Faillissementsfraude: Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het feitelijk leidinggeven aan / opdrachtgeven tot bedrieglijke bankbreuk

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 25 juni 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:2019

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van:

  1. als feitelijk leidinggever aan het als bestuurder van een rechtspersoon welke in staat van faillissement was verklaard plegen van eenvoudige bankbreuk (feit 1 subsidiair),
  2. als feitelijk leidinggever aan het als bestuurder van een rechtspersoon welke in staat van faillissement was verklaard plegen van bedrieglijke bankbreuk (niet verantwoorden van baten en onttrekken van enig goed aan de boedel: feit 2 primair),
  3. oplichting (feit 3 primair) en
  4. valsheid in geschrift (feit 4)

veroordeeld tot taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis, met aftrek van voorarrest alsmede tot een voor- waardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft de rechtbank beslist omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen.

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Standpunt OM en verdediging

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, bewezen zal verklaren hetgeen aan de verdachte onder 1 primair, 2 primair, 3 primair en 4 ten laste is gelegd en verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Tevens heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij benadeelde zal worden toegewezen.

Door de verdediging is primair integrale vrijspraak bepleit. Subsidiair, in ge- val van een bewezenverklaring, is bepleit om aan verdachte een lagere straf op te leggen. Ten aanzien van de benadeelde partij heeft de verdediging bepleit dat deze niet-ontvankelijk zal worden verklaard dan wel wordt afgewezen.

Beoordeling Hof

Deelvrijspraak feit 2 primair

Het hof is van oordeel dat niet bewezen kan worden dat verdachte het opzet heeft gehad om de tien mobiele telefoons en de laptop aan de failliete boedel te onttrekken en spreekt verdachte van dat onderdeel vrij. Verdachte heeft aangevoerd dat de mobiele telefoons in 2006 zijn aangeschaft en in bezit waren van personeelsleden en dat hij denkt dat deze ten tijde van het faillissement al kapot waren. Ten aanzien van de laptop heeft de verdachte aangevoerd dat deze bij een ander personeelslid in gebruik was, hij niet meer weet bij wie en hij niet eraan heeft gedacht de laptop ter beschikking te stellen aan de curator. Het hof acht deze verklaring niet onaannemelijk.

Tevens acht het hof niet bewezen dat verdachte de opbrengst uit de verkoop van de Ford Clipper, te weten € 150,-, opzettelijk aan de failliete boedel heeft onttrokken. Verdachte heeft dit geringe bedrag voor de auto ontvangen bij de inruil voor een vervangende auto voor een andere BV. Het hof acht het om die reden voorstelbaar dat verdachte, zoals hij heeft aangevoerd, er niet aan heeft gedacht deze – niet contant ontvangen - geringe opbrengst aan de curator op- en af te geven.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair, 2 primair, 3 primair en 4 ten laste gelegde heeft begaan.

De verdediging heeft bepleit dat verdachte zal worden vrijgespro- ken. Daartoe heeft de verdediging ten aanzien van feit 1 aangevoerd dat verdachte geen opzet heeft gehad, ook niet in voorwaardelijke zin, op het verkorten van de rechten van de schuldeisers. Met betrekking tot het voeren van een ondeugdelijke administratie is aangevoerd dat het een en ander verdachte boven zijn hoofd is gegroeid en ten aanzien van het ter beschikking stellen van de administratie meende de verdachte dat de achterliggende (bewijs)stukken niet ter beschikking hoefde te worden gesteld aan de curator.

Ten aanzien van feit 2 is aangevoerd dat verdachte geen opzet had op het onttrekken van de goederen aan de boedel.

Met betrekking tot de feiten 3 en 4 heeft de verdediging betoogd dat het wel degelijk de intentie is geweest dat betrokkene werkzaamheden zou gaan verrichten en deze ook heeft verricht voor rechtspersoon. De arbeids- overeenkomst was derhalve niet valselijk opgemaakt. Nu betrokkene wel als werkneemster van rechtspersoon kon worden beschouwd, mocht zij ook aangemeld worden bij benadeelde en had zij recht op een maandelijkse uitkering.

Het hof overweegt als volgt.

Ten aanzien van feit 1

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting en het voorhanden zijnde dossier is het volgende gebleken. Rechtspersoon is bij vonnis van de rechtbank te Utrecht van 11 juli 2007 in staat van faillissement verklaard. Verdachte was bestuurder van stichting. Deze Stichting was sinds 21 november 2006 enig aandeelhouder/bestuurder van rechtspersoon.

Ten aanzien van het niet te voorschijn brengen van alle bestaande administratie

De bestuurder van een failliete rechtspersoon dient op vordering van de curator alle dan bestaande administratie, inclusief de bewijsstukken daarbij, terstond en ongeschonden aan de curator te overhandigen.

De curator heeft verklaard dat hij enkele malen zowel schriftelijk als mondeling aan verdachte heeft verzocht alle aanwezige administratie te overhandigen. In het bijzonder de stukken die snel inzicht konden geven in de posten van de debiteuren en crediteuren ontbraken in de administratie. De curator heeft de door verdachte beschikbaar gestelde administratie meegegeven aan verbalisant van de politie Brabant Zuid-Oost. Blijkens een proces-verbaal van bevindingen heeft verbalisant op 28 augustus 2008 van de curator vier verhuisdozen met de administratie van rechtspersoon ontvangen. Op 3 september 2008 heeft verbalisant nog wat aanvullende administratieve bescheiden van de curator ontvangen.

Tijdens een later verhoor van verdachte op 29 oktober 2008 heeft verdachte verklaard dat er op het kantoor aan de adres te Tiel nog belangrijke administratie aanwezig zou zijn. Deze administratie bleek zich bij navraag te bevinden op het bedrijfsadres van de pandeigenaar, pandeigenaar te ’s-Hertogenbosch. Op 30 oktober 2008 is er een onderzoek ingesteld naar deze administratie. Uit onderzoek is gebleken dat de inhoud van de aan- getroffen ordners en mappen administratieve bescheiden bevatte welke betrekking hadden op rechtspersoon. Zo werden onder andere aangetroffen: huur-, lease-, en zakelijke contracten, belastingaanslagen, aanmaningen van de Belastingdienst, administratie met betrekking tot het UWV, een agenda over het jaar 2007, omzetgegevens, reserveringsadministratie en personeelsadministratie. Voorts werden op 13 november 2008 op aanwijzing van verdachte bij het bezoek aan het pand adres te Tiel nog zeven ordners met administratie van rechtspersoon aangetroffen. Deze ordners bevatte onder meer de dagstaten 2006 en de dagstaten 2007.

Gelet op het voorgaande is komen vast te staan dat verdachte ondanks de vordering van de curator om alle administratie aan hem af te geven, niet alle aanwezige administratie aan de curator ter beschikking heeft gesteld. De verklaring van verdachte dat hij niet wist dat de vordering van de curator zich uitstrekte tot deze stukken en dat hij niet wist dat de curator deze stukken nodig had, acht het hof hoogst onaannemelijk. Bij dit oordeel heeft het hof acht geslagen op de inhoud en aard van de niet aan de curator afgedragen administratie. Hiertoe behoorde belangrijke correspondentie van en met de Belastingdienst, terwijl de failliete BV grote belastingschulden had (waarover het hof hierna nog nader overweegt), en belangrijke bescheiden betreffende de omzet en het personeel. Het is een feit van algemene bekendheid dat deze bescheiden onderdeel uitmaken van de administratie, zodat het – bij gebrek aan contra-indicaties - niet anders kan dan dat verdachte opzettelijk een belangrijk deel van de administratie niet aan de curator ter beschikking heeft gesteld.

Artikel 343 van het Wetboek van Strafrecht vereist dat de daarin opgenomen gedragingen moeten zijn verricht “ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers”. Hiermee wordt tot uitdrukking gebracht dat de bestuurder van de failliete BV, te weten stichting waarvan verdachte weer de bestuurder was, ten tijde van de gedraging het opzet moet hebben gehad op de benadeling van de schuldeisers. Voorwaardelijk opzet is in dat verband voldoende. Dit betekent dat voor het bewijs van dat opzet tenminste is vereist dat de gedraging van de bestuurder de aanmerkelijke kans op benadeling van de schuldeisers heeft doen ontstaan en dat deze bestuurder ten tijde van de gedraging deze aanmerkelijke kans bewust heeft aanvaard (zie onder andere Hoge Raad 11 mei 2010, RvdW 2010, 652).

Gezien het feit dat het faillissement een aanzienlijke tekort bevat (volgens de curator in zijn in eerste aanleg ingediende voegingsformulier ten bedrage van 426.274,33 euro) en gezien de aard van de niet aan de curator afgedragen administratie, heeft het niet afdragen daarvan een aanmerkelijke kans op benadeling van de schuldeisers veroorzaakt en kan het - bij gebreke aan contra-indicaties- niet anders dan dat verdachte die aanmerkelijke kans ook bewust heeft aanvaard.

De verdachte heeft derhalve opzettelijk niet de gehele administratie ter beschikking gesteld aan de curator, ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers.

De gedraging en het opzet van verdachte als bestuurder van stichting, kan aan laatstgenoemde worden toegerekend. Hierdoor geldt stichting als pleger van dit strafbare feit als bedoeld in artikel 343 aanhef en onder 4 van het Wetboek van Strafrecht en kan verdachte als feitelijk leidinggever / opdrachtgever ter zake van dit door de Stichting gepleegd feit worden veroordeeld.

Ten aanzien van het niet voldoen aan de verplichting tot het voeren van een administratie in de zin van artikel 10, eerste lid, van Boek 2 BW

Daarnaast is het hof van oordeel dat de stichting in strijd met de verplichting uit artikel 2:10 van het Burgerlijk Wetboek niet een zodanige administratie heeft gevoerd dat daaruit te allen tijde de rechten en de verplichtingen van rechtspersoon konden worden gekend. Het hof overweegt in dit verband dat verdachte als bestuurder van de Stichting eind 2006 wist dat rechtspersoon in ernstige financiële problemen verkeerde. Op de terechtzitting in eerste aanleg heeft hij verklaard “dat rechtspersoon eind 2006 al in financiële nood verkeerde”. Vanaf medio 2006 werd geen loonbelasting meer betaald aan de Belastingdienst en vanaf februari 2007 werd er geen omzetbelasting meer betaald. In oktober 2006 heeft verdachte nog een faillissement weten af te wenden door de vordering van de aanvragers, het UWV en het College Zorgverzekeringen, te voldoen. De vordering van de Belastingdienst is destijds niet voldaan. Verdachte heeft hierover zowel in eerste aanleg als in hoger beroep verklaard. In hoger beroep heeft verdachte aanvullend verklaard dat de financiële situatie in 2007 verergerde. Zo waren er verschillende incassodreigingen van crediteuren en de Belastingdienst. Tevens zijn er meerdere faillissementsaanvragen geweest in 2007, onder andere door de verhuurder van het pand waar rechtspersoon gevestigd was.

Gelet op deze omstandigheden kan het niet anders zijn dat verdachte zich vanaf eind 2006 tot de datum van het faillissement moet hebben ge- realiseerd dat rechtspersoon op een faillissement afkoerste.

Het hof is van oordeel dat verdachte in de periode vanaf eind 2006 tot de datum van het faillissement een ondeugdelijke administratie heeft gevoerd en dat verdachte dit opzettelijk heeft gedaan. Verdachte heeft met behulp van fictieve annuleringen de dagopbrengst verlaagd. Hierdoor vielen de dagstaten lager uit. Met het geld dat werd verkregen door de fictieve annuleringen werd bijvoorbeeld de schoonmaakster zwart uitbetaald. Het hof heeft hierbij acht geslagen op de getuigenverklaringen van getuige 1, getuige 2 en getuige 3.

Daarnaast werden er betalingen gedaan zonder deugdelijke onderbouwing waardoor die betalingen niet konden worden gecontroleerd. Zo werden er uit de kassa loon of voorschotten betaald zonder toelichting of een onder- liggende factuur. administrateur, administrateur van rechtspersoon, heeft verklaard dat sommige facturen dubbel zijn betaald. Begin juni 2007 had hij een bedrag van € 100.000,- op kruisposten open staan en € 30.000,- op vraagposten.

Tevens is uit een overzicht van de inkoopfacturen 2007 gebleken dat op de facturen niet was aangegeven of ze al dan niet betaald waren.

Zoals gezegd moet verdachte in de periode vanaf eind 2006 tot het faillissement hebben geweten dat rechtspersoon op een faillissement afkoerste. Door in deze periode op bovenstaande wijze geen deugdelijke ad- ministratie te voeren, heeft verdachte een aanmerkelijke kans op benadeling van de schuldeisers doen ontstaan, doordat aldus een aanmerkelijke kans in het leven werd geroepen dat in het latere faillissement het inzicht in de rechten en de plichten van de schuldeisers werd verminderd en onrechtmatige en paulianeuze gedragingen met (meer) moeite aan het licht zouden kunnen komen. Nu verdachte voornoemde gedragingen heeft verricht c.q. laten verrichten terwijl hij wist dat rechtspersoon afkoerste op faillissement, kan het niet anders dan dat hij ten tijde van deze gedragingen de aanmerkelijke kans op deze benadeling bewust heeft aanvaard.

Dit alles betekent dat verdachte deze gedragingen heeft verricht, althans laten verrichten ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers van rechtspersoon. De gedraging en het opzet van verdachte als bestuurder van stichting, kan aan laatstgenoemde worden toegerekend. Hierdoor geldt stichting als pleger van dit strafbare feit als bedoeld in artikel 343 aanhef en onder 4 van het Wetboek van Strafrecht en kan verdachte als feitelijk leidinggever/opdrachtgever ter zake van dit door de Stichting gepleegd feit worden veroordeeld.

Het verweer van de verdediging ten aanzien van feit 1 wordt verworpen.

Ten aanzien van feit 2

Verdachte was als bestuurder van de bestuurder van de failliete BV verplicht de curator alle boedelactiva op- en af te geven.

Uit diverse getuigenverklaringen is gebleken dat in april/ mei 2007 kantoormeubilair en kantoorapparatuur is verhuisd van het kantoor aan de adres te ’s-Hertogenbosch naar het kantoor aan de adres te Tiel. Het betrof onder meer een faxapparaat, twee computers, een printer, een lamineer- apparaat, bureaus en archiefkasten. Gelet op de aangifte van de curator en de daarbij behorende bijlagen is deze inventaris niet ter beschikking gesteld aan de curator. Deze verhuizing heeft plaatsgevonden op een moment - gelet op hetgeen is overwogen onder feit 1 - dat verdachte reeds moeten hebben geweten dat rechtspersoon afkoerste op een faillissement. Gelet op de waarde van het meubilair en de apparatuur tezamen, acht het hof het niet aannemelijk dat verdachte, zoals hij heeft aangevoerd, deze goederen vergeten was te verantwoorden en af te dragen aan de curator.

Voorts is uit het voorhanden zijnde dossier gebleken dat in april 2006 door rechtspersoon LCD schermen zijn aangekocht. Drie van deze schermen stonden in het restaurant rechtspersoon te Tiel, aldus verdachte. De simpele mededeling van verdachte dat hij vergeten was de LCD schermen te verantwoorden bij de curator omdat ze in het restaurant te Tiel stonden, acht het hof onaannemelijk. Verdachte wist namelijk dat die schermen tot de inboedel van de failliete Bv behoorden.

Gelet op het voorgaande acht het hof bewezen dat verdachte ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers baten niet heeft verantwoord en goederen aan de boedel heeft onttrokken. Verdachte heeft namelijk drie LCD-monitoren, kantoormeubilair en kantoorapparatuur niet aan de curator verantwoord en afgedragen. De gedraging en het opzet van verdachte als bestuurder van stichting, kan aan laatstgenoemde worden toegerekend. Hierdoor geldt stichting als pleger van dit strafbare feit uit artikel 343 aanhef en onder 1 van het Wetboek van Strafrecht en kan verdachte als feitelijk leidinggever/opdrachtgever ter zake van dit door de Stichting gepleegd feit worden veroordeeld.

Het verweer van de verdediging ten aanzien van feit 2 wordt verworpen.

Ten aanzien van de feiten 3 en 4

Op 1 januari 2006 is een ‘arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd’ getekend door rechtspersoon als ‘werkgever’, vertegenwoordigd door verdachte, en betrokkene als ‘werknemer’. Ex-werknemer, een toenmalige werknemer van rechtspersoon, heeft verklaard dat hij deze overeenkomst in opdracht van verdachte heeft klaargemaakt. Blijkens de artikelen 3, 4 en 6 van deze ‘arbeidsovereenkomst’ zou betrokkene vanaf 1 januari 2006 werkzaam zijn als vestigingsmanager.

Haar werkzaamheden zouden gaan bestaan uit het zorgdragen voor het tapasrestaurant. De gemiddelde wekelijkse arbeidstijd zou 38 uren bedragen en betrokkene zou hiervoor een salaris van € 2950,- bruto per maand ontvangen.

De verdachte heeft op 11 november 2008 bij de politie verklaard dat betrokkene bij rechtspersoon in dienst is getreden, maar dat zij feitelijk geen dag heeft gewerkt. De arbeidsovereenkomst zou een opzet zijn om via het salaris verdachtes schuld aan betrokkene af te betalen. Het was niet de bedoeling dat betrokkene 38 uren per week voor rechtspersoon ging wer- ken. De verklaring van verdachte wordt ondersteund door een schriftelijke verklaring van verdachte van 3 juli 2007 waarin hij schrijft dat betrokkene geen werkzaamheden verrichte voor rechtspersoon en dat de arbeids- overeenkomst dan ook niet in overeenstemming was met de werkelijke situatie. De maandelijks te verrichten salarisbetalingen strekten uitsluitend tot de betaling van de aflossing van de door hem aan betrokkene verschuldigde bedragen.

Het verweer van de raadsman dat verdachte zich gedwongen zou hebben gevoeld om de verklaring op 11 november 2008 bij de politie af te leggen, slaagt niet, omdat daar op geen enkele manier van is gebleken, en verdachte bovendien al op 3 juli 2007 op eigen initiatief (ter verwijdering van een onder rechtspersoon gelegd derdenbeslag) een gelijkluidende schriftelijke verklaring had opgemaakt.

Voorts vinden de verklaringen van verdachte steun in verschillende getuigenverklaringen. betrokkene heeft verklaard dat zij de ‘arbeids- overeenkomst’ heeft ondertekend en niet op de werkvloer van rechtspersoon heeft gewerkt.

Getuige 4 heeft verklaard dat betrokkene niet in dienst was van rechtspersoon, nooit voor rechtspersoon heeft gewerkt en dat verdachte door haar onder druk zou worden gezet. Het salaris voor het fictieve dienstverband van betrokkene, zou worden verminderd op het saldo van verdachtes schuld aan haar.

Ook andere werknemers van rechtspersoon zoals getuige 2 hebben ver- klaard dat zij betrokkene nooit werkzaamheden hebben zien uitvoeren.

Het hof overweegt dat een arbeidsovereenkomst een meerzijdige rechtshandeling inhoudt waarbij beide partijen een bepaald rechtsgevolg beogen, namelijk dat de ene partij (in casu betrokkene) zich jegens een andere partij (in casu rechtspersoon, vertegenwoordigd door verdachte) verbindt om in dienst van die andere partij tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten.

Uit voorgaande volgt dat nimmer sprake is geweest van een echte arbeidsovereenkomst waarmee door beide partijen werd beoogd dat betrokkene bij rechtspersoon in dienst zou treden en daadwerkelijk de in die ‘arbeidsovereenkomst’ opgenomen werkzaamheden tegen het daarin bepaalde salaris zou verrichten. Uit de hierboven aangehaalde bewijsmiddelen volgt dat dit niet de werkelijke bedoeling was van de partijen, maar dat partijen onder het mom van een ‘arbeidsovereenkomst’ via het overeengekomen ‘salaris’ de schuld van verdachte aan betrokkene wilde aflossen. Het hof is derhalve van oordeel dat verdachte, zoals is ten laste gelegd onder 4, het arbeidscontract valselijk heeft opgemaakt.

Tevens is het hof van oordeel dat verdachte het oogmerk bezat om het valselijk opgemaakte arbeidscontract als echt en onvervalst te doen gebruiken. Zo heeft verdachte het arbeidscontract opgenomen in zijn eigen bedrijfsadministratie met het gevolg dat rechtspersoon een salarisbetaling verrichtte aan betrokkene, terwijl het in werkelijkheid een afbetaling betrof van verdachtes privé-schuld aan betrokkene.

Hiermee heeft t verdachte zich schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift zoals bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Voort is het hof van oordeel dat verdachte, zoals is ten laste gelegd onder 3, zich schuldig heeft gemaakt aan oplichting.

Na het opmaken van voornoemde valse arbeidsovereenkomst heeft verdachte betrokkene op 5 april 2006 als ‘werknemer’ van rechtspersoon bij verzekeringsmaatschappij benadeelde ziek gemeld, terwijl betrokkene feitelijk geen werkneemster was van rechtspersoon. Na afwijzing van die ziekmelding door benadeelde heeft verdachte contact opgenomen met benadeelde via de tussenpersoon bank met de mededeling dat hij vergeten was betrokkene aan te melden op de Werkattentpolis en dat hij daar pas achter was gekomen toen zij ziek werd. benadeelde schade is akkoord gegaan dat de ziekmelding van betrokkene alsnog in behandeling zou worden genomen.

Medewerker heeft namens aangever benadeelde verklaard dat als benadeelde vooraf had geweten dat betrokkene slechts een fictieve werkneemster was, betrokkene niet voor de verzekering Werkattent in aanmerking zou zijn gekomen. Doordat benadeelde van de door verdachte verstrekte informatie is uitgegaan, heeft benadeelde ten onrechte een bedrag van € 20.507,20 aan rechtspersoon uitgekeerd.

Het hof is van oordeel dat verdachte door een of meer listige kunstgrepen benadeelde heeft bewogen tot afgifte van geld. Verdachtes handelen is naar het oordeel van het hof te kwalificeren als oplichting in de zin van artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht.

De verweren van de verdediging worden verworpen.

Strafoplegging

Het hof veroordeelt de verdachte tot een voorwaardelijke gevangenis- straf voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf voor de duur van 240 uren.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het feitelijk leidinggeven aan/opdrachtgeven tot bedrieglijke bankbreuk, oplichting en valsheid in geschrift. Verdachte heeft zich bij het plegen van de feiten niets aangetrokken van de belangen van de benadeelden. Hij heeft het werk van de curator bemoeilijkt door het niet (tijdig) ter beschikking stellen van een behoorlijke administratie. Door dit handelen was het voor de curator niet alleen onmogelijk om correct te kunnen vaststellen wat er onder wie moest worden verdeeld, ook het kunnen onderkennen van eventuele onregel- matigheden in het zicht van het faillissement om daarna via acties als de Pauliana of onrechtmatige daad de daardoor veroorzaakte schade op te heffen of te verminderen, is aldus ernstig bemoeilijkt c.q. gefrustreerd. Voorts heeft verdachte door de oplichting van benadeelde financiële schade berokkend en door deze oplichting en de gepleegde valsheid in geschrifte het vertrouwen beschaamd dat men in het verzekeringsverkeer en dergelijke geschriften moet kunnen hebben. Verdachte heeft kennelijk slechts gehandeld uit eigen financieel gewin.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Politieagent veroordeeld voor valsheid in geschrifte

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 6 juni 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:1810

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van verdachte vrijspraak bepleit. Ter onderbouwing van dat standpunt heeft de raadsman het volgende aangevoerd. Er is geen sprake van vervalsen, nu de door verdachte aangebrachte wijzigingen geen onwaarheden bevatten. Voorts heeft verdachte geen oogmerk van misleiding gehad, doch juist een oogmerk van juiste en integere informatieverstrekking aan het openbaar ministerie.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep stelt het hof het volgende vast.

Er vindt door het team, waar verdachte deel van uitmaakte, op 28 augustus 2012 een aantal aanhoudingen plaats, die dezelfde dag worden gerelateerd in een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL2400 20122090064-50. Dit is het in de tenlastelegging bedoelde proces-verbaal, gedateerd op 28 augustus 2012 en ondertekend door vijf verbalisanten onder wie medeverbalisant (als eerste ondertekenaar) en verdachte.

Door verdachte is bij de aanhoudingen enig geweld gebruikt, met name tegen de verdachte naam 1. Verdachte heeft dit geweld gemeld bij zijn superieuren, met name de hulpofficier van justitie inspecteur inspecteur en dit geweld is gerelateerd in het reeds genoemde proces-verbaal. Door een andere aangehouden verdachte, naam 2, wordt ook melding gemaakt van enig geweld, gepleegd door verdachte. Hiervan heeft verdachte geen melding gemaakt in het proces-verbaal, naar verdachte heeft verklaard omdat het een lichte tik was die hij niet ziet als geweld. inspecteur heeft nog aan verdachte gevraagd of deze nader wilde relateren met betrekking tot het gebruikte geweld - naar later blijkt ten aanzien van de verdachte naam 2 - maar verdachte heeft verklaard dat hij dit begreep als betrekking hebbend op het geweld tegen naam 1 waarover hij reeds had gerapporteerd.

Op 30 augustus 2012, na een dag verlof, bekijkt verdachte in het digitale systeem het opgemaakte proces-verbaal nogmaals omdat hij meent dat inspecteur mogelijk nog zal ingaan op de zaak naam 1. Omdat verdachte van oordeel is dat hetgeen rondom de wederspannigheid van naam 1 niet zorgvuldig genoeg in het proces-verbaal is opgenomen, vult hij het proces-verbaal in het digitale systeem op dat punt aan.

Verdachte kijkt vervolgens waar het originele ondertekende proces-verbaal is. Dit proces-verbaal blijkt zich nog in de map bij de dossiersamensteller te bevinden. De dossiersamensteller is niet aanwezig en verdachte, die, zoals later blijkt ten onrechte, denkt dat het proces-verbaal nog niet is ingestuurd naar het openbaar ministerie, vervangt de bladzijde met de oude tekst in het proces-verbaal door de bladzijde met de door hem vervaardigde nieuwe tekst.

Verdachte heeft de veranderingen aan medeondertekenaar medeverbalisant, die aanwezig was bij de wederspannigheid van naam 1, laten zien.

Het gaat om de volgende cursief gezette aanvulling. Na de zin “Ik, medeverbalisant kreeg de verdachte (hof: naam 1) niet uit het voertuig op dat moment.”, zijn toegevoegd de volgende zinnen:

“Ik schreeuwde dat hij zich niet moest verzetten en dat ik anders geweld zou gebruiken. Ik zag dat hij zich schrap zette door zich uit te strekken in zijn autostoel, waardoor ik hem niet uit de stoel kreeg. Ik, verdachte, hoorde mijn collega medeverbalisant schreeuwen tegen de verdachte dat hij zich niet moest verzetten en mee moest werken. Ik, (…), zag dat mijn collega medeverbalisant de verdachte niet terstond onder controle kreeg doordat deze zich verzette.”

Voorts is de volgende cursief gezette wijziging aangebracht. De oorspronkelijke passage “Ik (hof: verdachte)  gaf de verdachte (hof: naam 1) derhalve één (1) vuistslag in zijn gelaat. Ik, medeverbalisant voelde direct hierna dat de verdachte zijn verzet staakte en mee werkte.” is gewijzigd in:

“Ik (hof: verdachte) gaf de verdachte (hof: naam 1) derhalve één (1) vuistslag in zijn gelaat. Wij, verbalisanten zagen dat de verdachte hierna zijn verzet staakte en mee werkte.”

De eerste vraag waar het hof zich voor gesteld ziet, is of sprake is geweest van vervalsen als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Het hof beantwoord deze vraag bevestigend en overweegt hiertoe als volgt. Verdachte heeft aan een door verschillende verbalisanten op ambtseed/ambtsbelofte opgemaakt en op 28 augustus 2012 ondertekend proces-verbaal op 30 augustus 2012 eigenhandig iets wezenlijks toegevoegd waardoor de oorspronkelijke inhoud van het proces-verbaal gewijzigd is. Dit levert naar het oordeel van het hof vervalsen op. Hierbij is niet van belang of de aanpassingen zelf al dan niet op waarheid berusten. Het gaat erom dat het oorspronkelijke geschrift als zodanig van inhoud is gewijzigd. Dát levert op het plegen van een materiële valsheid. Dat verdachte de wijzigingen aan medeverbalisant heeft laten zien en dat deze met de wijzigingen akkoord was, is dus niet van belang voor het antwoord op de vraag of het oorspronkelijke proces-verbaal is vervalst.

Voorts dient het hof de vraag te beantwoorden of de verdachte het voor bewezenverklaring van valsheid in geschrifte benodigde oogmerk van misleiding heeft gehad. Ook deze vraag wordt door het hof bevestigend beantwoord.

Met de wettelijke term oogmerk in artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht – een geschrift vervalsen “met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken” – wordt bedoeld het oogmerk tot misleiding (aldus de Memorie van Toelichting, Smidt II, p. 254). Dit oogmerk behelst doelbewustheid. Dit houdt in dat het de bedoeling moet zijn geweest van de vervalser dat het vervalste geschrift zou worden gebruikt als echt en onvervalst.

Het was de bedoeling van de verdachte, zo heeft hij ter terechtzitting in hoger beroep verklaard, dat het door hem gewijzigde proces-verbaal door anderen als echt en onvervalst zou worden gebruikt. Door aldus te handelen, heeft verdachte de indruk gewekt dat er immer één oorspronkelijk proces-verbaal is geweest – namelijk het proces-verbaal zoals dat tot stand was gekomen na de door verdachte aangebrachte wijzigingen – dat als origineel proces-verbaal heeft te gelden. Hiermee staat naar het oordeel van het hof het oogmerk van misleiding vast.

Het hof ziet in het feit dat de verdachte de in zijn ogen waarheidsgetrouwe aanpassingen van het oorspronkelijke proces-verbaal niet heeft neergelegd in een aanvullend proces-verbaal, op te maken en te ondertekenen door hemzelf en medeverbalisant als de verbalisanten op wier bevindingen de aanpassingen betrekking hadden, een aanwijzing dat de verdachte minst genomen niet de aandacht wilde vestigen op deze aanpassingen.

Het hof verwerpt het verweer.

Beroep op gelijkheidsbeginsel

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van verdachte de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie bepleit wegens schending van het gelijkheidsbeginsel. Ter onderbouwing van dat standpunt heeft de raadsman, op gronden zoals verwoord in de overgelegde pleitnota, het volgende aangevoerd. De beslissing om alleen verdachte te vervolgen en niet ook medeverbalisant, de medeverbalisant die de wijzigingen in het proces-verbaal heeft gezien en heeft goedgekeurd, levert een zodanig ernstige schending van het gelijkheidsbeginsel en daarmee van de goede procesorde op dat zulks dient te leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

Het hof overweegt als volgt.

Het verweer berust op de veronderstelling dat de strafrechtelijke positie van de verdachte en medeverbalisant gelijk is. Deze veronderstelling is echter niet juist. Het hof stelt vast dat het handelen van verdachte wezenlijk anders is geweest dan het handelen van de medeverbalisant. medeverbalisant heeft immers geen proces-verbaal aangepast noch de oorspronkelijke bladzijde 2 van het origineel vervangen door de aangepaste bladzijde 2. De wijzigingen zijn eigenhandig, op zijn eigen initiatief en uitsluitend door de verdachte aangebracht en aan de papieren versie van het originele proces-verbaal toegevoegd. medeverbalisant heeft enkel de gewijzigde tekst gelezen “ter goedkeuring” (verklaring medeverbalisant, dossierpagina 38). Reeds daarom kan niet worden gesproken van gelijke of sterk vergelijkbare gevallen. Dat medeverbalisant van de door verdachte aangebrachte wijzigingen op de hoogte was, doet hieraan niet af.

Het hof verwerpt het verweer.

Bewezenverklaring

  • Valsheid in geschrifte

Strafoplegging

Het hof veroordeelt de verdachte tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 30 uren.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Hof Den Haag over waarom rechters niet gebonden zijn aan de LOVS-richtlijnen

Gerechtshof Den Haag 20 juni 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:2173

De verdachte heeft tezamen met zijn medeverdachten via de Rotterdamse haven 20,9 kilogram cocaïne ingevoerd.

Door de officier van justitie is in deze en daarmee samenhangende zaken – kort samengevat - een strafmaatappel ingesteld. De achtergrond hiervan is dat het openbaar ministerie in eerste aanleg om oplegging van een gevangenisstraf heeft verzocht voor een duur die is afgestemd op de richtlijnen van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. De rechtbank is hiervan afgeweken en heeft een beduidend lagere straf opgelegd dan gevorderd, met een enkele verwijzing naar “bestendige rechtspraak”. De advocaat-generaal heeft zich op deze grond in hoger beroep op het standpunt gesteld dat het hof om een oordeel over “een principieel punt” wordt gevraagd op grond van de stelling van de advocaat-generaal dat de rechtbank onvoldoende gemotiveerd heeft waarom zij (sterk) naar beneden is afgeweken van de LOVS-oriëntatiepunten.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het LOVS heeft al geruime tijd geleden een eerste aanzet gegeven om te komen tot een consistent landelijk straftoemetingsbeleid. Besloten is om in de loop van de tijd voor een aantal vaak voorkomende delicten een oriëntatiepunt te ontwikkelen waarop de rechter zich kan richten bij het bepalen van de op te leggen straf; zo ook voor de invoer van harddrugs. Een oriëntatiepunt geeft weer welke straf rechters voor het delict plegen op te leggen. Daarbij is geen rekening gehouden met bijzondere omstandigheden die zich in een concreet geval kunnen voordoen, zoals daad- en daderfactoren. Die omstandigheden dient de rechter alsnog mee te wegen als hij in een strafzaak een straf oplegt.

Ten aanzien van de status van de LOVS-oriëntatiepunten is het volgende van belang. Vooropgesteld wordt dat de rechter in een concrete zaak niet gebonden is aan even genoemde oriëntatiepunten. In het verlengde hiervan heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de straftoemetings-oriëntatiepunten niet als recht in de zin van artikel 79 van de Wet op de rechterlijke organisatie kunnen worden beschouwd; bedoelde oriëntatiepunten zijn niet afkomstig van een instantie die de bevoegdheid heeft rechters te binden “wat betreft het gebruik dat zij maken van de hun door de wetgever gelaten ruimte”, aldus de Hoge Raad in zijn arrest van 3 december 2002, NJ 2003, 570. De gevolgtrekking die aan een en ander moet worden verbonden is dat noch de verdediging noch het openbaar ministerie met vrucht kan klagen over de strafmotivering van rechters en rechterlijke colleges in relatie tot de LOVS-oriëntatiepunten. De grief van de advocaat-generaal behoeft daarom geen verdere bespreking.

Het hof overweegt nog ambtshalve dat tegenover het voorgaande staat dat zich het geval kan voordoen dat de door de rechter opgelegde straf dermate afwijkt van de door het openbaar ministerie gevorderde straf dat de strafoplegging zonder opgave van de redenen die tot die afwijking hebben geleid, onbegrijpelijk zou zijn (vgl. HR 2 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH8313 en HR 3 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX5479, NJ 2006, 549). Een enkele verwijzing naar “bestendige rechtspraak” volstaat dan onder omstandigheden niet, wanneer die rechtspraak niet zo evident en eenduidig is dat daaruit zonder meer heldere conclusies ten aanzien van de strafmaat kunnen worden getrokken.

Ten aanzien van de jurisprudentie constateert het hof (in het ressort) verschillen in de straftoemeting in het bijzonder in zaken betreffende zeer grote en mega grote hoeveelheden verdovende middelen (hard drugs) enerzijds en kleinere (handels)hoeveelheden anderzijds. Niet ondenkbaar is, dat dit mede een gevolg is van de volgende omstandigheid. IJkpunten rond de straftoemeting bij dergelijk grote hoeveelheden verdovende middelen - welke steeds vaker plegen te worden ingevoerd door grotere internationale nauw met elkaar samenwerkende functionele verbanden, via onder meer de grotere internationaal opererende havens - met een ondergrens van 20 kilogram zijn thans (nog) niet onder de LOVS-oriëntatiepunten begrepen. Wat daar ook van zij, de voorliggende strafzaak voldoet naar het oordeel van het hof bij nadere beschouwing niet aan even bedoelde kwantitatieve normering. Zulks en in onderlinge samenhang beschouwd gelet op de onder verdachte en zijn medeverdachten aangetroffen hoeveelheid ingevoerde verdovende middelen, welke maar nauwelijks de ondergrens van 20 kilogram overstijgt, de beperkte mate waarin zicht is ontstaan op de samenwerking tussen de diverse netwerken en de mate waarin verdachte en zijn medeverdachten daarin participeerden alsmede de omstandigheid dat het slechts één enkel bewezenverklaard transport van verdovende middelen via de Rotterdamse haven betreft.

Het hof neemt op grond van het voorgaande in deze zaak de LOVS-oriëntatiepunten als uitgangspunt van reflectie en houdt voorts rekening met alle bijzondere omstandigheden van elk concreet geval, waaronder de diverse daad- en daderfactoren.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Gebruik voor bewijs van verklaring niet gehoorde getuige

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 19 juni 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:1817

De raadsman heeft in casu betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de tenlastegelegde feiten, nu de verdediging niet de mogelijkheid heeft gehad om de voor de verdachte belastende verklaringen van medeverdachte 1 te toetsen, zodat bewijsuitsluiting moet volgen, en deze verklaringen bovendien niet betrouwbaar zijn en niet, althans in onvoldoende mate, worden ondersteund door ander bewijs.

Het hof verwerpt het verweer en overweegt dienaangaande als volgt.

Anders dan de verdediging en met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat de verklaringen van medeverdachte 1 waarin hij de verdachte belast niet behoeven te worden uitgesloten voor het bewijs, aangezien het enkele feit dat medeverdachte 1, hoewel meerdere keren opgeroepen al dan niet met bevel tot medebrenging, niet als getuige in de zaak tegen verdachte is verschenen, niet impliceert dat er onvoldoende mogelijkheden bestaan om de bedoelde verklaringen op betrouwbaarheid te toetsen.

Het hof heeft daarbij gelet op het volgende. Na aanvankelijk te hebben ontkend iets met de diefstal van de BMW op 5 augustus 2011 te maken te hebben gehad, heeft medeverdachte 1 - nadat hij door de politie wordt geconfronteerd met videobeelden bij een tankstation waarop te zien is dat hij met de bewuste BMW heeft getankt (pg. 8 en 11) - bekend betrokken te zijn geweest bij die diefstal. Op 20 augustus 2011 en 15 september 2011 heeft medeverdachte 1 tegenover de politie gedetailleerd over de diefstal gesproken en verklaard dat hij die in opdracht van verdachte heeft gepleegd. De bekennende verklaringen van medeverdachte 1 stroken voor wat betreft het verloop van de diefstal op belangrijke punten met de aangifte van slachtoffer. Voorts vinden de verklaringen van medeverdachte 1 steun in de bewijsmiddelen zoals hiervoor weergegeven.

Ten aanzien van de door de raadsman aangevoerde argumenten ter ondersteuning van diens stelling dat de verklaringen van medeverdachte 1 onbetrouwbaar zijn, zoals weergegeven in het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 5 juni 2014, overweegt het hof nog als volgt.

Dat medeverdachte 1 niet uit zichzelf heeft verklaard, maar eerst toen hij geconfronteerd werd met de camerabeelden bij het tankstation, en dat hij in zijn verklaring tracht de verantwoordelijkheid voor zijn gedrag bij anderen neer te leggen, doet aan de betrouwbaarheid van zijn verklaring niet af en wil niet zeggen dat hetgeen hij heeft verklaard over de betrokkenheid van die anderen niet waar zou zijn.

De enkele ontkenning van medeverdachte 2 dat hij bij de diefstal betrokken is en de omstandigheid dat de zaak tegen medeverdachte 2 is geseponeerd, maakt niet dat de verklaring van medeverdachte 1 daaromtrent ongeloofwaardig wordt. Dat aangever slachtoffer medeverdachte 2 niet heeft herkend als tweede dader maakt dat niet anders, gelet ook op diens verklaring dat hij zich heeft geconcentreerd op de bestuurder van de auto en gelet op diens aangifte (pg. 80 t/m 86) waaruit blijkt dat slachtoffer voornamelijk contact heeft gehad met medeverdachte 1 en dat medeverdachte 2 achter slachtoffer in de auto is gaan zitten, zodat slachtoffer geen zicht op hem had. Dat de broer van aangever, naam broer slachtoffer, medeverdachte 2 niet heeft herkend is naar het oordeel van het hof evenmin reden om de verklaring van medeverdachte 1 ongeloofwaardig te achten, aangezien deze getuige in zijn verklaring (pg. 87-88) al aangeeft niet helemaal zeker te weten of hij de tweede persoon, die als bijrijder achterin is gaan zitten, zou herkennen.

Dat medeverdachte 1 in zijn laatste verklaring heeft gezegd dat, naast verdachte en hijzelf, ook ene betrokkene 2 is meegereden toen de BMW werd opgehaald en naar het bedrijf van betrokkene 1 werd vervoerd en dat betrokkene 1 anders heeft verklaard over welke personen in de BMW zaten toen die kwam aanrijden bij zijn bedrijf, is naar het oordeel van het hof van onvoldoende belang om de verklaring van medeverdachte 1, voor zover inhoudende dat hij samen met verdachte de BMW heeft opgehaald en naar het bedrijf van betrokkene 1 heeft gereden, onbetrouwbaar te achten. Beide verklaringen houden immers in dat medeverdachte 1 samen met verdachte de gestolen BMW op het bedrijf van betrokkene 1 heeft afgeleverd.

De stelling van de raadsman dat uit het dossier blijkt dat medeverdachte 1 rond zes uur bij een tankstation in Eindhoven is geweest, berust naar het oordeel van het hof op een verkeerde lezing van het dossier. Uit het hoofdambtelijk verslag (pg. 8) blijkt immers dat de beelden die van het tankstation zijn gevorderd beelden betreft van 5 augustus 2011 omstreeks 16.55 uur.

Dat uit het dossier niet is gebleken dat medeverdachte 1 direct na de overval met de opdrachtgever heeft gebeld, houdt naar het oordeel van het hof nog niet in dat medeverdachte 1 hierover liegt.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Slachtoffer over boord in Atlantische oceaan: Rechtsmacht & Ne bis in idem

Gerechtshof Den Haag 17 juni 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:2002

Aan de verdachte is onder 1 primair tenlastegelegd dat hij – kort en zakelijk weergegeven – tezamen met zijn medeverdachte persoon, te weten slachtoffer, tussen 12 juli 2005 en 31 juli 2005 met voorbedachte rade van het leven heeft beroofd, door die persoon ergens op het vaartraject tussen de kust van Natal (Brazilië) en de kust van Sierra Leone (Afrika) van boord van het zeiljacht ‘de naam zeiljacht’ te duwen, hem onder bedreiging van een mes te dwingen de reling van het zeiljacht los te laten, en vervolgens die persoon aan zijn lot over te laten, ten gevolge waarvan die persoon is overleden. Verdachte wordt ook verwijt dat hij het zeiljacht waar dit op zou hebben plaatsgevonden zou hebben gestolen.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging

Rechtsmacht

Het hof heeft met betrekking tot de vraag of Nederland rechtsmacht heeft ten aanzien van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, en daarmee de vraag of ter zake van die feiten het openbaar ministerie in dat verband ontvankelijk is in de vervolging, het volgende overwogen.

Uit de hiernavolgende overwegingen zal blijken dat het hof niet kan vaststellen waar precies op zee slachtoffer overboord is geduwd. Inherent aan dit gegeven is dat niet valt vast te stellen of dit feit nog binnen de territoriale wateren van Brazilië is gepleegd of dat dit daarbuiten heeft plaatsgevonden, hetgeen van belang is met betrekking tot de vraag of Nederland rechtsmacht heeft om over de onderhavige zaak te oordelen.

Indien er vanuit wordt gegaan dat de feiten binnen de territoriale wateren van Brazilië hebben plaatsgevonden, dan heeft Nederland rechtsmacht op grond van het in artikel 5, lid 1 aanhef en onder 2 van het Wetboek van Strafrecht bepaalde. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat aan de eis van dubbele strafbaarheid in casu is voldaan, nu moet worden aangenomen dat op moord c.q. doodslag en diefstal ook in Brazilië straf is gesteld.

Indien er vanuit wordt gegaan dat feit 1 buiten de territoriale wateren van Brazilië heeft plaatsgevonden, dan heeft Nederland ten aanzien van dit feit rechtsmacht op grond van artikel 4 aanhef en sub 8 onder a van het Wetboek van Strafrecht.

Voor wat betreft het onder 2 ten laste gelegde is het van belang dat uit het dossier niet blijkt dat de naam zeiljacht voer onder Braziliaanse vlag, althans gerechtigd was die vlag te voeren. Derhalve kan niet worden vastgesteld dat Nederland op grond van het vlaggenbeginsel en het actief nationaliteitsbeginsel (artikel 5 Wetboek van Strafrecht) rechtsmacht heeft ten aanzien van de diefstal van het zeiljacht de naam zeiljacht, voor zover het openbaar ministerie heeft ten laste gelegd dat dit feit zou zijn begaan “in de Atlantische Oceaan buiten de territoriale wateren, althans op het vaartraject op de (Atlantische) Oceaan tussen Brazilië en Sierra Leone”. Ten aanzien van dat onderdeel van het tweede feit is het openbaar ministerie niet-ontvankelijk.

Gelet op het voorgaande kan worden aangenomen dat Nederland in deze zaak – met inachtneming van hetgeen te dien aanzien is opgemerkt met betrekking tot feit 2 - rechtsmacht heeft en dat het openbaar ministerie op dit punt ontvankelijk is in de vervolging.

Ne bis in idem

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw namens de verdachte het verweer gevoerd dat – zoals vervat in haar pleitnota en hier in de kern weergegeven – het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard vanwege strijd met het ne bis in idem beginsel. De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd niet valt uit te sluiten dat de verdachte in Brazilië opnieuw vervolgd zal worden wegens het onderhavig feit.

Het hof heeft in dit verband acht geslagen op de brief van 15 december 2008, te Natal opgemaakt en ondertekend door de officier van justitie naam, met kenmerk: opsporingsonderzoek nr. 2006.84.00.006544-8, waarvan de Nederlandse vertaling is gevoegd in het algemeen dossier 0/OPV/D op p. 21 e.v., welke onder meer het volgende inhoudt:

‘Het betreft een opsporingsonderzoek inzake de diefstal van het vaartuig genaamd ‘naam zeiljacht’ en de vermissing van de matroos slachtoffer. Kort samengevat komen de feiten op het volgende neer. Het zeiljacht lag te koop op de ligplaats in de Jachtclub van Natal. Op 12.07.2005 zijn twee Nederlanders (die later zijn geïdentificeerd als naam en een persoon die bekend staat als naam) samen met de Braziliaan slachtoffer vertrokken voor een zogenaamde proefvaart, die in werkelijkheid heeft geleid tot diefstal van het vaartuig en de vermissing van slachtoffer.

Het onderzoek wordt thans uitgevoerd door de Federale Politie in het kader van het opsporingsonderzoek dat is toegewezen aan de 2e Rechtbank van de Federale Juridische Afdeling van Rio Grande do Norte.

Aangezien uitlevering van de verdachten niet mogelijk is vanwege het ontbreken van een uitleveringsverdrag met Brazilië, hebben de autoriteiten van het Koninkrijk der Nederlanden verzocht om overdracht van de strafvervolging.

Het principe van de overname van strafvervolging is een logisch uitvloeisel van het universele beginsel aut dedere aut judiciare, dat kort gezegd neerkomt op ‘of uitleveren of vervolgen’.

Nu het niet mogelijk is de verdachten uit te leveren heeft het met deze strafzaak belaste Openbaar Ministerie ingestemd met het verzoek dat is gedaan door de centrale autoriteit van het Koninkrijk der Nederlanden en kopieën van het integrale dossier van het opsporingsonderzoek opgestuurd ten behoeve van de vervolging ten aanzien van de daders.

Op grond van het vorenstaande vordert het Federale Openbaar Ministerie, bij monde van de ondergetekende Officier van Justitie, teneinde bis in idem te voorkomen, de opschorting van de zaak.

Evenwel dient opgemerkt te worden dat het mogelijk zal zijn de zaak weer op te nemen in het geval de Nederlandse autoriteiten er niet in slagen het strafproces in gang te zetten of als de procedure niet leidt tot een eerlijk proces, zoals de gespecialiseerde rechtsleer voorschrijft.’

Voor zover de raadsvrouw heeft bedoeld te betogen dat tijdens het onderhavige strafproces in strijd wordt gehandeld met het ne bis in idem beginsel overweegt het hof als volgt.

Het hof leidt voorts uit voornoemde brief af dat op het moment dat er sprake was van overname van de zaak ‘naam zeiljacht’ door de Nederlandse autoriteiten, het onderzoek met betrekking tot de diefstal van het vaartuig ‘naam zeiljacht’ en de vermissing van slachtoffer zich in Brazilië nog in de stand van de opsporing bevond en dat zich aldaar nog geen rechter inhoudelijk over de zaak had uitgelaten. Het hof gaat er derhalve van uit dat er in Brazilië nog geen aanvang is genomen met de vervolging van de verdachte, nu ook anderszins hiervan niet is gebleken.

De zaak is vervolgens door de Nederlandse autoriteiten overgenomen teneinde het opsporingsonderzoek in Nederland voort te zetten, naar aanleiding waarvan (al dan niet) vervolging van verdachte(n) kon plaatsvinden.

Het opsporingsonderzoek in Nederland heeft geresulteerd in de vervolging van de verdachte in het onderhavige strafproces.

Onder deze omstandigheden is het hof van oordeel dat het onderhavige strafproces in Nederland de eerste vervolging van de verdachte betreft met betrekking tot de diefstal van het vaartuig ‘naam zeiljacht’ en de vermissing van slachtoffer. Er kan om die reden geen sprake kan zijn van strijd met het ne bis in idem beginsel in de onderhavige strafprocedure.

Voor zover de raadsvrouw heeft bedoeld te betogen dat op grond van voornoemde brief twijfel bestaat over de vraag of de Braziliaanse autoriteiten de verdachte mogelijk opnieuw zullen gaan vervolgen, overweegt het hof als volgt.

In artikel 14, zevende lid, van het Internationaal Verdrag inzake Burgerlijke en Politieke Rechten (New York, 1966; in werking getreden op 23 maart 1976) is het verbod vastgelegd om een persoon voor een tweede keer te berechten wegens een strafbaar feit waarvoor hij reeds overeenkomstig de wet en het procesrecht van elk land bij onherroepelijke uitspraak is veroordeeld of waarvan hij is vrijgesproken. Brazilië is in 1992 tot dit Verdrag toegetreden.

Gelet op het internationaalrechtelijke vertrouwensbeginsel kunnen de Nederlandse autoriteiten, en een in Nederland veroordeelde, er vanuit gaan dat de toegetreden landen zich hieraan committeren. Dit uitgangspunt wordt tevens in voornoemde brief door de Braziliaanse autoriteiten erkend, nu de opschorting van de zaak is bevolen, teneinde bis in idem te voorkomen.

Het verweer wordt verworpen. Het openbaar ministerie is ontvankelijk in de vervolging.

Bewezenverklaring

  1. Medeplegen van moord
  2. Diefstal door twee of meer verenigde personen

Verdachte heeft zich tezamen met zijn medeverdachte schuldig gemaakt aan de moord op slachtoffer alsmede aan de diefstal van het zeiljacht. De verdachte en zijn medeverdachte hebben daartoe met slachtoffer een afspraak gemaakt om een proefvaart te maken met het zeiljacht, onder het valse voorwendsel dat zij het zeiljacht wilden kopen. De intenties van de verdachte en zijn medeverdachte waren echter om vanuit de haven van Natal (Brazilië) weg te varen, niet meer terug te keren en rechtstreeks de oceaan over te steken naar Afrika. Op enig moment hebben zij slachtoffer van boord van het zeiljacht geduwd. Slachtoffer heeft zich nog vastgegrepen aan de reling van het zeiljacht maar de medeverdachte heeft hem daarop een mes getoond waarna hij die reling heeft losgelaten. De verdachte en zijn medeverdachte hebben kort voor zonsondergang slachtoffer aan zijn lot overgelaten op een locatie in zee waar geen kustlijn meer was waar te nemen. Van slachtoffer is nooit meer iets vernomen.

Strafoplegging

Verdachte wordt veroordeelt tot een gevangenisstraf voor de duur van 11 jaren en 6 maanden.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Proceskostenvergoeding gemachtigde afgewezen: geen sprake van beroepsmatig rechtsbijstand verlenen

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 8 mei 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:3735

Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 130,- opgelegd ter zake van “Voor het motorrijtuig van 3500 of minder heeft het keuringsbewijs zijn geldigheid verloren”, welke gedraging blijkens een registercontrole van de RDW zou zijn verricht op 8 maart 2013 met het voertuig met het kenteken.

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie in het arrondissement Overijssel genomen beslissing ongegrond verklaard en het verzoek om vergoeding van kosten afgewezen. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Tevens is verzocht om vergoeding van kosten.

In het onderhavige geval is een sanctie opgelegd ter zake van een op geautomatiseerde wijze vastgestelde gedraging, waarbij in het zaakoverzicht van het CJIB de verbalisantcode 404040 is vermeld.

Door de toepassing van de verbalisantcode 404040 is niet vast te stellen dat de sanctie is opgelegd door een bevoegde ambtenaar in de zin van artikel 3, tweede lid, van de WAHV (ECLI:NL:GHARL:2014:1236).

Dit brengt mee dat de inleidende beschikking, waarbij de sanctie is op- gelegd, niet in stand kan blijven.

Artikel 20d, vierde lid, juncto artikel 13a, eerste lid, laatste volzin, WAHV verklaart het Besluit proceskosten bestuursrecht (Besluit) van overeen- komstige toepassing. Derhalve zal het hof het kostenverzoek beoordelen aan de hand van de genoemde regeling.

Ingevolge artikel 1 van het van toepassing zijnde Besluit proceskosten be- stuursrecht kan een veroordeling in de kosten uitsluitend betrekking hebben op:

  1. kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand,
  2. kosten van een getuige of deskundige die door een partij is meegebracht of opgeroepen, dan wel van een deskundige die aan een partij verslag heeft uitgebracht,
  3. reis- en verblijfkosten van een partij,
  4. verletkosten van een partij,
  5. kosten van uittreksels uit de openbare registers, telegrammen, internationale telexen, internationale telefaxen en internationale telefoongesprekken, en
  6. kosten van het als gemachtigde optreden van een arts in zaken waarin enig wettelijk voorschrift verplicht tot tussenkomst van een gemachtigde die arts is.

Het hof dient de vraag te beantwoorden of in dit geval sprake is van beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Desgevraagd heeft de gemachtigde van de betrokkene aangegeven dat hij staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel en dat zijn activiteiten zijn gebaseerd op het vergaren van in- komen. Tevens heeft hij twee certificaten overgelegd, waaruit zijn juridische scholing blijkt.

Uit deze overgelegde informatie blijkt niet dat het verlenen van rechts- bijstand een vast onderdeel vormt van een duurzame, op het vergaren van inkomsten gerichte, taakuitoefening. Het verlenen van rechtsbijstand heeft een meer incidenteel karakter. Het hof is derhalve van oordeel dat niet spra- ke is geweest van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Het verzoek om vergoeding zal daarom worden afgewezen.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Hogere straf in hoger beroep voor verduistering verzekeringsgeld en witwassen

Voor verduistering van verzekeringsgelden en witwassen van die gelden is een 69-jarige man in hoger beroep veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden. Dit heeft het gerechtshof Amsterdam vandaag beslist. Tevens heeft het hof zijn gevangenneming gelast. De rechtbank veroordeelde de verdachte wegens oplichting en witwassen tot 12 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk. De verdachte stelde hoger beroep in. De verzekeringsgelden waren bestemd voor slachtoffers van de legionellabesmetting tijdens de Westfriese Flora in 1999.

Hogere straf

Het OM eiste in hoger beroep een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden en een werkstraf van 200 uur. De door de rechtbank opgelegde en de door het OM gevorderde straffen doen naar het oordeel van het hof onvoldoende recht aan de ernst van de feiten. Het hof komt dan ook tot oplegging van een hogere straf waarbij tevens rekening is gehouden met de LOVS-oriëntatiepunten inzake fraude.

Verduistering

Tijdens de 66e Westfriese Flora in Bovenkarspel in februari 1999 ontsnapte nevel uit de whirlpool van de rechtspersoon van de verdachte. Een aantal bezoekers werd tijdens het bezoek besmet met de legionellabacterie. De besmetting kostte 32 mensen het leven en maakte ruim 200 mensen ziek. De verdachte ontkent dat de ontsnapte nevel uit zijn whirlpool de oorzaak is geweest van de legionellabesmetting. Tijdens de Flora was de verdachte verzekerd voor het risico van aansprakelijkheid bij een schadeverzekeringsmaatschappij. De verzekeraar stelde € 453.780,- beschikbaar ten gunste van de nabestaanden en slachtoffers en maakte dit bedrag vermeerderd met een vergoeding voor kosten rechtsbijstand en rentevergoeding, in totaal € 577.724,11, aan hem over. De verdachte vindt dat er naar zijn oordeel niets te bewijzen valt en keert daarom niet uit aan de nabestaanden en slachtoffers. Hij wendt het geld aan in strijd met de met de verzekeraar gemaakte afspraken. Het hof is van oordeel dat hij zich door het toe-eigenen van het overgemaakte geld schuldig heeft gemaakt aan verduistering.

Witwassen

Vrijwel onmiddellijk nadat hij het geld van de verzekeraar heeft ontvangen, heeft hij het totale bedrag in delen naar andere aan hem toebehorende bankrekeningen overgeboekt. In de periode vanaf november 2002 heeft hij deze bedragen vervolgens diverse keren tussen zijn bankrekeningen bij verschillende banken heen en weer geboekt en privéuitgaven en opnames verricht. Uiteindelijk blijkt dat het oorspronkelijke geldbedrag afkomstig van de verzekeraar, nadat dit is vermengd met privégelden of gelden van verschillende aan de verdachte toebehorende bedrijven, niet meer op enig te achterhalen rekening aanwezig is. Hij heeft  ter terechtzitting in hoger beroep bevestigd dat het totale geldbedrag weg is en dat geen enkele uitkering is gedaan aan slachtoffers van de legionellabesmetting tijdens de West-Friese Flora in 1999.

Gelet hierop is het hof van oordeel dat de verdachte handelingen heeft verricht die erop waren gericht om het overgemaakte geldbedrag veilig te stellen door dit via zijn rekeningen over te boeken en uitgaven en opnamen te doen. Hij heeft hij dit geldbedrag niet slechts voorhanden gehad, maar zijn gedragingen waren (kennelijk) ook gericht op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de herkomst van dit geldbedrag. De verdachte heeft zich aldus schuldig gemaakt aan witwassen.

Print Friendly and PDF ^

Ten laste van de wettelijke vertegenwoordigster van de minderjarige kinderen onder de notaris strafvorderlijk beslag doen leggen

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 29 maart 2007, ECLI:NL:GHSHE:2007:2758 (gepubliceerd op 6 juni 2014)

Het betreft hier een klaagschrift ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering tegen een op 14 december 2004 gelegd beslag.

Het gaat in deze zaak om het volgende. Op 26 september 2002 is erflater overleden. Bij testament heeft erflater zijn minderjarig kind als enig erfgenaam aangewezen. Na een daartoe strekkend verzoek van wettelijk vertegenwoordigster is door de Rechtbank te Maastricht bij beschikking van 24 september 2003 vastgesteld dat erflater ook de vader is van haar kind (klager). Op grond daarvan is in de “akte van erfrecht en volmacht” van 3 februari 2004, opgemaakt door de notaris, opgenomen dat de beide kinderen ieder voor de helft erfgenaam van erflater zijn.

Erflater heeft een vermogen van 874.874,99 euro nagelaten. Dit bedrag staat op een derdengeldrekening van voornoemde notaris. Het openbaar ministerie stelt zich op het standpunt dat het vermogen van erflater een criminele herkomst heeft. Op grond daarvan heeft het op 14 december 2004 ten laste van de wettelijke vertegenwoordigster van ieder van de beide minderjarige kinderen onder de notaris strafvorderlijk beslag doen leggen. Het openbaar ministerie heeft daartoe gesteld dat de beide wettelijke vertegenwoordigsters zich door aanvaarding van de erfenis schuldig hebben gemaakt aan witwassen in de zin van artikel 420bis Sr. Het beslag is gelegd met het oog op een eventuele op te leggen verbeurdverklaring, geldboete of maatregel ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel in of naar aanleiding van een strafzaak tegen de wettelijke vertegenwoordigsters.

De beoordeling

Het gaat hier om een beslag in de zin van artikel 94 Sv dat is gelegd onder een notaris ten laste van de wettelijke vertegenwoordigster op een vordering die de minderjarige erfgenaam op de notaris heeft tot betaling van het geldbedrag dat hem uit hoofde van zijn erfdeel toekomt, met het oog op de mogelijke verbeurdverklaring in een tegen de wettelijke vertegenwoordigster in te stellen strafprocedure, alsmede om een beslag in de zin van artikel 94a Sv. In het geval dat een derde/niet-beslagene – hier de minderjarige klager – zich daartegen keert, stellende dat het zijn vordering is, dient de rechter die over het beslag heeft te oordelen, na te gaan of zich het geval voordoet dat buiten redelijke twijfel staat dat die derde als rechthebbende van het inbeslaggenomene moet worden aangemerkt. Indien dat het geval is, dient het vorderingsrecht van de klager te worden gerespecteerd.

Dat is slechts anders als zich het geval voordoet als bedoeld in artikel 33a, tweede lid aanhef en onder a Sr of een van de gevallen genoemd in artikel 94a, derde en vierde lid Sv.

Gelet op de tekst van artikel 33a, tweede lid aanhef en onder a, Sr en de artikelen 94, tweede lid en artikel 94a, derde en vierde lid Sv is bepalend op welk moment klager geacht kan worden de nalatenschap van zijn vader te hebben verkregen en voorts of hij op dat moment, kort gezegd, bekendheid c.q. wetenschap had of kon hebben dat deze nalatenschap of delen daarvan van misdrijf afkomstig was/waren.

Het moment van verkrijging van de nalatenschap door klager moet naar het oordeel van het hof worden gesteld op 24 september 2003. Dit is de datum van de beschikking van de rechtbank Maastricht waarbij in het kader van een vaderschapsaktie door de rechtbank is bepaald dat erflater de vader van klager is. Door deze uitspraak heeft klager erfrechtelijke aanspraken op de nalatenschap van erflater verworven. Dat deze aanspraken krachtens bepalingen van erfrecht terugwerken tot de datum van overlijden van erflater doet aan deze verwerving op 24 september 2003 niet af.

Ter zitting van het hof is klager gehoord. Uit hetgeen hij het hof heeft verklaard omtrent zijn bekendheid/wetenschap met de herkomst van de door hem ontvangen erfenis noch uit andere processtukken is af te leiden dat hij voor 24 september 2003 bekendheid c.q. wetenschap had of kon hebben dat de nalatenschap of delen daarvan van misdrijf afkomstig was/waren.

Nu aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 33a, tweede lid aanhef en onder a Sr en de artikelen 94, tweede lid en artikel 94a, derde en vierde lid Sv niet kan worden voldaan dient het beklag gegrond te worden verklaard en dient klagers erfdeel in de nalatenschap van zijn vader aan klager te worden teruggegeven.

Het hof verklaart het beklag gegrond.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

De verdachte heeft in een periode van ruim twaalf maanden twee ton gestolen van zijn werkgever, een scholengemeenschap

Gerechtshof Den Haag 6 juni 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:1870

De verdachte is op 1 november 2006 in dienst getreden van de Openbare Scholengemeenschap A, ressorterend onder Stichting B in de functie van hoofd administratie en beheerde de financiële boekhouding van de school. De verdachte was tezamen met de aangever C, een adjunct-directeur van de school, geautoriseerd tot het doen van overboekingen en betalingen.

De school had vijf bankrekeningen, waaronder een Postbankrekening, een rekening bij de Bank der Nederlandse Gemeenten (BNG) en een rekening bij de Fortisbank met nummer nummer bankrekening. In de periode van 3 januari 2007 tot en met 16 februari 2008 is met de bankpas nummer 017, toebehorende aan de adjunct-directeur en behorende bij de rekening van de Fortisbank, een bedrag van € 206.850,- gepind van de Fortis bankrekening van de school. In totaal is 159 keer gepind, bijna iedere keer een bedrag van € 1.250,- per opname.

De verdachte heeft vanaf de Postbankrekening en de BNG-rekening bedragen, telkens tussen 9.500 en 25.000 euro, overgeboekt naar de Fortis-rekening.

Het hof overweegt als volgt.

Uit de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, inhoudende dat hij de pinpas met nummer 017 en het briefje waarop de daarbij behorende pincode stond op enig moment in de kluis van de school heeft gezien, vloeit voort dat hij toegang heeft gehad tot deze pinpas en daarbij behorende pincode.

Voorts constateert het hof dat de adressen waar de pinopnames hebben plaatsgevonden, onder andere in Spijkenisse, Ridderkerk, Rhoon, Rotterdam en Middelburg, passen bij locaties waar de verdachte in zijn privéleven kwam, te weten zijn woonplaats gemeente U, het adres van zijn schoonouders aan de adres V in de gemeente W en in de periode van 4 tot en met 23 augustus 2007 zijn vakantie-adres in provincie X, alsmede bij de route van zijn woonplaats gemeente U naar de school in gemeente Y.

Bovendien blijkt uit de zendmastgegevens van de telefoon van de verdachte in de periode van 3 januari 2007 tot en met 1 maart 2008 dat deze gegevens overeenkomsten vertonen met de locaties waar de pinopnames hebben plaatsgevonden en de aanwezigheid van de verdachte op die locaties geen enkele keer uitsluiten. Daarbij hecht het hof bijzondere waarde aan de opnames die in gemeente Z hebben plaatsgevonden, in een periode waarin de verdachte in provincie X op vakantie was, waarbij opvalt dat op de voorlaatste dag van de vakantie is gepind in gemeente V, welk gegeven verklaarbaar is gezien de verklaring van de verdachte dat hij vóór het einde van de vakantie een keer op en neer is gereden naar huis om alvast spullen weg te brengen.

Het hof neemt voorts in aanmerking dat het patroon van de overschrijvingen van de BNG-rekening en de Postbankrekening naar de Fortis-rekening correspondeert met het patroon van de pinopnames.

De verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep dat hij geen bedragen kon overboeken zonder goedkeuring van de adjunct-directeur, vindt naar het oordeel van het hof alleen daarom al geen steun in het dossier, nu de verdachte zelf ten overstaan van de politie heeft verklaard dat hij op eigen initiatief de BNG-rekening heeft afgeroomd naar de Fortis-rekening en dat de adjunct-directeur hier achteraf goedkeuring voor heeft gegeven. Dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep op deze verklaring is teruggekomen, kan hieraan niet afdoen. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de adjunct-directeur heeft verklaard dat deze overschrijvingen (en de pinopnames) zonder zijn goedkeuring zijn geschied.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging voorts aangevoerd dat andere personen niet kunnen worden uitgesloten als pleger van het tenlastegelegde feit. Naar het oordeel van het hof biedt het dossier evenwel geen aanknopingspunten voor de stelling dat andere personen dan de verdachte het ten laste gelegde hebben begaan.

Voorts heeft de verdediging in aanvulling op de pleitnotities nog betoogd dat de verdachte een alibi heeft voor de pintransactie op 14 september 2007, omdat hij die dag van 14.00 uur tot 15.30 uur een overleg had met dhr. betrokkene D. Het hof acht niet aannemelijk dat dit overleg is doorgegaan, gelet op de verklaring van de getuige getuige E, inhoudende dat dit gesprek wel gepland was, maar niet tussen deze tijdstippen heeft kunnen plaatsvinden aangezien dhr. betrokkene D op deze tijdstippen andere bezigheden had.

Op grond van het voorgaande acht het hof bewezen dat de verdachte zonder dat hij daartoe was gerechtigd pinopnames heeft verricht.

Bewezenverklaring

Diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Het hof veroordeelt taxateur wegens het valselijk opmaken en afleveren van een taxatierapport. Verwerping verweer specialis artikel 69 lid 4 AWR.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 20 mei 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:4319

Ontvankelijkheid OM

De verdediging heeft betoogd dat gelet op artikel 69, vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard voor feit 2 (het hof begrijpt: het ten laste gelegde feit na en/of) nu er sprake is van – kort gezegd - het gebruik maken van een vals stuk dat onder meer zou dienen als grondslag voor de overdrachtbelasting.

Het hof overweegt hieromtrent dat het vierde lid van artikel 69 AWR bepaalt dat strafvervolging op grond van artikel 225, tweede lid, Sr is uitgesloten indien een feit zowel valt onder een van de bepalingen van artikel 69, eerste of tweede lid, AWR, als onder die van artikel 225, twee lid, Sr. Het hof is van oordeel dat het ten laste gelegde feit niet valt onder een van de bepalingen van artikel 69, eerste of tweede lid, AWR. Het hof verwerpt derhalve dit verweer.

Feiten

De belastingdienst heeft in het kader van de landelijke actie “Nokvorst” uit de kadastergegevens aangaande aan- en verkopen vastgoed een opvallende transactie door betrokkene 1 geselecteerd voor onderzoek vanwege een hoog prijsverschil. Het betreft de juridische verkrijging door betrokkene 1 in privé op 21 april 2005 van percelen grond aan de adres in de ‘locatie’ te plaats waarbij die grond werd gewaardeerd op € 2.200.000 en de verkoop ervan op 29 december 2005 aan een besloten vennootschap van betrokkene 1 voor een bedrag van € 8.260.000.

Op verzoek of in opdracht van betrokkene 1 is ten aanzien van de bovengenoemde percelen een aantal taxatierapporten opgemaakt en wel op 1 juli 2003, 13 april 2005, 1 december 2005 en 2 december 2005.

In het taxatierapport d.d. 1 juli 2003, opgemaakt door onder andere verdachte, is de waarde van de percelen grond vastgesteld op € 7.620.000.

In het – in de tenlastelegging genoemde – taxatierapport d.d. 13 april 2005, opgemaakt door verdachte, is de waarde van de percelen grond vastgesteld op € 2.200.000.

In het taxatierapport d.d. 1 december 2005, opgemaakt door betrokkene 2 van bedrijf (bij welke onderneming deze opdracht via verdachte was bin- nengekomen), is de waarde van de percelen grond vastgesteld op € 8.260.000.

In het taxatierapport d.d. 2 december 2005, opgemaakt door verdachte, is de waarde van de percelen grond vastgesteld op € 8.285.000.

De rechtbank en de advocaat-generaal zijn van oordeel dat verdachte het taxatierapport vals heeft opgemaakt, omdat de waarde van € 2.200.000 te laag is, gelet op de waarden in de andere rapporten en gelet op het feit dat een waardestijging vanaf 2003 in de lijn der verwachting zou liggen, gezien de stand van zaken in het besluitvormingsproces inzake de realisering van bouwmogelijkheden op de grond in de locatie op dat moment.

De verdediging heeft betoogd dat de verschillen tussen de rapporten verklaarbaar zijn omdat andere uitgangspunten zijn gehanteerd. De rapporten van juli 2003 en december 2005 betreffen taxaties onder bijzondere aannames, uitgaande van een toekomstig (bebouwings)scenario. De taxatie van 13 april 2005 is de enige taxatie waarin reëel naar de waarde van het perceel op die datum is gekeken, aldus de verdediging.

Met de verdediging gaat het hof er van uit dat de taxaties van juli 2003 en december 2005 taxaties onder bijzondere aannames betreffen, waarbij bepaalde risico’s zijn geëlimineerd. Dat betekent in casu dat in die rapporten ervan uit is gegaan dat op het perceel zeker bebouwing gaat plaatsvinden en wel binnen een bepaalde termijn. Het hof gaat er - eveneens met de ver- dediging - van uit dat het taxatierapport van 13 april 2005 een waardering naar de waarde in het economisch verkeer is zonder eliminatie van bedoelde risico’s.

Het hof is echter anders dan de verdediging van oordeel dat, ook als er van wordt uitgegaan dat de rapporten van juli 2003 en december 2005 enerzijds en het rapport van 13 april 2005 anderzijds zijn gebaseerd op verschillende uitgangspunten, de waarde genoemd in het rapport van 13 april 2005 on- verklaarbaar laag is. Het enorme verschil tussen de door verdachte gedane taxaties van € 2.200.000 op 13 april 2005 en € 8.285.000 op 2 december 2005 kan niet uitsluitend worden verklaard door de eliminatie van de risico’s in het rapport van 2 december 2005. De percelen moeten naar het oordeel van het hof in april 2005 aanzienlijk meer waard zijn geweest dan € 2.200.000. Dat wordt bevestigd door het taxatierapport van de belastingdienst van 16 januari 2009. In dat rapport is de waarde in het economisch verkeer van de percelen per 21 april 2005 geschat op € 6.800.000. Dat is naar het oordeel van het hof een meer realistische waardering van de percelen grond. Het vorenstaande kan, in samenhang bezien met de overige gedingstukken en de door verdachte gegeven verklaringen, tot geen andere conclusie leiden dan dat waarde van € 2.200.000, opgenomen in het rapport van 13 april 2005, in strijd met de waarheid is, dat verdachte zich daarvan bewust is geweest en dat het rapport in zoverre opzettelijk valselijk is opgemaakt.

Bewezenverklaring

  • valsheid in geschrift
  • opzettelijk een geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, afleveren, terwijl hij weet dat dit geschrift bestemd is voor gebruik als ware het echt en onvervalst.

Strafoplegging

Verdachte heeft in zijn hoedanigheid van taxateur opzettelijk een taxatierapport valselijk opgemaakt. In dat rapport is een waarde van de in de tenlastelegging genoemde percelen opgenomen die veel lager is dan de werkelijke waarde. Verdachte wist dat zijn taxatierapport gebruikt zou worden door de notaris voor de juridische levering aan betrokkene 1 en ter bepaling van de hoogte van de overdrachtsbelasting. Mede door toedoen van verdachte is de belastingdienst benadeeld voor een bedrag in de orde van grootte van € 250.000 aan overdrachtsbelasting. Verdachte heeft door zijn handelen misbruik gemaakt van het vertrouwen dat zowel in een (register)- taxateur als in taxatierapporten moet kunnen worden gesteld. Het hof rekent dat verdachte zwaar aan. In beginsel zou een dergelijk handelen moeten leiden tot het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een voorwaardelijke gevangenis- straf voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van twee jaar.

Daarnaast wordt verdachte veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 200 uren.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^