het hof zal verdachte derhalve vrijspreken van het hem onder a tenlastegelegde.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling wegens bodemverontreiniging

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 9 maart 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:883 Verdachte wordt ter zake van overtreding van artikel 13 van de Wet bodembescherming veroordeeld tot een geldboete van € 1.800 waarvan € 1.000 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Verdenking

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1. zij in of omstreeks de periode van 19 januari 2010 tot en met 29 april 2010 te [vestigingsplaats] , in de [gemeente] , samen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (telkens) op of in de bodem (in de directe omgeving) van een aan de [adres] gelegen inrichting, (een) handeling(en) heeft verricht, te weten het (telkens) brengen of doen uitstromen van (varkens)mest en/of verontreinigd mestwater en/of ander verontreinigd afvalwater op en/of in de bodem, terwijl zij en/of haar mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) kunnen vermoeden, dat door die handeling(en) de bodem kon worden verontreinigd en/of aangetast, en toen, al dan niet opzettelijk, (telkens) niet aan haar/hun verplichting heeft/hebben voldaan alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van haar/hen konden worden gevergd, teneinde die verontreiniging en/of aantasting te voorkomen dan wel, terwijl die verontreiniging en/of aantasting zich voordeed, de verontreiniging of de aantasting en de directe gevolgen daarvan te beperken en zoveel mogelijk ongedaan te maken, immers heeft zij, samen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

  • Op 19 januari 2010 plassen met (varkens)mest en/of verontreinigd mestwater en/of ander verontreinigd afvalwater op de onbeschermde bodem (in de directe omgeving) van dat terrein gebracht, althans laten staan (zaaksdossier 01, AH 005, pag. 137 e.v.);
  • Op 27 april 2010 en/of 29 april 2010 een plas met (varkens)mest en/of verontreinigd mestwater en/of ander verontreinigd afvalwater op de onbeschermde bodem (in de directe omgeving) van dat terrein gebracht, althans laten staan (zaaksdossier 01, AH-047, pag. 246 e.v.);

2. zij op of omstreeks 4 december 2009 en/of 15 december 2009 te [vestigingsplaats] , [gemeente] , tezamen en in vereniging met een ander, althans anderen, althans alleen, zonder vergunning, al dan niet opzettelijk, met behulp van een werk, te weten een pijp en/of een afvoer van een bedrijfsriool, een hoeveelheid afvalwater en/of verontreinigd terreinwater en/of percolaat, zijnde (een) afvalstof(fen), verontreinigende en/of schadelijke stof(fen) heeft gebracht in een sloot op of nabij het bedrijfsterrein aan de [adres] aldaar gelegen inrichting, zijnde een oppervlaktewater (zaaksdossier 01, AH 003, pag. 15 e.v.);

3. zij in of omstreeks de periode van 15 december 2009 tot 3 februari 2010 te [vestigingsplaats] , [gemeente] , tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, al dan niet opzettelijk, zonder vergunning een in of op het perceel aan de [adres] gelegen inrichting voor de opslag, overslag en het bewerken van grondstoffen, bouwstoffen, afvalstoffen en mest en loonwerk en aanverwante werkzaamheden, waartoe een gpbv-installatie behoort, zijnde een inrichting genoemd in Categorie 28 van de bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer behorende Bijlage I, althans een inrichting als bedoeld in bijlage I en/of III van voornoemd besluit, heeft veranderd en/of de werking daarvan heeft veranderd, immers heeft zij tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, zonder vergunning

  • op of omstreeks 16 december 2009 een hoeveelheid varkensmest, althans afvalwater, gestort op een op die inrichting gelegen hoeveelheid puin (zaaksdossier-01, AH 37, pag. 93 e.v.) en/of
  • 29 januari 2010 en/of 3 februari 2010 een of meer containers door middel van een slang aangesloten (via een controlevoorziening van de olie/benzineafscheider) op de gemeentelijke riolering waardoor (bedrijfs)afvalwater op die riolering werd geloosd (zaaksdossier 01, AH06, pag. 158 e.v. + AH010 pag. 181 e.v.);

4. zij op of meer tijdstippen in de periode van 17 september 2009 tot en met 23 september 2009 te [vestigingsplaats] , [gemeente], al dan niet opzettelijk, zonder vergunning ingevolge de Wet verontreiniging oppervlaktewateren op andere wijze dan met behulp van een werk, een hoeveelheid (onder meer meststoffen bevattend) afvalwater, zijnde afvalstoffen, verontreinigende en/of schadelijke stoffen, heeft gebracht in een of meer (kavel)sloten, zijnde (een) oppervlaktewater, door deze stoffen daarin te storten en/of te pompen en/of te doen afvloeien.

De verdediging heeft bepleit:

  • primair dat verdachte integraal zal worden vrijgesproken;
  • subsidiair dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de strafvervolging ten aanzien van de onder 2 en 4 ten laste gelegde overtredingen.

Aanwijzing bemonstering en analyse milieudelicten

Door de verdediging is een beroep gedaan op uitsluiting van het bewijs van de resultaten van het onderzoek omdat de Aanwijzing bemonstering en analyse milieudelicten op cruciale punten niet is nageleefd.

Het hof overweegt het volgende.

Voor zover de verdediging een beroep heeft gedaan op bewijsuitsluiting omdat zich in het vooronderzoek een onherstelbaar vormverzuim in de zin van art. 359a Sv heeft voorgedaan kan dit verweer niet slagen. Door de verdediging is niet aan de hand van de in art. 359a, tweede lid, Sv genoemde factoren gemotiveerd aangevoerd om welke redenen de gestelde niet-naleving van de Aanwijzing tot bewijsuitsluiting zou moeten leiden. Bovendien bevat de Aanwijzing instructienormen voor de opsporende en toezichthoudende ambtenaar. In de Aanwijzing wordt de procedure aangegeven die gevolgd dient te worden bij het nemen en analyseren van monsters bij de opsporing van milieudelicten en deze procedure wordt aanbevolen voor bemonstering en analyse in het kader van toezicht. Bij de controle op de naleving van de Waterwet op 19 januari 2010 zijn geen monsters genomen doch zijn uitsluitend veldmetingen uitgevoerd met behulp van een geleidbaarheidsmeter. De Aanwijzing is hierop niet van toepassing. Er is dan ook geen sprake van een vormverzuim in de zin van art. 359a Sv.

Voor zover door de verdediging de betrouwbaarheid van de verkregen onderzoeksresultaten wordt betwist overweegt het hof het navolgende.

Het proces-verbaal bevat de met behulp van een geleidbaarheidmeter verkregen resultaten van veldmetingen.

Het hof stelt het volgende voorop. De enkele omstandigheid dat in het proces-verbaal de door de verdediging genoemde gegevens (pleitnota pagina 3) niet zijn vermeld, brengt nog niet mee dat de met de veldmetingen verkregen resultaten niet voldoende betrouwbaar zijn.

Door de deskundige ir. T. Edelman is gerapporteerd dat het geleidingsvermogen van een vloeistof in het veld eenvoudig kan worden bepaald met een draagbare geleidbaarheidsmeter. Uit eigen ervaring weet de deskundige dat geleidbaarheidsmetingen eenvoudig en robuust zijn en dat er weinig mis kan gaan. De deskundige concludeert voorts, na een vergelijking met uitkomsten van laboratoriummetingen, dat de veldmetingen in andere onderzoeken voldoende betrouwbaar zijn geweest, hetgeen, zo begrijpt het hof, ook geldt voor de veldmetingen die op 19 januari 2010 zijn gedaan.

Het hof acht, in aanmerking genomen hetgeen door de deskundige is gerapporteerd, de resultaten van de veldmetingen voldoende betrouwbaar om tot bewijs te dienen.

Het hof verwerpt het verweer.

Feit 1, eerste gedachtestreepje

Door verbalisant is onder meer gerelateerd dat hij op 19 januari 2010 een controle uitvoerde aan de zuid-westzijde van het bedrijf van verdachte. Hij zag dat het bedrijf was omgeven door een hoge aarden wal. Op die wal was een bruin spoor van afstroming zichtbaar. Achter de aarden wal lag een composthoop welke boven de wal uitstak. Op het pad tussen de wal en de spoorsloot lagen plassen met donkerbruin gekleurde vloeistof. De EGV-waarden van de plassen varieerden tussen 3.080 en 19.630 micro-siemens per centimeter. Op de wal zag hij plasjes donkerbruin gekleurde vloeistof met een EGV-waarde van 24.500 micro-siemens per centimeter.

Het onderzoek bevat onvoldoende gegevens om te concluderen dat hier sprake is geweest van (varkens)mest en/of verontreinigd mestwater. Wel acht het hof bewezen dat sprake was van verontreinigd afvalwater op grond van het navolgende.

Afvalwater is alle water waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen. Ervan uitgaande dat, zoals door de verdediging is gesteld, sprake is geweest van afstroming van regenwater van de composthoop waardoor buiten de inrichting op het pad plassen zijn ontstaan, is dit afgestroomde water, nu de verdachte dit heeft laten wegstromen en zich er derhalve van heeft ontdaan, aan te merken als afvalwater.

Uit de resultaten van de veldmetingen blijkt dat de EGV-waarden van de plassen vloeistof vele malen hoger was dan de EGV-waarde van niet-verontreinigd oppervlaktewater. Gelet hierop en gelet op de waarnemingen van de verbalisant dat het ging om donkerbruine vloeistof, acht het hof bewezen dat het afvalwater verontreinigd was. Verdachte heeft dit afvalwater doen uitstromen op of in de bodem; daardoor kon de bodem worden verontreinigd en/of aangetast.

Het hof verwijst in dit verband nog naar het rapport van de deskundige Edelman. De deskundige rapporteert dat op basis van het verrichte onderzoek strikt genomen geen bodemverontreiniging kan worden aangetoond nu immers de bodem niet is onderzocht, doch dat daarmee wel een dreigende bodemverontreiniging is aangetoond. Voorts merkt de deskundige op dat een hoge elektrische geleidbaarheid van een vloeistof het gevolg is van een hoog gehalte aan opgeloste zouten; bij een hoog gehalte aan opgeloste zouten in de bodem is sprake van bodemverontreiniging.

Anders dan de verdediging lijkt te veronderstellen is het laten wegstromen van het – verontreinigd – afvalwater op of in de bodem niet een gedraging die op grond van het Activiteitenbesluit was toegestaan. Het hof wijst er in dit verband op dat voorschrift 4.11, derde lid, van het Besluit niet ziet op een composthoop.

Nu het water kennelijk afkomstig was van een achter de aarden wal gelegen composthoop acht het hof eveneens bewezen dat verdachte wist, althans redelijkerwijs had kunnen vermoeden, dat door het laten wegstromen van het afvalwater de bodem kon worden verontreinigd en/of aangetast. Hetgeen de verdediging dienaangaande verder heeft aangevoerd (zoals de omstandigheid dat bij een later onderzoek niet is gebleken van bodemverontreiniging, de bodem een zeker ‘herstellend vermogen’ heeft) leidt niet tot een ander oordeel. Voor een bewezenverklaring is voldoende dat uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de bodem kon worden verontreinigd en/of aangetast.

Uit het onderzoek is echter niet voldoende gebleken dat bij verdachte sprake was van (voorwaardelijk) opzet, zodat verdachte van dit onderdeel en derhalve van het impliciet primair tenlastegelegde misdrijf zal worden vrijgesproken.

Wel acht het hof bewezen dat verdachte de impliciet subsidiair ten laste gelegde overtreding heeft begaan.

Feit 1, tweede gedachtestreepje 

Het hof acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, zodat zij daarvan moet worden vrijgesproken. Daartoe overweegt het hof als volgt.

Uit het proces-verbaal blijkt dat de verdenking is gerezen dat verdachte op 27 april 2010 en/of 29 april 2010 mest, mestwater of verontreinigd afvalwater loosde of liet staan op het verdiepte deel van het bedrijfsterrein en dat in dit verdiepte deel sprake was van een onbeschermde bodem.

Namens de verdachte is aangevoerd dat er geen lozing op het verdiepte deel van het bedrijfsterrein plaatsvond maar dat het water juist uit het verdiepte deel naar een van de bassins werd verpompt.

Het hof heeft uit het onderzoek niet de overtuiging gekregen dat sprake was van mest of mestwater. Het hof verwijst daarvoor onder meer naar het briefrapport van dr. ir. N.W.M. Ogink van 30 augustus 2013 waaruit blijkt dat een geurherkenning niet steeds betrouwbaar is.

Voorts zijn de in het proces-verbaal door de verbalisanten weergegeven bevindingen niet voldoende om het verweer van de verdachte dat het water juist naar een van de bassins werd verpompt, te weerleggen.

Derhalve zal het hof de verdachte van dit onderdeel van het onder 1. ten laste gelegde vrijspreken.

Feit 2

Uit onderzoek is gebleken dat in de maand december 2009 via een pijp en via een afvoer van het bedrijfsriool afvalwater van het bedrijfsterrein in de kavelsloot stroomde.

Op 4 december 2009 werd geconstateerd dat afvalwater in een pijp stroomde en werd geloosd op een kavelsloot. De dop die eerder op de pijp was aangebracht bevond zich niet meer op de pijp. Namens verdachte is aangevoerd dat de pijp eerder afgedopt was en dat buiten de schuld van verdachte de dop op enig moment van de pijp is geraakt.

Op 15 december 2009 werd na onderzoek van lozingsputten geconstateerd dat via een afvoer afvalwater werd geloosd in een kavelsloot. Namens verdachte is aangevoerd dat de constructie van de riolering waardoor een overloop in het schoonwaterriool plaats kon vinden niet aan haar bekend was.

Uit het onderzoek zijn voldoende aanwijzingen verkregen dat beide keren sprake was van het zonder vergunning lozen van afvalwater in de kavelsloot. Uit het onderzoek is echter niet voldoende gebleken dat bij verdachte sprake was van (voorwaardelijk) opzet, zodat verdachte van dit onderdeel en derhalve van het (telkens) impliciet primair tenlastegelegde misdrijf zal worden vrijgesproken.

Nu opzet niet kan worden bewezen is op grond van artikel 2 van de Wet op de economische delicten geen sprake van een misdrijf en dient het hof een oordeel te geven over de aan verdachte ten laste gelegde overtredingen van artikel 1 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren.

Ontvankelijkheid feit 2, impliciet subsidiair

Ten laste gelegd is dat de overtredingen zijn gepleegd op of omstreeks 4 december 2009 en/of 15 december 2009.

De eerste daad van vervolging is het uitbrengen van de inleidende dagvaarding van verdachte op 8 januari 2013. Hiertussen is een periode gelegen van meer dan drie jaar.

Hieruit volgt dat, gelet op artikel 70, aanhef en onder 1°, in relatie tot artikel 72, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht, de zaak is verjaard en het recht tot strafvordering is vervallen.

Dientengevolge zal het hof de officier van justitie niet ontvankelijk verklaren in de strafvervolging ter zake van de onder 2. ten laste gelegde overtredingen.

Feit 3

Het hof acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3. ten laste gelegde heeft begaan, zodat zij daarvan wordt vrijgesproken. Daartoe overweegt het hof als volgt.

Het dossier bevat aanwijzingen dat op of omstreeks 16 december 2009 varkensmest of afvalwater op een hoeveelheid puin is gestort en dat op 29 januari 2010 en 3 februari 2010 bedrijfsafvalwater op de gemeentelijke riolering werd geloosd en dat daarmee in strijd werd gehandeld met de vergunning.

Het hof acht evenwel niet bewezen dat sprake is geweest van het veranderen van de inrichting dan wel van de werking van de inrichting. Uit het onderzoek zijn onvoldoende aanwijzingen naar voren gekomen waaruit kan worden afgeleid dat de gedragingen een zodanig - min of meer structureel - karakter hadden dat van het veranderen van de inrichting dan wel van de werking van de inrichting gesproken kan worden.

Feit 4

Uit onderzoek is gebleken dat in de maand september 2009 (verontreinigd) afvalwater is uitgereden op een maisveld en dat een deel van dat water in een kavelsloot is afgevloeid.

Namens de verdachte is aangevoerd dat het maisland was voorzien van een infiltratiesysteem en dat verdachte nimmer de intentie heeft gehad het water in de sloot te lozen.

Het hof overweegt het volgende.

Het onderzoek levert onvoldoende aanwijzingen op om te concluderen dat verdachte opzettelijk (verontreinigd) afvalwater in de kavelsloot heeft gebracht door deze daarin te doen afvloeien. Dat afvalwater is afgevloeid in de kavelsloot is wel te wijten aan onzorgvuldig en onachtzaam handelen van verdachte maar niet kan worden vastgesteld dat sprake is geweest van (voorwaardelijk) opzet.

Verdachte zal dan ook van het impliciet primair tenlastegelegde misdrijf worden vrijgesproken.

Nu opzet niet kan worden bewezen is op grond van artikel 2 van de Wet op de economische delicten geen sprake van een misdrijf en dient het hof een oordeel te geven over de aan verdachte ten laste gelegde overtredingen.

Feit 4, impliciet subsidiair 

Ten laste gelegd is dat de overtredingen zijn gepleegd in de periode van  17 september 2009 tot en met 23 september 2009.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over de eerste daad van vervolging is de zaak verjaard en het recht tot strafvordering daarmee komen te vervallen.

Dientengevolge zal het hof de officier van justitie ook voor dit onderdeel niet ontvankelijk verklaren in de strafvervolging.

Bewezenverklaring

  • Het door een rechtspersoon begaan van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 13 van de Wet bodembescherming.

Strafoplegging

Het hof veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 1.800 waarvan € 1.000 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling president-commissaris voor handel met voorwetenschap en niet-melden aandelentransacties

Gerechtshof Amsterdam 7 maart 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:839

De verdachte heeft als president-commissaris van een beursgenoteerde instelling gehandeld in strijd met het verbod op handel met voorwetenschap en heeft transacties in aandelen van die instelling niet onverwijld aan de Autoriteit Financiële Markten gemeld. De verdachte heeft door hem verrichtte effectentransacties niet onverwijld aan de Autoriteit Financiële Markten gemeld. Daarmee heeft de verdachte onduidelijkheid laten bestaan over zijn effectenbezit en heeft hij de door de wetgever beoogde transparantie van de effectenmarkt geschaad.

Feit 1

De raadsman heeft in eerste aanleg en hoger beroep betoogd dat niet kan worden bewezenverklaard dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van voorwetenschap, zodat de verdachte van het onder 1 ten laste gelegde moet worden vrijgesproken. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de verdachte niet eerder dan op 29 november 2006 om 14.10 uur over voorwetenschap met betrekking tot bedrijf 1 beschikte, terwijl hij reeds op 27 november 2006 transacties in aandelen bedrijf 1 heeft verricht, bestaande uit een eenmalige aankoopopdracht danwel een doorlopende kooporder, welke transacties (pas) op 28 en 30 november 2006 zijn uitgevoerd.

Naar het oordeel van het hof is hetgeen de raadsman ter onderbouwing van zijn verweer heeft aangevoerd niet aannemelijk is geworden, zodat het verweer moet worden verworpen. Uit overzichten van het account van de verdachte bij bedrijf 2, en gelet ook op de verklaring van de verdachte op de terechtzitting in eerste aanleg op 20 november 2012 dat hij zelf na het inloggen via zijn account transacties verrichtte, blijkt reeds dat de verdachte op 30 november 2006 transacties in aandelen bedrijf 1 heeft verricht, inhoudende het via internet aan bedrijf 2 doorgeven van een viertal aankooporders om (de tijden afgerond) 09.06 uur (1.000 aandelen), 09.14 uur (2.000 aandelen), 09.17 uur (1.000 aandelen) en 09.47 uur (500 aandelen) welke transacties op die datum steeds kort daarna zijn uitgevoerd (bijlage bij proces-verbaal verhoor getuige 8 maart 2012.

De op 30 november 2006 geannuleerde transactie (voor 4.500 aandelen) waar de verdediging naar verwijst, ondersteunt de verklaring van de verdachte niet. Uit de registratie van de bank volgt allereerst dat deze aankooporder door verdachte is doorgegeven op 29 november 2006 om 19.55 uur (afgerond) en daarmee op een moment dat verdachte (sinds 14.10 uur) over bedoelde voorwetenschap beschikte. De annulering wordt door verdachte doorgegeven op 30 november 2006 om (afgerond) 09.02 uur en daarmee kort vóór het doorgeven van het hiervóór genoemde viertal aankooporders (tot een totaal van – eveneens – 4.500 aandelen). Voorts betreft het, anders dan de verdediging stelt, geen eenmalige of doorlopende order (zoals een GTD (good till date) order) maar een GTC (good till canceled) order.

Het voorgaande wordt bevestigd door de op 10 september 2015 bij de raadsheer-commissaris afgelegde verklaring van getuige, compliance officer bij bedrijf 2.

De stelling van de verdediging dat de aankoop van 10 aandelen bedrijf 1 op 28 november 2006 (nog voordat verdachte over bedoelde voorwetenschap beschikte) de eerste uitvoeringshandeling was van de door verdachte geplaatste aankooporder tot een totaal van 4.500 aandelen, en de uitvoering op die dag beperkt bleef tot (slechts) 10 aandelen omdat het saldo op verdachtes (beleggings)rekening onvoldoende was voor de aankoop van méér dan 10 aandelen, vindt geen steun in het dossier. Uit de overzichten van het account van de verdachte bij bedrijf 2 is juist op te maken dat na aankoop van bedoelde 10 aandelen er nog saldo resteerde (zijnde € 15,32) voor de aankoop van nog een aantal aandelen. Uit de specificatie van de aankoop ('Order select') van deze 10 aandelen valt evenmin af te leiden dat het een onderdeel betreft van een grotere aankooporder, veeleer is uit de specificatie af te leiden dat het een aankooporder van slechts 10 aandelen betreft.

Overigens heeft de verdachte tegenstrijdige verklaringen afgelegd met betrekking tot de datum waarop hij de transacties zou hebben verricht (pv terechtzitting 8 juni 2012: één dag voor de vergadering van commissarissen; pv terechtzitting 20 november 2012: twee dagen voor de vergadering van commissarissen). Voorts blijkt uit een overzicht van het account van de verdachte bij bedrijf 2 dat de verdachte op 27 november 2006 over onvoldoende saldo beschikte voor de aankoop van 4.500 aandelen bedrijf 1 voor (ongeveer) € 2,20 per aandeel, terwijl naar het oordeel van het hof niet aannemelijk is geworden dat de verdachte over kredietruimte kon beschikken (bijlage 3 en 5 bij proces-verbaal verhoor getuige 8 maart 2012: het saldo na de transactie op 28 november 2006 bedraagt € 15,32; de ‘credit line limit’ bedraagt € 0,00).

Feit 2

De raadsman heeft in eerste aanleg betoogd dat de omstandigheid dat de verdachte de door hem in november en december 2006 en januari 2007 verrichte transacties in aandelen bedrijf 1 niet aan de AFM heeft gemeld, niet in strijd is met het doel van het bepaalde in artikel 16 van de Wet melding zeggenschap en kapitaalbelang in effectenuitgevende instellingen en, zo begrijpt het hof, artikel 5:48 van de Wet op het financieel toezicht, zodat de verdachte ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Daartoe hebben de verdachte en zijn raadsman aangevoerd, zo begrijpt het hof, dat de notering van bedrijf 1 aan de Amsterdamse beurs (binnen korte tijd) na de transacties zou eindigen (en is geëindigd).

Het hof overweegt als volgt.

De Memorie van Toelichting bij de Wet melding zeggenschap en kapitaalbelang in effectenuitgevende instellingen vermeldt over het doel van deze Wet, voor zover van belang (Kamerstukken II 2002-2003, 28 985, nr. 3, p. 1):

‘Dit wetsvoorstel dient ter vervanging van de Wet melding zeggenschap in ter beurze genoteerde ondernemingen 1996 (Wmz 1996) die op 1 juli 1997 in werking is getreden. De Wmz 1996 geeft uitvoering aan richtlijn nr. 88/627/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 december 1988 betreffende de gegevens die moeten worden gepubliceerd bij de verwerving en de overdracht van een belangrijke deelneming in een ter beurze genoteerde vennootschap (PbEG L 348). Deze richtlijn is gecodificeerd in richtlijn nr. 2001/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 28 mei 2001 betreffende de toelating van effecten tot de officiële notering aan een effectenbeurs en de informatie die over deze effecten moet worden gepubliceerd (PbEG L 184) (richtlijn melding zeggenschap).

De richtlijn melding zeggenschap heeft als doel om beleggers in effecten door passende informatie beter te beschermen en een groter vertrouwen in de effectenmarkten te laten krijgen, teneinde de goede werking van deze markten te verzekeren. De instrumenten ter verwezenlijking van dit doel zijn een meldingsplicht voor de belegger en een openbaarmaking van de aldus gemelde gegevens.’

Artikel 16 van de Wet melding zeggenschap en kapitaalbelang in effectenuitgevende instellingen is (vrijwel) onveranderd opgenomen in artikel 5:48 van de Wet op het financieel toezicht.

Door het niet melden van de door de verdachte op 28 november, 30 november, 6 december, 7 december 2006 en 5 januari 2007 verrichtte transacties in aandelen bedrijf 1 heeft de verdachte naar het oordeel van het hof gehandeld in strijd met het voormelde doel (het beschermen van beleggers en het vergroten van het vertrouwen van beleggers in de effectenmarkten), zodat het verweer moet worden verworpen. De omstandigheid dat de notering van bedrijf 1 in juni 2007 is geëindigd, kan naar het oordeel van het hof niet tot een ander oordeel leiden.

Bewezenverklaring

  • Feit 1: overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 46, eerste lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995.
  • Feit 2: overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 16 van de Wet melding zeggenschap en kapitaalbelang in effectenuitgevende instellingen, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd en overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 5:48, zesde lid, van de Wet op het financieel toezicht, opzettelijk begaan.

Strafoplegging

Het hof veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 27.000.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Verdachte rechtspersoon heeft zich schuldig gemaakt aan opzettelijke milieuverontreiniging (art. 173a Sr) door asbestresten in de lucht te brengen

Gerechtshof Amsterdam 29 oktober 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:5050 De verdachte rechtspersoon wordt veroordeeld wegens het opzettelijk en wederrechtelijk een stof (asbest) in de lucht brengen, terwijl daarvan gevaar voor de openbare gezondheid of levensgevaar voor een ander te duchten is.

Verweren

De raadsman van de verdachte heeft primair vrijspraak bepleit wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. De raadsman heeft daartoe, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd:

  1. Niet bewezen kan worden dat de verdachte asbest(deeltjes) of asbesthoudend plaatmateriaal op de bodem heeft gebracht, nu de vloer van een warenhuis niet valt onder het begrip ‘bodem’ in de zin van de Wet Bodembescherming. Voor het brengen van asbest(deeltjes) of asbesthoudend plaatmateriaal in de lucht dient in het dossier concreet bewijsmateriaal voorhanden te zijn, hetgeen ontbreekt. Het vaststellen dat op de vloer en op speakers asbest is aangetroffen is daartoe onvoldoende. Evenmin kan dan ook bewezen worden dat de verdachte asbestmateriaal in de lucht heeft gebracht;
  2. Niet bewezen kan worden dat de verdachte opzet heeft gehad op brengen van asbestmateriaal op de bodem, dan wel in de lucht, nu de verdachte hiervan geen wetenschap had. Dat hiervan sprake zou zijn blijkt niet uit de rapporten. Ook van voorwaardelijk opzet is geen sprake geweest. Uit de bewijsmiddelen volgt niet dat de verdachte zich bewust was van de aanmerkelijke kans dat asbestmateriaal op de bodem of in de lucht werd gebracht en dat de verdachte deze kans heeft aanvaard.
  3. Van de ten laste gelegde gedragingen kan niet gezegd worden dat levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid ontstond of te verwachten was. Uitgegaan dient te worden van de situatie zoals deze is aangetroffen op 17 en 21 maart 2008. Verder dient in ogenschouw genomen te worden hetgeen destijds bekend was over de gevaren van asbest. Uit het dossier volgt niet van welk potentieel blootstellingsrisico sprake is geweest. De verdediging leidt uit het dossier af dat dit risico in elk geval niet hoog was. Niet blijkt dat het asbestmateriaal in te hoge onaanvaardbare en ontoelaatbare concentraties aanwezig was.

Beoordeling hof

Het hof verwerpt de verweren en overweegt hieromtrent als volgt.

Search heeft blijkens de stukken in het dossier reeds op 11 juli 2003 een rapport opgemaakt naar aanleiding van de door hen verrichtte asbestinventarisatie met risicoanalyse in het winkelfiliaal van verdachte te Hoorn, waaruit bleek dat er onder meer plaatmateriaal met asbest (amosiet) was aangetroffen (dossierpagina’s 497 e.v.).

Op 19 november 2007 is er een rapport verschenen van Prevend, waaruit eveneens naar voren kwam dat er asbest in het pand was aangetroffen (dossierpagina’s 356 e.v.). Op 29 januari 2008 is er door bedrijf 3 een rapport opgemaakt naar aanleiding van de door hen verrichtte asbestinventarisatie in de winkelpanden van verdachte te Hoorn. Ook daaruit bleek dat er asbest (amosiet) was aangetroffen in het perceel adres 2 op onder meer plaatmateriaal tegen de plafonds, kolommen en wanden, dat emissierisico’s en daarmee ook gezondheidsrisico’s aanwezig waren en er grote saneringsurgentie was (dossierpagina’s 401 e.v.). Op 4 februari 2008 komt er een volledig asbestinventarisatierapport van bedrijf 1.

Hierin is vastgesteld dat er op verschillende plaatsen in het winkelfiliaal adres 2 asbest aanwezig was in de vorm van niet hechtgebonden amosiet. Onder meer is asbest aangetroffen in het plaatmateriaal tegen het plafond, rondom de kolommen en in de etalages. Het gezondheidsrisico wordt geschaald op 28 punten. Voorts zijn stoffen en resten van amosiet in de winkel aangetroffen op het systeemplafond, op de vloer van de etalage en op een speakerbox.

Het gezondheidsrisico hiervan wordt geschaald op 38 punten. Bij meer dan 20 punten dienen op korte termijn maatregelen te worden getroffen en wordt sanering dringend noodzakelijk geacht (dossierpagina’s 322 e.v.). Tot slot blijkt ook uit het analyserapport van bedrijf 2 van 25 januari 2008 dat in het filiaal op kleefmonsters asbest (amosiet) is aangetroffen (dossierpagina’s 462 e.v.).

Gezien het feit dat in het winkelfiliaal op de vloer van de etalage en op een speakerbox stof met asbestresten is aangetroffen kan het niet anders zijn dan dat – nu voor een andere verklaring geen feiten en/of omstandigheden zijn gesteld of gebleken – de asbestdeeltjes afkomstig zijn van het beschadigde plafond/de plafondplaten en (derhalve) in de lucht zijn gekomen/gebracht. De lucht in een gebouw valt onder ‘lucht’ in de zin van artikel 173a van het Wetboek van Strafrecht.

Naar het oordeel van het hof is blootstelling aan asbestvezels zeer onwenselijk vanwege het algemeen erkende gevaar daarvan voor de gezondheid van de mens. Inademing hiervan is ook in geringe hoeveelheid onomkeerbaar en vormt daarmee een gevaar voor de volksgezondheid. Dat amosiet een schadelijk soort asbest is, volgt ook uit de rapportages. Niet kan worden vastgesteld of in dit geval personen in een zodanige mate en duur aan een te hoge concentratie asbestvezels hebben blootgestaan dat zij een asbestgerelateerde ziekte zullen ontwikkelen. Wel acht het hof op grond van de rapportages bewezen dat personen aan niet te verwaarlozen asbestvezelconcentraties zijn blootgesteld. Het gevaar van inademing van niet-hechtgebonden asbestvezels, waarvan in casu sprake is, schuilt juist in de cumulatie van die vezels in de longen. Voorkomen moet worden dat personen juist vanwege het risico van cumulatie onnodig dergelijke vezels inademen, nu samen met eerdere of latere blootstelling een kritische waarde kan worden overschreden, waardoor asbestgerelateerde ziektes zich kunnen ontwikkelen.

Gelet daarop en gezien het feit dat bij een asbestgerelateerde ziekte als een maligne mesothelioom, naar van algemene bekendheid is, naar de huidige stand van medische kennis geen genezende behandeling mogelijk is, is het hof van oordeel dat het binnenkrijgen van niet te verwaarlozen hoeveelheden asbestvezels doordat dergelijke vezels door luchtcirculatie verplaatst worden per definitie als ‘ernstige schade voor de gezondheid’ onderscheidenlijk ‘levensgevaar’ en afhankelijk van de omstandigheden als ‘gevaar voor de openbare gezondheid’ in de zin van artikel 173a Sr aangemerkt dienen te worden. De gedachte van de verdediging dat onderhavig delict slechts bewijsbaar is indien uit technisch onderzoek blijkt dat de geldende normen ter zake overschreden zijn is dan ook onjuist. Door een groot aantal personen aan deze asbestvezels bloot te stellen, waardoor zij aan meer asbestvezels zijn blootgesteld dan normaal zou zijn geweest, is gevaar voor de openbare gezondheid te duchten.

Uit het dossier volgt verder dat het bij de directie en de medewerkers van verdachte al geruime tijd bekend was dat er asbest in het filiaal aanwezig was en dat sanering met prioriteit moest plaatsvinden. De getuige getuige 1 (floormanager bij de verdachte) heeft verklaard dat alle personeelsleden ervan op de hoogte waren dat er asbest in het perceel zat, dat er na het asbestonderzoek een bijeenkomst voor het personeel is gehouden en dat hij op de hoogte was van de Risico Inventarisatie en Evaluatie (dossierpagina’s 52 e.v.). De getuige getuige 2 (directeur operations en logistiek bij de verdachte) heeft verklaard dat hij bekend was met het asbestinventarisatierapport waarin werd vermeld dat er asbest was aangetroffen en dat er risico was voor asbestbesmetting, waardoor er actie moest worden ondernomen. Daarop is er besloten dat de verwijdering van asbest het best zou kunnen plaatsvinden na het winkel actie, nu er tijdens dit winkel actie circa 20% van de jaarinkomsten wordt gegenereerd. Hij ging er vanuit dat het asbest in de etalage al was opgeruimd (dossierpagina’s 136 e.v.).

De getuige 3 (regionaal manager bij de verdachte), heeft verklaard dat hij bekend was met het asbestinventarisatierapport en dat er asbeststof in de etalage en op de speakerbox werd aangetroffen en dat hij niet weet of het personeel hieromtrent is geïnstrueerd. Hij wist dat het asbesthoudend plafond op diverse plaatsen beschadigd was (dossierpagina’s 114 e.v.).

Aldus was de wetenschap er bij de verdachte dat er beschadigde asbestplaten in de winkel waren en dat er op de vloer van de etalage en op een speakerbox stof met asbestresten waren aangetroffen, die logischerwijs door luchtcirculatie in de lucht kunnen worden gebracht. Ook wist de verdachte dat er risico was voor asbestbesmetting, dat dit niet goed was en dat tot actie moest worden overgegaan. Ondanks dat heeft de verdachte ervoor gekozen te wachten met saneren tot na het winkel actie en ook tot die tijd geen asbestbeschermende maatregelen te treffen. Niet alleen had direct tot sanering overgegaan moeten worden, maar ook hadden er tot de sanering zou plaatsvinden andere maatregelen getroffen moeten worden om te voorkomen dat er asbestdeeltjes in de lucht konden worden gebracht met het risico dat deze konden worden ingeademd door de in het filiaal aanwezig personen.

De inhoud van de rapporten waarop de verdachte zich beroept doet aan vorenstaande niet af. Temeer nu uit (een aantal van) de rapporten juist volgt dat urgente saneringen noodzakelijk waren.

Het verweer dat niet bewezen kan worden dat de verdachte asbest(deeltjes) of asbesthoudend plaatmateriaal op de bodem heeft gebracht, nu de vloer van een warenhuis niet valt onder het begrip ‘bodem’ in de zin van de Wet Bodembescherming behoeft geen bespreking, nu verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging zal worden vrijgesproken.

Tot slot volgt naar het oordeel van het hof uit de bewijsmiddelen dat de verdachte kan worden aangemerkt als dader van het bewezen verklaarde strafbare feit, nu de betreffende gedragingen redelijkerwijs aan haar kunnen worden toegerekend. De gedragingen hebben immers plaatsgevonden en zijn verricht in de sfeer van de verdachte.

Bewezenverklaring

  • Feit 2 primair: Opzettelijk en wederrechtelijk een stof in de lucht brengen, terwijl daarvan gevaar voor de openbare gezondheid of levensgevaar voor een ander te duchten is, terwijl het feit wordt begaan door een rechtspersoon.

Strafoplegging

Verdachte wordt veroordeeld tot een geldboete van € 60.000 waarvan € 20.000 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

De wetenschap dat er asbest is aangetroffen op plaatsen met het risico op verspreiding, wat een gezondheidsrisico voor personen opleverde, diende op zichzelf genomen voor de verdachte directe aanleiding te zijn om tot actie te moeten overgaan. Niet kon worden afgewacht op de expliciete advisering omtrent de saneringsnoodzaak. De verdachte had in deze een eigen verantwoordelijkheid die niet kon worden afgeschoven op haar adviseurs. Zulks klemt temeer nu de verdachte bovendien had besloten eerste winkel actie doorgang te laten vinden alvorens over te gaan tot de saneringswerkzaamheden. De verdachte kan dan ook het verwijt worden gemaakt dat zij geen maatregelen heeft getroffen.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Verdachte is samen met een ander zonder vergunning als geldtransactiekantoor werkzaam geweest

Gerechtshof Den Haag 10 februari 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:596 In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van voorarrest. Voorts is in eerste aanleg een beslissing genomen omtrent de in beslag genomen goederen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Bij feit 1 wordt de verdachte verweten zich schuldig te hebben gemaakt aan witwassen, kort gezegd, met betrekking tot een aan medeverdachte 1 uitbetaald bedrag van € 50.000,- en een bij de verdachte thuis aangetroffen bedrag van € 133.950. Deze bedragen zouden middellijk of onmiddellijk afkomstig zijn van enig misdrijf.

In de visie van het openbaar ministerie heeft de verdachte met deze geldbedragen een witwashandeling (verwerven, voorhanden hebben, overdragen, omzetten, gebruik maken) verricht in het kader van het door hem uitgevoerde zogenoemde hawala-bankieren. Bij dit bankieren wordt geld vanuit Iran naar Nederland overgemaakt door afgifte van Iraanse valuta aan de heer medeverdachte 2 in Iran en uitbetaling van een equivalent in euro’s aan de bestemde persoon in Nederland door de verdachte, en andersom. Deze vorm van bankieren is op grond van de destijds geldende Wet inzake de geldtransactiekantoren niet toegestaan (feit 2).

Dat de verdachte het in feit 2 bedoelde verbod heeft overtreden, staat niet ter discussie. Wel verschillen het openbaar ministerie en de verdediging van mening of de genoemde bedragen kunnen worden aangemerkt als zijnde, middellijk of onmiddellijk, afkomstig van enig misdrijf als bedoeld in de artikelen 420 bis en 420 quater Sr.

Blijkens de thans geldende jurisprudentie (HR 20-10-2014, ECLI:NL:HR:2014:3044) kan het bij het hawala-bankieren gebruikte geld, hoezeer dat bankieren ook een misdrijf oplevert, niet worden aangemerkt als uit misdrijf afkomstig geld in de zin van de witwasbepalingen van de artikelen 420 bis en 420 quater Sr. De Hoge Raad overwoog:

“Vermogensbestanddelen kunnen immers in beginsel slechts worden aangemerkt als “afkomstig (…) uit enig misdrijf” in de zin van de art. 420 bis en 420 quater Sr indien zij afkomstig zijn van een misdrijf gepleegd voorafgaand aan het verwerven en/of voorhanden hebben en/of het overdagen daarvan, terwijl de bewezenverklaring kennelijk niet ziet op de mogelijke opbrengst of verdiensten van het zonder vergunning in het kader van een bedrijf van betaaldienstverlener handelen met betrekking tot gelden.”

Bij witwassen gaat het dus om (in casu) geld dat afkomstig is uit enig misdrijf gepleegd voorafgaand aan de witwashandelingen als hiervoor omschreven. De laatste geciteerde zin van de overweging van de Hoge Raad lijkt erop te duiden, dat witwassen van gelden die iemand als opbrengst of verdiensten uit het verboden handelen heeft verkregen wel mogelijk is. Hierbij kan naar het oordeel van het hof dan gedacht worden aan de winst (koersverschillen en provisie) die behaald is, echter niet aan de bedragen van de transacties die hebben plaatsgevonden of het “bankiersgeld” dat wordt aangehouden om transacties mee te kunnen verrichten. Blijkens het requisitoir gaat de advocaat-generaal daar wel van uit. Echter, dan wordt als het ware “via de achterdeur weer binnengehaald” wat via de “voordeur niet naar binnen mag”, te weten het aanmerken van het hawala-bankieren zelf als voorafgaand misdrijf.

Een en ander betekent dat voor het aanmerken als witwassen in aanmerking zou kunnen komen de winst of verdiensten die de verdachte zelf bij het hawala-bankieren heeft verkregen (zoals voordelige koersverschillen en provisies). Over dit laatste is weinig bekend, behalve dan wat de verdachte daar zelf over heeft verklaard, maar daarop heeft het openbaar ministerie kennelijk niet het oog. In elk geval kunnen, anders dan het openbaar ministerie stelt, het aan medeverdachte 1 uitbetaalde bedrag van € 50.000,- en het bij de verdachte aangetroffen bedrag van € 133.950,- niet worden gezien als door de verdachte verkregen opbrengsten of genoten verdiensten.

Een en ander ligt naar het oordeel van het hof niet anders wanneer de verdachte, zoals het openbaar ministerie stelt, door zijn handelen (het hawala-bankieren) de Sanctiewet 1977 heeft overtreden. De herkomst van het geld is dan niet anders dan wanneer een en ander wordt bezien in het licht van de overtreding van de Wet inzake de geldtransactiekantoren. Ook dat handelen (overtreding van de Sanctiewet 1977) kan niet het “voorafgaande misdrijf” zijn als bedoeld in de artikelen 420 bis en 420 quater Sr.

Resteert de vraag of op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de bedragen € 50.000,- en € 133.950,- middellijk of onmiddellijk afkomstig zijn van een voorafgaand gepleegd misdrijf.

De verdachte heeft uitgelegd dat hij in opdracht van of in overleg met de in Iran verblijvende medeverdachte 2 (ook een hawala-bankier) € 50.000,- aan medeverdachte 1 heeft uitbetaald. Wat de achtergrond van deze betalingsopdracht is geweest, is niet duidelijk geworden. Kennelijk is door een of meer personen in Iran een overeenkomstig bedrag in Iraanse valuta aan medeverdachte 2 betaald ten behoeve van medeverdachte 1, waarna de verdachte het equivalent in euro’s heeft uitbetaald aan medeverdachte 1. Niet vastgesteld is (en de bewijslast daarvan ligt bij het openbaar ministerie) dat het voor medeverdachte 1 bestemde geld, middellijk of onmiddellijk, van enig misdrijf afkomstig is, laat staan dat de verdachte dat wist of had moeten vermoeden.

Hetzelfde geldt voor het bij de verdachte aangetroffen bedrag van € 133.950,-. Dit was “bankiersgeld” dat door de verdachte gebruikt werd om hawala-transacties te verrichten. De verdachte heeft uitgelegd dat dit bedrag deels eigen gespaard geld van hemzelf en zijn vrouw was, deels geleend geld, onder andere van de ABN/AMRO-bank, deels geld van medeverdachte 2, en deels afkomstig van een zakenman in Nederland voor wie hij geld moest overmaken naar Iran. Ook heeft de verdachte uitgelegd dat de rente die hij over het geleende geld aan de bank moest betalen, lager was dan hetgeen hij zou verdienen aan het hawala-bankieren en dat dat de reden was waarom hij zijn schulden niet had afgelost. Niet gezegd kan worden dat de uitleg van de verdachte over het aanwezige geld als hoogst onaannemelijk moet worden gepasseerd en dat om die reden moet worden uitgegaan van van misdrijf afkomstig geld. De uitleg van de verdachte is zeer wel denkbaar, en het is dan aan het openbaar ministerie om aannemelijk te maken dat het anders is en dat het genoemde bedrag afkomstig is van enig misdrijf, niet zijnde het zonder vergunning optreden als geldtransactiekantoor of het handelen in strijd met de Sanctiewet 1977. Het openbaar ministerie heeft dat niet gedaan.

De conclusie is dat naar het oordeel van het hof niet is komen vast te staan dat de bedoelde bedragen van € 50.000,- en € 133.950,- middellijk of onmiddellijk afkomstig zijn van enig/enige voorafgaand(e) misdrijf/misdrijven, nog daargelaten of vastgesteld kan worden dat de verdachte dat wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden. De verdachte dient derhalve te worden vrijgesproken van hetgeen onder feit 1 primair en subsidiair is ten laste gelegd.

Bewezenverklaring

Feit 2: medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 3 van de Wet inzake de geldtransactiekantoren, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^