Slachtoffer over boord in Atlantische oceaan: Rechtsmacht & Ne bis in idem

Gerechtshof Den Haag 17 juni 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:2002

Aan de verdachte is onder 1 primair tenlastegelegd dat hij – kort en zakelijk weergegeven – tezamen met zijn medeverdachte persoon, te weten slachtoffer, tussen 12 juli 2005 en 31 juli 2005 met voorbedachte rade van het leven heeft beroofd, door die persoon ergens op het vaartraject tussen de kust van Natal (Brazilië) en de kust van Sierra Leone (Afrika) van boord van het zeiljacht ‘de naam zeiljacht’ te duwen, hem onder bedreiging van een mes te dwingen de reling van het zeiljacht los te laten, en vervolgens die persoon aan zijn lot over te laten, ten gevolge waarvan die persoon is overleden. Verdachte wordt ook verwijt dat hij het zeiljacht waar dit op zou hebben plaatsgevonden zou hebben gestolen.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging

Rechtsmacht

Het hof heeft met betrekking tot de vraag of Nederland rechtsmacht heeft ten aanzien van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, en daarmee de vraag of ter zake van die feiten het openbaar ministerie in dat verband ontvankelijk is in de vervolging, het volgende overwogen.

Uit de hiernavolgende overwegingen zal blijken dat het hof niet kan vaststellen waar precies op zee slachtoffer overboord is geduwd. Inherent aan dit gegeven is dat niet valt vast te stellen of dit feit nog binnen de territoriale wateren van Brazilië is gepleegd of dat dit daarbuiten heeft plaatsgevonden, hetgeen van belang is met betrekking tot de vraag of Nederland rechtsmacht heeft om over de onderhavige zaak te oordelen.

Indien er vanuit wordt gegaan dat de feiten binnen de territoriale wateren van Brazilië hebben plaatsgevonden, dan heeft Nederland rechtsmacht op grond van het in artikel 5, lid 1 aanhef en onder 2 van het Wetboek van Strafrecht bepaalde. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat aan de eis van dubbele strafbaarheid in casu is voldaan, nu moet worden aangenomen dat op moord c.q. doodslag en diefstal ook in Brazilië straf is gesteld.

Indien er vanuit wordt gegaan dat feit 1 buiten de territoriale wateren van Brazilië heeft plaatsgevonden, dan heeft Nederland ten aanzien van dit feit rechtsmacht op grond van artikel 4 aanhef en sub 8 onder a van het Wetboek van Strafrecht.

Voor wat betreft het onder 2 ten laste gelegde is het van belang dat uit het dossier niet blijkt dat de naam zeiljacht voer onder Braziliaanse vlag, althans gerechtigd was die vlag te voeren. Derhalve kan niet worden vastgesteld dat Nederland op grond van het vlaggenbeginsel en het actief nationaliteitsbeginsel (artikel 5 Wetboek van Strafrecht) rechtsmacht heeft ten aanzien van de diefstal van het zeiljacht de naam zeiljacht, voor zover het openbaar ministerie heeft ten laste gelegd dat dit feit zou zijn begaan “in de Atlantische Oceaan buiten de territoriale wateren, althans op het vaartraject op de (Atlantische) Oceaan tussen Brazilië en Sierra Leone”. Ten aanzien van dat onderdeel van het tweede feit is het openbaar ministerie niet-ontvankelijk.

Gelet op het voorgaande kan worden aangenomen dat Nederland in deze zaak – met inachtneming van hetgeen te dien aanzien is opgemerkt met betrekking tot feit 2 - rechtsmacht heeft en dat het openbaar ministerie op dit punt ontvankelijk is in de vervolging.

Ne bis in idem

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw namens de verdachte het verweer gevoerd dat – zoals vervat in haar pleitnota en hier in de kern weergegeven – het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard vanwege strijd met het ne bis in idem beginsel. De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd niet valt uit te sluiten dat de verdachte in Brazilië opnieuw vervolgd zal worden wegens het onderhavig feit.

Het hof heeft in dit verband acht geslagen op de brief van 15 december 2008, te Natal opgemaakt en ondertekend door de officier van justitie naam, met kenmerk: opsporingsonderzoek nr. 2006.84.00.006544-8, waarvan de Nederlandse vertaling is gevoegd in het algemeen dossier 0/OPV/D op p. 21 e.v., welke onder meer het volgende inhoudt:

‘Het betreft een opsporingsonderzoek inzake de diefstal van het vaartuig genaamd ‘naam zeiljacht’ en de vermissing van de matroos slachtoffer. Kort samengevat komen de feiten op het volgende neer. Het zeiljacht lag te koop op de ligplaats in de Jachtclub van Natal. Op 12.07.2005 zijn twee Nederlanders (die later zijn geïdentificeerd als naam en een persoon die bekend staat als naam) samen met de Braziliaan slachtoffer vertrokken voor een zogenaamde proefvaart, die in werkelijkheid heeft geleid tot diefstal van het vaartuig en de vermissing van slachtoffer.

Het onderzoek wordt thans uitgevoerd door de Federale Politie in het kader van het opsporingsonderzoek dat is toegewezen aan de 2e Rechtbank van de Federale Juridische Afdeling van Rio Grande do Norte.

Aangezien uitlevering van de verdachten niet mogelijk is vanwege het ontbreken van een uitleveringsverdrag met Brazilië, hebben de autoriteiten van het Koninkrijk der Nederlanden verzocht om overdracht van de strafvervolging.

Het principe van de overname van strafvervolging is een logisch uitvloeisel van het universele beginsel aut dedere aut judiciare, dat kort gezegd neerkomt op ‘of uitleveren of vervolgen’.

Nu het niet mogelijk is de verdachten uit te leveren heeft het met deze strafzaak belaste Openbaar Ministerie ingestemd met het verzoek dat is gedaan door de centrale autoriteit van het Koninkrijk der Nederlanden en kopieën van het integrale dossier van het opsporingsonderzoek opgestuurd ten behoeve van de vervolging ten aanzien van de daders.

Op grond van het vorenstaande vordert het Federale Openbaar Ministerie, bij monde van de ondergetekende Officier van Justitie, teneinde bis in idem te voorkomen, de opschorting van de zaak.

Evenwel dient opgemerkt te worden dat het mogelijk zal zijn de zaak weer op te nemen in het geval de Nederlandse autoriteiten er niet in slagen het strafproces in gang te zetten of als de procedure niet leidt tot een eerlijk proces, zoals de gespecialiseerde rechtsleer voorschrijft.’

Voor zover de raadsvrouw heeft bedoeld te betogen dat tijdens het onderhavige strafproces in strijd wordt gehandeld met het ne bis in idem beginsel overweegt het hof als volgt.

Het hof leidt voorts uit voornoemde brief af dat op het moment dat er sprake was van overname van de zaak ‘naam zeiljacht’ door de Nederlandse autoriteiten, het onderzoek met betrekking tot de diefstal van het vaartuig ‘naam zeiljacht’ en de vermissing van slachtoffer zich in Brazilië nog in de stand van de opsporing bevond en dat zich aldaar nog geen rechter inhoudelijk over de zaak had uitgelaten. Het hof gaat er derhalve van uit dat er in Brazilië nog geen aanvang is genomen met de vervolging van de verdachte, nu ook anderszins hiervan niet is gebleken.

De zaak is vervolgens door de Nederlandse autoriteiten overgenomen teneinde het opsporingsonderzoek in Nederland voort te zetten, naar aanleiding waarvan (al dan niet) vervolging van verdachte(n) kon plaatsvinden.

Het opsporingsonderzoek in Nederland heeft geresulteerd in de vervolging van de verdachte in het onderhavige strafproces.

Onder deze omstandigheden is het hof van oordeel dat het onderhavige strafproces in Nederland de eerste vervolging van de verdachte betreft met betrekking tot de diefstal van het vaartuig ‘naam zeiljacht’ en de vermissing van slachtoffer. Er kan om die reden geen sprake kan zijn van strijd met het ne bis in idem beginsel in de onderhavige strafprocedure.

Voor zover de raadsvrouw heeft bedoeld te betogen dat op grond van voornoemde brief twijfel bestaat over de vraag of de Braziliaanse autoriteiten de verdachte mogelijk opnieuw zullen gaan vervolgen, overweegt het hof als volgt.

In artikel 14, zevende lid, van het Internationaal Verdrag inzake Burgerlijke en Politieke Rechten (New York, 1966; in werking getreden op 23 maart 1976) is het verbod vastgelegd om een persoon voor een tweede keer te berechten wegens een strafbaar feit waarvoor hij reeds overeenkomstig de wet en het procesrecht van elk land bij onherroepelijke uitspraak is veroordeeld of waarvan hij is vrijgesproken. Brazilië is in 1992 tot dit Verdrag toegetreden.

Gelet op het internationaalrechtelijke vertrouwensbeginsel kunnen de Nederlandse autoriteiten, en een in Nederland veroordeelde, er vanuit gaan dat de toegetreden landen zich hieraan committeren. Dit uitgangspunt wordt tevens in voornoemde brief door de Braziliaanse autoriteiten erkend, nu de opschorting van de zaak is bevolen, teneinde bis in idem te voorkomen.

Het verweer wordt verworpen. Het openbaar ministerie is ontvankelijk in de vervolging.

Bewezenverklaring

  1. Medeplegen van moord
  2. Diefstal door twee of meer verenigde personen

Verdachte heeft zich tezamen met zijn medeverdachte schuldig gemaakt aan de moord op slachtoffer alsmede aan de diefstal van het zeiljacht. De verdachte en zijn medeverdachte hebben daartoe met slachtoffer een afspraak gemaakt om een proefvaart te maken met het zeiljacht, onder het valse voorwendsel dat zij het zeiljacht wilden kopen. De intenties van de verdachte en zijn medeverdachte waren echter om vanuit de haven van Natal (Brazilië) weg te varen, niet meer terug te keren en rechtstreeks de oceaan over te steken naar Afrika. Op enig moment hebben zij slachtoffer van boord van het zeiljacht geduwd. Slachtoffer heeft zich nog vastgegrepen aan de reling van het zeiljacht maar de medeverdachte heeft hem daarop een mes getoond waarna hij die reling heeft losgelaten. De verdachte en zijn medeverdachte hebben kort voor zonsondergang slachtoffer aan zijn lot overgelaten op een locatie in zee waar geen kustlijn meer was waar te nemen. Van slachtoffer is nooit meer iets vernomen.

Strafoplegging

Verdachte wordt veroordeelt tot een gevangenisstraf voor de duur van 11 jaren en 6 maanden.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF