Proceskostenvergoeding gemachtigde afgewezen: geen sprake van beroepsmatig rechtsbijstand verlenen

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 8 mei 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:3735

Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 130,- opgelegd ter zake van “Voor het motorrijtuig van 3500 of minder heeft het keuringsbewijs zijn geldigheid verloren”, welke gedraging blijkens een registercontrole van de RDW zou zijn verricht op 8 maart 2013 met het voertuig met het kenteken.

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie in het arrondissement Overijssel genomen beslissing ongegrond verklaard en het verzoek om vergoeding van kosten afgewezen. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Tevens is verzocht om vergoeding van kosten.

In het onderhavige geval is een sanctie opgelegd ter zake van een op geautomatiseerde wijze vastgestelde gedraging, waarbij in het zaakoverzicht van het CJIB de verbalisantcode 404040 is vermeld.

Door de toepassing van de verbalisantcode 404040 is niet vast te stellen dat de sanctie is opgelegd door een bevoegde ambtenaar in de zin van artikel 3, tweede lid, van de WAHV (ECLI:NL:GHARL:2014:1236).

Dit brengt mee dat de inleidende beschikking, waarbij de sanctie is op- gelegd, niet in stand kan blijven.

Artikel 20d, vierde lid, juncto artikel 13a, eerste lid, laatste volzin, WAHV verklaart het Besluit proceskosten bestuursrecht (Besluit) van overeen- komstige toepassing. Derhalve zal het hof het kostenverzoek beoordelen aan de hand van de genoemde regeling.

Ingevolge artikel 1 van het van toepassing zijnde Besluit proceskosten be- stuursrecht kan een veroordeling in de kosten uitsluitend betrekking hebben op:

  1. kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand,
  2. kosten van een getuige of deskundige die door een partij is meegebracht of opgeroepen, dan wel van een deskundige die aan een partij verslag heeft uitgebracht,
  3. reis- en verblijfkosten van een partij,
  4. verletkosten van een partij,
  5. kosten van uittreksels uit de openbare registers, telegrammen, internationale telexen, internationale telefaxen en internationale telefoongesprekken, en
  6. kosten van het als gemachtigde optreden van een arts in zaken waarin enig wettelijk voorschrift verplicht tot tussenkomst van een gemachtigde die arts is.

Het hof dient de vraag te beantwoorden of in dit geval sprake is van beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Desgevraagd heeft de gemachtigde van de betrokkene aangegeven dat hij staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel en dat zijn activiteiten zijn gebaseerd op het vergaren van in- komen. Tevens heeft hij twee certificaten overgelegd, waaruit zijn juridische scholing blijkt.

Uit deze overgelegde informatie blijkt niet dat het verlenen van rechts- bijstand een vast onderdeel vormt van een duurzame, op het vergaren van inkomsten gerichte, taakuitoefening. Het verlenen van rechtsbijstand heeft een meer incidenteel karakter. Het hof is derhalve van oordeel dat niet spra- ke is geweest van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Het verzoek om vergoeding zal daarom worden afgewezen.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF