Ten laste van de wettelijke vertegenwoordigster van de minderjarige kinderen onder de notaris strafvorderlijk beslag doen leggen

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 29 maart 2007, ECLI:NL:GHSHE:2007:2758 (gepubliceerd op 6 juni 2014)

Het betreft hier een klaagschrift ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering tegen een op 14 december 2004 gelegd beslag.

Het gaat in deze zaak om het volgende. Op 26 september 2002 is erflater overleden. Bij testament heeft erflater zijn minderjarig kind als enig erfgenaam aangewezen. Na een daartoe strekkend verzoek van wettelijk vertegenwoordigster is door de Rechtbank te Maastricht bij beschikking van 24 september 2003 vastgesteld dat erflater ook de vader is van haar kind (klager). Op grond daarvan is in de “akte van erfrecht en volmacht” van 3 februari 2004, opgemaakt door de notaris, opgenomen dat de beide kinderen ieder voor de helft erfgenaam van erflater zijn.

Erflater heeft een vermogen van 874.874,99 euro nagelaten. Dit bedrag staat op een derdengeldrekening van voornoemde notaris. Het openbaar ministerie stelt zich op het standpunt dat het vermogen van erflater een criminele herkomst heeft. Op grond daarvan heeft het op 14 december 2004 ten laste van de wettelijke vertegenwoordigster van ieder van de beide minderjarige kinderen onder de notaris strafvorderlijk beslag doen leggen. Het openbaar ministerie heeft daartoe gesteld dat de beide wettelijke vertegenwoordigsters zich door aanvaarding van de erfenis schuldig hebben gemaakt aan witwassen in de zin van artikel 420bis Sr. Het beslag is gelegd met het oog op een eventuele op te leggen verbeurdverklaring, geldboete of maatregel ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel in of naar aanleiding van een strafzaak tegen de wettelijke vertegenwoordigsters.

De beoordeling

Het gaat hier om een beslag in de zin van artikel 94 Sv dat is gelegd onder een notaris ten laste van de wettelijke vertegenwoordigster op een vordering die de minderjarige erfgenaam op de notaris heeft tot betaling van het geldbedrag dat hem uit hoofde van zijn erfdeel toekomt, met het oog op de mogelijke verbeurdverklaring in een tegen de wettelijke vertegenwoordigster in te stellen strafprocedure, alsmede om een beslag in de zin van artikel 94a Sv. In het geval dat een derde/niet-beslagene – hier de minderjarige klager – zich daartegen keert, stellende dat het zijn vordering is, dient de rechter die over het beslag heeft te oordelen, na te gaan of zich het geval voordoet dat buiten redelijke twijfel staat dat die derde als rechthebbende van het inbeslaggenomene moet worden aangemerkt. Indien dat het geval is, dient het vorderingsrecht van de klager te worden gerespecteerd.

Dat is slechts anders als zich het geval voordoet als bedoeld in artikel 33a, tweede lid aanhef en onder a Sr of een van de gevallen genoemd in artikel 94a, derde en vierde lid Sv.

Gelet op de tekst van artikel 33a, tweede lid aanhef en onder a, Sr en de artikelen 94, tweede lid en artikel 94a, derde en vierde lid Sv is bepalend op welk moment klager geacht kan worden de nalatenschap van zijn vader te hebben verkregen en voorts of hij op dat moment, kort gezegd, bekendheid c.q. wetenschap had of kon hebben dat deze nalatenschap of delen daarvan van misdrijf afkomstig was/waren.

Het moment van verkrijging van de nalatenschap door klager moet naar het oordeel van het hof worden gesteld op 24 september 2003. Dit is de datum van de beschikking van de rechtbank Maastricht waarbij in het kader van een vaderschapsaktie door de rechtbank is bepaald dat erflater de vader van klager is. Door deze uitspraak heeft klager erfrechtelijke aanspraken op de nalatenschap van erflater verworven. Dat deze aanspraken krachtens bepalingen van erfrecht terugwerken tot de datum van overlijden van erflater doet aan deze verwerving op 24 september 2003 niet af.

Ter zitting van het hof is klager gehoord. Uit hetgeen hij het hof heeft verklaard omtrent zijn bekendheid/wetenschap met de herkomst van de door hem ontvangen erfenis noch uit andere processtukken is af te leiden dat hij voor 24 september 2003 bekendheid c.q. wetenschap had of kon hebben dat de nalatenschap of delen daarvan van misdrijf afkomstig was/waren.

Nu aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 33a, tweede lid aanhef en onder a Sr en de artikelen 94, tweede lid en artikel 94a, derde en vierde lid Sv niet kan worden voldaan dient het beklag gegrond te worden verklaard en dient klagers erfdeel in de nalatenschap van zijn vader aan klager te worden teruggegeven.

Het hof verklaart het beklag gegrond.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF