Gebruik voor bewijs van verklaring niet gehoorde getuige

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 19 juni 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:1817

De raadsman heeft in casu betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de tenlastegelegde feiten, nu de verdediging niet de mogelijkheid heeft gehad om de voor de verdachte belastende verklaringen van medeverdachte 1 te toetsen, zodat bewijsuitsluiting moet volgen, en deze verklaringen bovendien niet betrouwbaar zijn en niet, althans in onvoldoende mate, worden ondersteund door ander bewijs.

Het hof verwerpt het verweer en overweegt dienaangaande als volgt.

Anders dan de verdediging en met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat de verklaringen van medeverdachte 1 waarin hij de verdachte belast niet behoeven te worden uitgesloten voor het bewijs, aangezien het enkele feit dat medeverdachte 1, hoewel meerdere keren opgeroepen al dan niet met bevel tot medebrenging, niet als getuige in de zaak tegen verdachte is verschenen, niet impliceert dat er onvoldoende mogelijkheden bestaan om de bedoelde verklaringen op betrouwbaarheid te toetsen.

Het hof heeft daarbij gelet op het volgende. Na aanvankelijk te hebben ontkend iets met de diefstal van de BMW op 5 augustus 2011 te maken te hebben gehad, heeft medeverdachte 1 - nadat hij door de politie wordt geconfronteerd met videobeelden bij een tankstation waarop te zien is dat hij met de bewuste BMW heeft getankt (pg. 8 en 11) - bekend betrokken te zijn geweest bij die diefstal. Op 20 augustus 2011 en 15 september 2011 heeft medeverdachte 1 tegenover de politie gedetailleerd over de diefstal gesproken en verklaard dat hij die in opdracht van verdachte heeft gepleegd. De bekennende verklaringen van medeverdachte 1 stroken voor wat betreft het verloop van de diefstal op belangrijke punten met de aangifte van slachtoffer. Voorts vinden de verklaringen van medeverdachte 1 steun in de bewijsmiddelen zoals hiervoor weergegeven.

Ten aanzien van de door de raadsman aangevoerde argumenten ter ondersteuning van diens stelling dat de verklaringen van medeverdachte 1 onbetrouwbaar zijn, zoals weergegeven in het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 5 juni 2014, overweegt het hof nog als volgt.

Dat medeverdachte 1 niet uit zichzelf heeft verklaard, maar eerst toen hij geconfronteerd werd met de camerabeelden bij het tankstation, en dat hij in zijn verklaring tracht de verantwoordelijkheid voor zijn gedrag bij anderen neer te leggen, doet aan de betrouwbaarheid van zijn verklaring niet af en wil niet zeggen dat hetgeen hij heeft verklaard over de betrokkenheid van die anderen niet waar zou zijn.

De enkele ontkenning van medeverdachte 2 dat hij bij de diefstal betrokken is en de omstandigheid dat de zaak tegen medeverdachte 2 is geseponeerd, maakt niet dat de verklaring van medeverdachte 1 daaromtrent ongeloofwaardig wordt. Dat aangever slachtoffer medeverdachte 2 niet heeft herkend als tweede dader maakt dat niet anders, gelet ook op diens verklaring dat hij zich heeft geconcentreerd op de bestuurder van de auto en gelet op diens aangifte (pg. 80 t/m 86) waaruit blijkt dat slachtoffer voornamelijk contact heeft gehad met medeverdachte 1 en dat medeverdachte 2 achter slachtoffer in de auto is gaan zitten, zodat slachtoffer geen zicht op hem had. Dat de broer van aangever, naam broer slachtoffer, medeverdachte 2 niet heeft herkend is naar het oordeel van het hof evenmin reden om de verklaring van medeverdachte 1 ongeloofwaardig te achten, aangezien deze getuige in zijn verklaring (pg. 87-88) al aangeeft niet helemaal zeker te weten of hij de tweede persoon, die als bijrijder achterin is gaan zitten, zou herkennen.

Dat medeverdachte 1 in zijn laatste verklaring heeft gezegd dat, naast verdachte en hijzelf, ook ene betrokkene 2 is meegereden toen de BMW werd opgehaald en naar het bedrijf van betrokkene 1 werd vervoerd en dat betrokkene 1 anders heeft verklaard over welke personen in de BMW zaten toen die kwam aanrijden bij zijn bedrijf, is naar het oordeel van het hof van onvoldoende belang om de verklaring van medeverdachte 1, voor zover inhoudende dat hij samen met verdachte de BMW heeft opgehaald en naar het bedrijf van betrokkene 1 heeft gereden, onbetrouwbaar te achten. Beide verklaringen houden immers in dat medeverdachte 1 samen met verdachte de gestolen BMW op het bedrijf van betrokkene 1 heeft afgeleverd.

De stelling van de raadsman dat uit het dossier blijkt dat medeverdachte 1 rond zes uur bij een tankstation in Eindhoven is geweest, berust naar het oordeel van het hof op een verkeerde lezing van het dossier. Uit het hoofdambtelijk verslag (pg. 8) blijkt immers dat de beelden die van het tankstation zijn gevorderd beelden betreft van 5 augustus 2011 omstreeks 16.55 uur.

Dat uit het dossier niet is gebleken dat medeverdachte 1 direct na de overval met de opdrachtgever heeft gebeld, houdt naar het oordeel van het hof nog niet in dat medeverdachte 1 hierover liegt.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Slachtoffer over boord in Atlantische oceaan: Rechtsmacht & Ne bis in idem

Gerechtshof Den Haag 17 juni 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:2002

Aan de verdachte is onder 1 primair tenlastegelegd dat hij – kort en zakelijk weergegeven – tezamen met zijn medeverdachte persoon, te weten slachtoffer, tussen 12 juli 2005 en 31 juli 2005 met voorbedachte rade van het leven heeft beroofd, door die persoon ergens op het vaartraject tussen de kust van Natal (Brazilië) en de kust van Sierra Leone (Afrika) van boord van het zeiljacht ‘de naam zeiljacht’ te duwen, hem onder bedreiging van een mes te dwingen de reling van het zeiljacht los te laten, en vervolgens die persoon aan zijn lot over te laten, ten gevolge waarvan die persoon is overleden. Verdachte wordt ook verwijt dat hij het zeiljacht waar dit op zou hebben plaatsgevonden zou hebben gestolen.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging

Rechtsmacht

Het hof heeft met betrekking tot de vraag of Nederland rechtsmacht heeft ten aanzien van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, en daarmee de vraag of ter zake van die feiten het openbaar ministerie in dat verband ontvankelijk is in de vervolging, het volgende overwogen.

Uit de hiernavolgende overwegingen zal blijken dat het hof niet kan vaststellen waar precies op zee slachtoffer overboord is geduwd. Inherent aan dit gegeven is dat niet valt vast te stellen of dit feit nog binnen de territoriale wateren van Brazilië is gepleegd of dat dit daarbuiten heeft plaatsgevonden, hetgeen van belang is met betrekking tot de vraag of Nederland rechtsmacht heeft om over de onderhavige zaak te oordelen.

Indien er vanuit wordt gegaan dat de feiten binnen de territoriale wateren van Brazilië hebben plaatsgevonden, dan heeft Nederland rechtsmacht op grond van het in artikel 5, lid 1 aanhef en onder 2 van het Wetboek van Strafrecht bepaalde. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat aan de eis van dubbele strafbaarheid in casu is voldaan, nu moet worden aangenomen dat op moord c.q. doodslag en diefstal ook in Brazilië straf is gesteld.

Indien er vanuit wordt gegaan dat feit 1 buiten de territoriale wateren van Brazilië heeft plaatsgevonden, dan heeft Nederland ten aanzien van dit feit rechtsmacht op grond van artikel 4 aanhef en sub 8 onder a van het Wetboek van Strafrecht.

Voor wat betreft het onder 2 ten laste gelegde is het van belang dat uit het dossier niet blijkt dat de naam zeiljacht voer onder Braziliaanse vlag, althans gerechtigd was die vlag te voeren. Derhalve kan niet worden vastgesteld dat Nederland op grond van het vlaggenbeginsel en het actief nationaliteitsbeginsel (artikel 5 Wetboek van Strafrecht) rechtsmacht heeft ten aanzien van de diefstal van het zeiljacht de naam zeiljacht, voor zover het openbaar ministerie heeft ten laste gelegd dat dit feit zou zijn begaan “in de Atlantische Oceaan buiten de territoriale wateren, althans op het vaartraject op de (Atlantische) Oceaan tussen Brazilië en Sierra Leone”. Ten aanzien van dat onderdeel van het tweede feit is het openbaar ministerie niet-ontvankelijk.

Gelet op het voorgaande kan worden aangenomen dat Nederland in deze zaak – met inachtneming van hetgeen te dien aanzien is opgemerkt met betrekking tot feit 2 - rechtsmacht heeft en dat het openbaar ministerie op dit punt ontvankelijk is in de vervolging.

Ne bis in idem

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw namens de verdachte het verweer gevoerd dat – zoals vervat in haar pleitnota en hier in de kern weergegeven – het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard vanwege strijd met het ne bis in idem beginsel. De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd niet valt uit te sluiten dat de verdachte in Brazilië opnieuw vervolgd zal worden wegens het onderhavig feit.

Het hof heeft in dit verband acht geslagen op de brief van 15 december 2008, te Natal opgemaakt en ondertekend door de officier van justitie naam, met kenmerk: opsporingsonderzoek nr. 2006.84.00.006544-8, waarvan de Nederlandse vertaling is gevoegd in het algemeen dossier 0/OPV/D op p. 21 e.v., welke onder meer het volgende inhoudt:

‘Het betreft een opsporingsonderzoek inzake de diefstal van het vaartuig genaamd ‘naam zeiljacht’ en de vermissing van de matroos slachtoffer. Kort samengevat komen de feiten op het volgende neer. Het zeiljacht lag te koop op de ligplaats in de Jachtclub van Natal. Op 12.07.2005 zijn twee Nederlanders (die later zijn geïdentificeerd als naam en een persoon die bekend staat als naam) samen met de Braziliaan slachtoffer vertrokken voor een zogenaamde proefvaart, die in werkelijkheid heeft geleid tot diefstal van het vaartuig en de vermissing van slachtoffer.

Het onderzoek wordt thans uitgevoerd door de Federale Politie in het kader van het opsporingsonderzoek dat is toegewezen aan de 2e Rechtbank van de Federale Juridische Afdeling van Rio Grande do Norte.

Aangezien uitlevering van de verdachten niet mogelijk is vanwege het ontbreken van een uitleveringsverdrag met Brazilië, hebben de autoriteiten van het Koninkrijk der Nederlanden verzocht om overdracht van de strafvervolging.

Het principe van de overname van strafvervolging is een logisch uitvloeisel van het universele beginsel aut dedere aut judiciare, dat kort gezegd neerkomt op ‘of uitleveren of vervolgen’.

Nu het niet mogelijk is de verdachten uit te leveren heeft het met deze strafzaak belaste Openbaar Ministerie ingestemd met het verzoek dat is gedaan door de centrale autoriteit van het Koninkrijk der Nederlanden en kopieën van het integrale dossier van het opsporingsonderzoek opgestuurd ten behoeve van de vervolging ten aanzien van de daders.

Op grond van het vorenstaande vordert het Federale Openbaar Ministerie, bij monde van de ondergetekende Officier van Justitie, teneinde bis in idem te voorkomen, de opschorting van de zaak.

Evenwel dient opgemerkt te worden dat het mogelijk zal zijn de zaak weer op te nemen in het geval de Nederlandse autoriteiten er niet in slagen het strafproces in gang te zetten of als de procedure niet leidt tot een eerlijk proces, zoals de gespecialiseerde rechtsleer voorschrijft.’

Voor zover de raadsvrouw heeft bedoeld te betogen dat tijdens het onderhavige strafproces in strijd wordt gehandeld met het ne bis in idem beginsel overweegt het hof als volgt.

Het hof leidt voorts uit voornoemde brief af dat op het moment dat er sprake was van overname van de zaak ‘naam zeiljacht’ door de Nederlandse autoriteiten, het onderzoek met betrekking tot de diefstal van het vaartuig ‘naam zeiljacht’ en de vermissing van slachtoffer zich in Brazilië nog in de stand van de opsporing bevond en dat zich aldaar nog geen rechter inhoudelijk over de zaak had uitgelaten. Het hof gaat er derhalve van uit dat er in Brazilië nog geen aanvang is genomen met de vervolging van de verdachte, nu ook anderszins hiervan niet is gebleken.

De zaak is vervolgens door de Nederlandse autoriteiten overgenomen teneinde het opsporingsonderzoek in Nederland voort te zetten, naar aanleiding waarvan (al dan niet) vervolging van verdachte(n) kon plaatsvinden.

Het opsporingsonderzoek in Nederland heeft geresulteerd in de vervolging van de verdachte in het onderhavige strafproces.

Onder deze omstandigheden is het hof van oordeel dat het onderhavige strafproces in Nederland de eerste vervolging van de verdachte betreft met betrekking tot de diefstal van het vaartuig ‘naam zeiljacht’ en de vermissing van slachtoffer. Er kan om die reden geen sprake kan zijn van strijd met het ne bis in idem beginsel in de onderhavige strafprocedure.

Voor zover de raadsvrouw heeft bedoeld te betogen dat op grond van voornoemde brief twijfel bestaat over de vraag of de Braziliaanse autoriteiten de verdachte mogelijk opnieuw zullen gaan vervolgen, overweegt het hof als volgt.

In artikel 14, zevende lid, van het Internationaal Verdrag inzake Burgerlijke en Politieke Rechten (New York, 1966; in werking getreden op 23 maart 1976) is het verbod vastgelegd om een persoon voor een tweede keer te berechten wegens een strafbaar feit waarvoor hij reeds overeenkomstig de wet en het procesrecht van elk land bij onherroepelijke uitspraak is veroordeeld of waarvan hij is vrijgesproken. Brazilië is in 1992 tot dit Verdrag toegetreden.

Gelet op het internationaalrechtelijke vertrouwensbeginsel kunnen de Nederlandse autoriteiten, en een in Nederland veroordeelde, er vanuit gaan dat de toegetreden landen zich hieraan committeren. Dit uitgangspunt wordt tevens in voornoemde brief door de Braziliaanse autoriteiten erkend, nu de opschorting van de zaak is bevolen, teneinde bis in idem te voorkomen.

Het verweer wordt verworpen. Het openbaar ministerie is ontvankelijk in de vervolging.

Bewezenverklaring

  1. Medeplegen van moord
  2. Diefstal door twee of meer verenigde personen

Verdachte heeft zich tezamen met zijn medeverdachte schuldig gemaakt aan de moord op slachtoffer alsmede aan de diefstal van het zeiljacht. De verdachte en zijn medeverdachte hebben daartoe met slachtoffer een afspraak gemaakt om een proefvaart te maken met het zeiljacht, onder het valse voorwendsel dat zij het zeiljacht wilden kopen. De intenties van de verdachte en zijn medeverdachte waren echter om vanuit de haven van Natal (Brazilië) weg te varen, niet meer terug te keren en rechtstreeks de oceaan over te steken naar Afrika. Op enig moment hebben zij slachtoffer van boord van het zeiljacht geduwd. Slachtoffer heeft zich nog vastgegrepen aan de reling van het zeiljacht maar de medeverdachte heeft hem daarop een mes getoond waarna hij die reling heeft losgelaten. De verdachte en zijn medeverdachte hebben kort voor zonsondergang slachtoffer aan zijn lot overgelaten op een locatie in zee waar geen kustlijn meer was waar te nemen. Van slachtoffer is nooit meer iets vernomen.

Strafoplegging

Verdachte wordt veroordeelt tot een gevangenisstraf voor de duur van 11 jaren en 6 maanden.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Proceskostenvergoeding gemachtigde afgewezen: geen sprake van beroepsmatig rechtsbijstand verlenen

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 8 mei 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:3735

Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 130,- opgelegd ter zake van “Voor het motorrijtuig van 3500 of minder heeft het keuringsbewijs zijn geldigheid verloren”, welke gedraging blijkens een registercontrole van de RDW zou zijn verricht op 8 maart 2013 met het voertuig met het kenteken.

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie in het arrondissement Overijssel genomen beslissing ongegrond verklaard en het verzoek om vergoeding van kosten afgewezen. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Tevens is verzocht om vergoeding van kosten.

In het onderhavige geval is een sanctie opgelegd ter zake van een op geautomatiseerde wijze vastgestelde gedraging, waarbij in het zaakoverzicht van het CJIB de verbalisantcode 404040 is vermeld.

Door de toepassing van de verbalisantcode 404040 is niet vast te stellen dat de sanctie is opgelegd door een bevoegde ambtenaar in de zin van artikel 3, tweede lid, van de WAHV (ECLI:NL:GHARL:2014:1236).

Dit brengt mee dat de inleidende beschikking, waarbij de sanctie is op- gelegd, niet in stand kan blijven.

Artikel 20d, vierde lid, juncto artikel 13a, eerste lid, laatste volzin, WAHV verklaart het Besluit proceskosten bestuursrecht (Besluit) van overeen- komstige toepassing. Derhalve zal het hof het kostenverzoek beoordelen aan de hand van de genoemde regeling.

Ingevolge artikel 1 van het van toepassing zijnde Besluit proceskosten be- stuursrecht kan een veroordeling in de kosten uitsluitend betrekking hebben op:

  1. kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand,
  2. kosten van een getuige of deskundige die door een partij is meegebracht of opgeroepen, dan wel van een deskundige die aan een partij verslag heeft uitgebracht,
  3. reis- en verblijfkosten van een partij,
  4. verletkosten van een partij,
  5. kosten van uittreksels uit de openbare registers, telegrammen, internationale telexen, internationale telefaxen en internationale telefoongesprekken, en
  6. kosten van het als gemachtigde optreden van een arts in zaken waarin enig wettelijk voorschrift verplicht tot tussenkomst van een gemachtigde die arts is.

Het hof dient de vraag te beantwoorden of in dit geval sprake is van beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Desgevraagd heeft de gemachtigde van de betrokkene aangegeven dat hij staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel en dat zijn activiteiten zijn gebaseerd op het vergaren van in- komen. Tevens heeft hij twee certificaten overgelegd, waaruit zijn juridische scholing blijkt.

Uit deze overgelegde informatie blijkt niet dat het verlenen van rechts- bijstand een vast onderdeel vormt van een duurzame, op het vergaren van inkomsten gerichte, taakuitoefening. Het verlenen van rechtsbijstand heeft een meer incidenteel karakter. Het hof is derhalve van oordeel dat niet spra- ke is geweest van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Het verzoek om vergoeding zal daarom worden afgewezen.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Hogere straf in hoger beroep voor verduistering verzekeringsgeld en witwassen

Voor verduistering van verzekeringsgelden en witwassen van die gelden is een 69-jarige man in hoger beroep veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden. Dit heeft het gerechtshof Amsterdam vandaag beslist. Tevens heeft het hof zijn gevangenneming gelast. De rechtbank veroordeelde de verdachte wegens oplichting en witwassen tot 12 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk. De verdachte stelde hoger beroep in. De verzekeringsgelden waren bestemd voor slachtoffers van de legionellabesmetting tijdens de Westfriese Flora in 1999.

Hogere straf

Het OM eiste in hoger beroep een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden en een werkstraf van 200 uur. De door de rechtbank opgelegde en de door het OM gevorderde straffen doen naar het oordeel van het hof onvoldoende recht aan de ernst van de feiten. Het hof komt dan ook tot oplegging van een hogere straf waarbij tevens rekening is gehouden met de LOVS-oriëntatiepunten inzake fraude.

Verduistering

Tijdens de 66e Westfriese Flora in Bovenkarspel in februari 1999 ontsnapte nevel uit de whirlpool van de rechtspersoon van de verdachte. Een aantal bezoekers werd tijdens het bezoek besmet met de legionellabacterie. De besmetting kostte 32 mensen het leven en maakte ruim 200 mensen ziek. De verdachte ontkent dat de ontsnapte nevel uit zijn whirlpool de oorzaak is geweest van de legionellabesmetting. Tijdens de Flora was de verdachte verzekerd voor het risico van aansprakelijkheid bij een schadeverzekeringsmaatschappij. De verzekeraar stelde € 453.780,- beschikbaar ten gunste van de nabestaanden en slachtoffers en maakte dit bedrag vermeerderd met een vergoeding voor kosten rechtsbijstand en rentevergoeding, in totaal € 577.724,11, aan hem over. De verdachte vindt dat er naar zijn oordeel niets te bewijzen valt en keert daarom niet uit aan de nabestaanden en slachtoffers. Hij wendt het geld aan in strijd met de met de verzekeraar gemaakte afspraken. Het hof is van oordeel dat hij zich door het toe-eigenen van het overgemaakte geld schuldig heeft gemaakt aan verduistering.

Witwassen

Vrijwel onmiddellijk nadat hij het geld van de verzekeraar heeft ontvangen, heeft hij het totale bedrag in delen naar andere aan hem toebehorende bankrekeningen overgeboekt. In de periode vanaf november 2002 heeft hij deze bedragen vervolgens diverse keren tussen zijn bankrekeningen bij verschillende banken heen en weer geboekt en privéuitgaven en opnames verricht. Uiteindelijk blijkt dat het oorspronkelijke geldbedrag afkomstig van de verzekeraar, nadat dit is vermengd met privégelden of gelden van verschillende aan de verdachte toebehorende bedrijven, niet meer op enig te achterhalen rekening aanwezig is. Hij heeft  ter terechtzitting in hoger beroep bevestigd dat het totale geldbedrag weg is en dat geen enkele uitkering is gedaan aan slachtoffers van de legionellabesmetting tijdens de West-Friese Flora in 1999.

Gelet hierop is het hof van oordeel dat de verdachte handelingen heeft verricht die erop waren gericht om het overgemaakte geldbedrag veilig te stellen door dit via zijn rekeningen over te boeken en uitgaven en opnamen te doen. Hij heeft hij dit geldbedrag niet slechts voorhanden gehad, maar zijn gedragingen waren (kennelijk) ook gericht op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de herkomst van dit geldbedrag. De verdachte heeft zich aldus schuldig gemaakt aan witwassen.

Print Friendly and PDF ^

Ten laste van de wettelijke vertegenwoordigster van de minderjarige kinderen onder de notaris strafvorderlijk beslag doen leggen

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 29 maart 2007, ECLI:NL:GHSHE:2007:2758 (gepubliceerd op 6 juni 2014)

Het betreft hier een klaagschrift ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering tegen een op 14 december 2004 gelegd beslag.

Het gaat in deze zaak om het volgende. Op 26 september 2002 is erflater overleden. Bij testament heeft erflater zijn minderjarig kind als enig erfgenaam aangewezen. Na een daartoe strekkend verzoek van wettelijk vertegenwoordigster is door de Rechtbank te Maastricht bij beschikking van 24 september 2003 vastgesteld dat erflater ook de vader is van haar kind (klager). Op grond daarvan is in de “akte van erfrecht en volmacht” van 3 februari 2004, opgemaakt door de notaris, opgenomen dat de beide kinderen ieder voor de helft erfgenaam van erflater zijn.

Erflater heeft een vermogen van 874.874,99 euro nagelaten. Dit bedrag staat op een derdengeldrekening van voornoemde notaris. Het openbaar ministerie stelt zich op het standpunt dat het vermogen van erflater een criminele herkomst heeft. Op grond daarvan heeft het op 14 december 2004 ten laste van de wettelijke vertegenwoordigster van ieder van de beide minderjarige kinderen onder de notaris strafvorderlijk beslag doen leggen. Het openbaar ministerie heeft daartoe gesteld dat de beide wettelijke vertegenwoordigsters zich door aanvaarding van de erfenis schuldig hebben gemaakt aan witwassen in de zin van artikel 420bis Sr. Het beslag is gelegd met het oog op een eventuele op te leggen verbeurdverklaring, geldboete of maatregel ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel in of naar aanleiding van een strafzaak tegen de wettelijke vertegenwoordigsters.

De beoordeling

Het gaat hier om een beslag in de zin van artikel 94 Sv dat is gelegd onder een notaris ten laste van de wettelijke vertegenwoordigster op een vordering die de minderjarige erfgenaam op de notaris heeft tot betaling van het geldbedrag dat hem uit hoofde van zijn erfdeel toekomt, met het oog op de mogelijke verbeurdverklaring in een tegen de wettelijke vertegenwoordigster in te stellen strafprocedure, alsmede om een beslag in de zin van artikel 94a Sv. In het geval dat een derde/niet-beslagene – hier de minderjarige klager – zich daartegen keert, stellende dat het zijn vordering is, dient de rechter die over het beslag heeft te oordelen, na te gaan of zich het geval voordoet dat buiten redelijke twijfel staat dat die derde als rechthebbende van het inbeslaggenomene moet worden aangemerkt. Indien dat het geval is, dient het vorderingsrecht van de klager te worden gerespecteerd.

Dat is slechts anders als zich het geval voordoet als bedoeld in artikel 33a, tweede lid aanhef en onder a Sr of een van de gevallen genoemd in artikel 94a, derde en vierde lid Sv.

Gelet op de tekst van artikel 33a, tweede lid aanhef en onder a, Sr en de artikelen 94, tweede lid en artikel 94a, derde en vierde lid Sv is bepalend op welk moment klager geacht kan worden de nalatenschap van zijn vader te hebben verkregen en voorts of hij op dat moment, kort gezegd, bekendheid c.q. wetenschap had of kon hebben dat deze nalatenschap of delen daarvan van misdrijf afkomstig was/waren.

Het moment van verkrijging van de nalatenschap door klager moet naar het oordeel van het hof worden gesteld op 24 september 2003. Dit is de datum van de beschikking van de rechtbank Maastricht waarbij in het kader van een vaderschapsaktie door de rechtbank is bepaald dat erflater de vader van klager is. Door deze uitspraak heeft klager erfrechtelijke aanspraken op de nalatenschap van erflater verworven. Dat deze aanspraken krachtens bepalingen van erfrecht terugwerken tot de datum van overlijden van erflater doet aan deze verwerving op 24 september 2003 niet af.

Ter zitting van het hof is klager gehoord. Uit hetgeen hij het hof heeft verklaard omtrent zijn bekendheid/wetenschap met de herkomst van de door hem ontvangen erfenis noch uit andere processtukken is af te leiden dat hij voor 24 september 2003 bekendheid c.q. wetenschap had of kon hebben dat de nalatenschap of delen daarvan van misdrijf afkomstig was/waren.

Nu aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 33a, tweede lid aanhef en onder a Sr en de artikelen 94, tweede lid en artikel 94a, derde en vierde lid Sv niet kan worden voldaan dient het beklag gegrond te worden verklaard en dient klagers erfdeel in de nalatenschap van zijn vader aan klager te worden teruggegeven.

Het hof verklaart het beklag gegrond.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

De verdachte heeft in een periode van ruim twaalf maanden twee ton gestolen van zijn werkgever, een scholengemeenschap

Gerechtshof Den Haag 6 juni 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:1870

De verdachte is op 1 november 2006 in dienst getreden van de Openbare Scholengemeenschap A, ressorterend onder Stichting B in de functie van hoofd administratie en beheerde de financiële boekhouding van de school. De verdachte was tezamen met de aangever C, een adjunct-directeur van de school, geautoriseerd tot het doen van overboekingen en betalingen.

De school had vijf bankrekeningen, waaronder een Postbankrekening, een rekening bij de Bank der Nederlandse Gemeenten (BNG) en een rekening bij de Fortisbank met nummer nummer bankrekening. In de periode van 3 januari 2007 tot en met 16 februari 2008 is met de bankpas nummer 017, toebehorende aan de adjunct-directeur en behorende bij de rekening van de Fortisbank, een bedrag van € 206.850,- gepind van de Fortis bankrekening van de school. In totaal is 159 keer gepind, bijna iedere keer een bedrag van € 1.250,- per opname.

De verdachte heeft vanaf de Postbankrekening en de BNG-rekening bedragen, telkens tussen 9.500 en 25.000 euro, overgeboekt naar de Fortis-rekening.

Het hof overweegt als volgt.

Uit de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, inhoudende dat hij de pinpas met nummer 017 en het briefje waarop de daarbij behorende pincode stond op enig moment in de kluis van de school heeft gezien, vloeit voort dat hij toegang heeft gehad tot deze pinpas en daarbij behorende pincode.

Voorts constateert het hof dat de adressen waar de pinopnames hebben plaatsgevonden, onder andere in Spijkenisse, Ridderkerk, Rhoon, Rotterdam en Middelburg, passen bij locaties waar de verdachte in zijn privéleven kwam, te weten zijn woonplaats gemeente U, het adres van zijn schoonouders aan de adres V in de gemeente W en in de periode van 4 tot en met 23 augustus 2007 zijn vakantie-adres in provincie X, alsmede bij de route van zijn woonplaats gemeente U naar de school in gemeente Y.

Bovendien blijkt uit de zendmastgegevens van de telefoon van de verdachte in de periode van 3 januari 2007 tot en met 1 maart 2008 dat deze gegevens overeenkomsten vertonen met de locaties waar de pinopnames hebben plaatsgevonden en de aanwezigheid van de verdachte op die locaties geen enkele keer uitsluiten. Daarbij hecht het hof bijzondere waarde aan de opnames die in gemeente Z hebben plaatsgevonden, in een periode waarin de verdachte in provincie X op vakantie was, waarbij opvalt dat op de voorlaatste dag van de vakantie is gepind in gemeente V, welk gegeven verklaarbaar is gezien de verklaring van de verdachte dat hij vóór het einde van de vakantie een keer op en neer is gereden naar huis om alvast spullen weg te brengen.

Het hof neemt voorts in aanmerking dat het patroon van de overschrijvingen van de BNG-rekening en de Postbankrekening naar de Fortis-rekening correspondeert met het patroon van de pinopnames.

De verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep dat hij geen bedragen kon overboeken zonder goedkeuring van de adjunct-directeur, vindt naar het oordeel van het hof alleen daarom al geen steun in het dossier, nu de verdachte zelf ten overstaan van de politie heeft verklaard dat hij op eigen initiatief de BNG-rekening heeft afgeroomd naar de Fortis-rekening en dat de adjunct-directeur hier achteraf goedkeuring voor heeft gegeven. Dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep op deze verklaring is teruggekomen, kan hieraan niet afdoen. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de adjunct-directeur heeft verklaard dat deze overschrijvingen (en de pinopnames) zonder zijn goedkeuring zijn geschied.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging voorts aangevoerd dat andere personen niet kunnen worden uitgesloten als pleger van het tenlastegelegde feit. Naar het oordeel van het hof biedt het dossier evenwel geen aanknopingspunten voor de stelling dat andere personen dan de verdachte het ten laste gelegde hebben begaan.

Voorts heeft de verdediging in aanvulling op de pleitnotities nog betoogd dat de verdachte een alibi heeft voor de pintransactie op 14 september 2007, omdat hij die dag van 14.00 uur tot 15.30 uur een overleg had met dhr. betrokkene D. Het hof acht niet aannemelijk dat dit overleg is doorgegaan, gelet op de verklaring van de getuige getuige E, inhoudende dat dit gesprek wel gepland was, maar niet tussen deze tijdstippen heeft kunnen plaatsvinden aangezien dhr. betrokkene D op deze tijdstippen andere bezigheden had.

Op grond van het voorgaande acht het hof bewezen dat de verdachte zonder dat hij daartoe was gerechtigd pinopnames heeft verricht.

Bewezenverklaring

Diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Het hof veroordeelt taxateur wegens het valselijk opmaken en afleveren van een taxatierapport. Verwerping verweer specialis artikel 69 lid 4 AWR.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 20 mei 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:4319

Ontvankelijkheid OM

De verdediging heeft betoogd dat gelet op artikel 69, vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard voor feit 2 (het hof begrijpt: het ten laste gelegde feit na en/of) nu er sprake is van – kort gezegd - het gebruik maken van een vals stuk dat onder meer zou dienen als grondslag voor de overdrachtbelasting.

Het hof overweegt hieromtrent dat het vierde lid van artikel 69 AWR bepaalt dat strafvervolging op grond van artikel 225, tweede lid, Sr is uitgesloten indien een feit zowel valt onder een van de bepalingen van artikel 69, eerste of tweede lid, AWR, als onder die van artikel 225, twee lid, Sr. Het hof is van oordeel dat het ten laste gelegde feit niet valt onder een van de bepalingen van artikel 69, eerste of tweede lid, AWR. Het hof verwerpt derhalve dit verweer.

Feiten

De belastingdienst heeft in het kader van de landelijke actie “Nokvorst” uit de kadastergegevens aangaande aan- en verkopen vastgoed een opvallende transactie door betrokkene 1 geselecteerd voor onderzoek vanwege een hoog prijsverschil. Het betreft de juridische verkrijging door betrokkene 1 in privé op 21 april 2005 van percelen grond aan de adres in de ‘locatie’ te plaats waarbij die grond werd gewaardeerd op € 2.200.000 en de verkoop ervan op 29 december 2005 aan een besloten vennootschap van betrokkene 1 voor een bedrag van € 8.260.000.

Op verzoek of in opdracht van betrokkene 1 is ten aanzien van de bovengenoemde percelen een aantal taxatierapporten opgemaakt en wel op 1 juli 2003, 13 april 2005, 1 december 2005 en 2 december 2005.

In het taxatierapport d.d. 1 juli 2003, opgemaakt door onder andere verdachte, is de waarde van de percelen grond vastgesteld op € 7.620.000.

In het – in de tenlastelegging genoemde – taxatierapport d.d. 13 april 2005, opgemaakt door verdachte, is de waarde van de percelen grond vastgesteld op € 2.200.000.

In het taxatierapport d.d. 1 december 2005, opgemaakt door betrokkene 2 van bedrijf (bij welke onderneming deze opdracht via verdachte was bin- nengekomen), is de waarde van de percelen grond vastgesteld op € 8.260.000.

In het taxatierapport d.d. 2 december 2005, opgemaakt door verdachte, is de waarde van de percelen grond vastgesteld op € 8.285.000.

De rechtbank en de advocaat-generaal zijn van oordeel dat verdachte het taxatierapport vals heeft opgemaakt, omdat de waarde van € 2.200.000 te laag is, gelet op de waarden in de andere rapporten en gelet op het feit dat een waardestijging vanaf 2003 in de lijn der verwachting zou liggen, gezien de stand van zaken in het besluitvormingsproces inzake de realisering van bouwmogelijkheden op de grond in de locatie op dat moment.

De verdediging heeft betoogd dat de verschillen tussen de rapporten verklaarbaar zijn omdat andere uitgangspunten zijn gehanteerd. De rapporten van juli 2003 en december 2005 betreffen taxaties onder bijzondere aannames, uitgaande van een toekomstig (bebouwings)scenario. De taxatie van 13 april 2005 is de enige taxatie waarin reëel naar de waarde van het perceel op die datum is gekeken, aldus de verdediging.

Met de verdediging gaat het hof er van uit dat de taxaties van juli 2003 en december 2005 taxaties onder bijzondere aannames betreffen, waarbij bepaalde risico’s zijn geëlimineerd. Dat betekent in casu dat in die rapporten ervan uit is gegaan dat op het perceel zeker bebouwing gaat plaatsvinden en wel binnen een bepaalde termijn. Het hof gaat er - eveneens met de ver- dediging - van uit dat het taxatierapport van 13 april 2005 een waardering naar de waarde in het economisch verkeer is zonder eliminatie van bedoelde risico’s.

Het hof is echter anders dan de verdediging van oordeel dat, ook als er van wordt uitgegaan dat de rapporten van juli 2003 en december 2005 enerzijds en het rapport van 13 april 2005 anderzijds zijn gebaseerd op verschillende uitgangspunten, de waarde genoemd in het rapport van 13 april 2005 on- verklaarbaar laag is. Het enorme verschil tussen de door verdachte gedane taxaties van € 2.200.000 op 13 april 2005 en € 8.285.000 op 2 december 2005 kan niet uitsluitend worden verklaard door de eliminatie van de risico’s in het rapport van 2 december 2005. De percelen moeten naar het oordeel van het hof in april 2005 aanzienlijk meer waard zijn geweest dan € 2.200.000. Dat wordt bevestigd door het taxatierapport van de belastingdienst van 16 januari 2009. In dat rapport is de waarde in het economisch verkeer van de percelen per 21 april 2005 geschat op € 6.800.000. Dat is naar het oordeel van het hof een meer realistische waardering van de percelen grond. Het vorenstaande kan, in samenhang bezien met de overige gedingstukken en de door verdachte gegeven verklaringen, tot geen andere conclusie leiden dan dat waarde van € 2.200.000, opgenomen in het rapport van 13 april 2005, in strijd met de waarheid is, dat verdachte zich daarvan bewust is geweest en dat het rapport in zoverre opzettelijk valselijk is opgemaakt.

Bewezenverklaring

  • valsheid in geschrift
  • opzettelijk een geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, afleveren, terwijl hij weet dat dit geschrift bestemd is voor gebruik als ware het echt en onvervalst.

Strafoplegging

Verdachte heeft in zijn hoedanigheid van taxateur opzettelijk een taxatierapport valselijk opgemaakt. In dat rapport is een waarde van de in de tenlastelegging genoemde percelen opgenomen die veel lager is dan de werkelijke waarde. Verdachte wist dat zijn taxatierapport gebruikt zou worden door de notaris voor de juridische levering aan betrokkene 1 en ter bepaling van de hoogte van de overdrachtsbelasting. Mede door toedoen van verdachte is de belastingdienst benadeeld voor een bedrag in de orde van grootte van € 250.000 aan overdrachtsbelasting. Verdachte heeft door zijn handelen misbruik gemaakt van het vertrouwen dat zowel in een (register)- taxateur als in taxatierapporten moet kunnen worden gesteld. Het hof rekent dat verdachte zwaar aan. In beginsel zou een dergelijk handelen moeten leiden tot het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een voorwaardelijke gevangenis- straf voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van twee jaar.

Daarnaast wordt verdachte veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 200 uren.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Verwerping verweer n.a.v. ongeldigverklaring Dataretentierichtlijn

Gerechtshof Amsterdam 9 mei 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:1835

De verdachte heeft zich gedurende een periode van bijna drie jaren schuldig gemaakt aan het medeplegen van gewoontewitwassen van aanzienlijke contante geldbedragen. De verdachte heeft daarbij onder meer zijn telefoonbedrijf als dekmantel gebruikt.

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv dat ertoe dient te leiden dat alle gegevens die zijn verkregen uit geautomatiseerde databanken van telecomproviders moeten worden uitgesloten van het bewijs. De raadsman heeft daartoe het volgende aangevoerd. Op 4 april 2014 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie een arrest gewezen (in gevoegde zaken C-293/12 en C-594/12 Digital Rights Ireland en Seitlinger e.a.) waarbij Richtlijn 2006/24/EG betreffende de bewaring van gegevens die zijn gegenereerd of verwerkt in verband met het aanbieden van openbaar beschikbare elektronische communicatiediensten of van openbare communicatienetwerken en tot wijziging van Richtlijn 2002/58/EG ongeldig/onrechtmatig verklaard. Deze Richtlijn is met ingang van 1 september 2009 geïmplementeerd in de nationale wetgeving middels wijziging van diverse wetten, waaronder de Telecommunicatiewet.

In de zaak tegen de verdachte zijn zendmastgegevens en historische gegevens (histo’s) opgevraagd en gebruikt in het kader van het bewijs. Aangezien de Richtlijn ongeldig is verklaard, onder andere wegens strijd met artikel 8 EVRM, is de implementatiewet in Nederland eveneens onrechtmatig/ongeldig. Dit betekent dat er zonder geldige wettelijke grondslag gegevens van onder meer de verdachte en de medeverdachten zijn opgeslagen en opgevraagd, waarbij het recht op privacy van de betrokkenen is geschonden. Nu alle histo’s, zendmastgegevens en processen-verbaal, die middels het opvragen van gegevens van telecomproviders zijn verkregen dienen te worden uitgesloten van het bewijs, moet de verdachte bij gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs worden vrijgesproken, aldus de raadsman.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Vooropgesteld wordt dat artikel 359a Sv uitsluitend ziet op vormverzuimen die zijn begaan in het voorbereidend onderzoek, dat wil zeggen het (opsporings)onderzoek voorafgaand aan het onderzoek ter terechtzitting, in de zaak tegen de verdachte ter zake het aan hem tenlastegelegde. Dat brengt met zich mee dat, wat er ook zij van het verweer van de raadsman dat uit het onderhavige arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie zou voortvloeien dat gegevens van de verdachte en medeverdachten zonder geldige wettelijke grondslag zijn opgeslagen omdat de Telecommunicatiewet ongeldig/onrechtmatig zou zijn, dit onderdeel van het verweer niet kan slagen nu vaststaat dat het opslaan van gegevens niet heeft plaatsgevonden in het kader van het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte in de onderhavige strafzaak. In zoverre wordt het verweer reeds op die grond verworpen.

Waar het verweer van de raadsman ziet op het opvragen van historische gegevens, zendmastgegevens e.d. met betrekking tot de verdachte, hetgeen blijkens de stukken in het dossier heeft plaatsgevonden op grond van de toepasselijke bepalingen van Sv (artikelen 126nd e.v.), is niet aannemelijk geworden dat sprake is van enig vormverzuim.

Nu het hof overigens de op de door de raadsman betwiste wijze verkregen gegevens niet voor het bewijs zal gebruiken, kan het beroep van de raadsman op artikel 359a Sv ook daarom niet slagen en wordt het verweer op alle onderdelen verworpen. Voor zover de raadsman nog heeft betoogd dat ook buiten toepassing van artikel 359a Sv sprake is van een schending van artikel 8 EVRM die tot uitsluiting van genoemde gegevens dient te leiden, brengt dit het hof niet tot een ander oordeel.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Profijtontneming: In hoger beroep tot stand gekomen schikking tussen OM en veroordeelde vervat in uitspraak

Gerechtshof Amsterdam 25 april 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:1577

Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van EUR 718.654,00.

De veroordeelde is bij vonnis van de rechtbank Alkmaar van 23 januari 2007 veroordeeld ter zake van het medeplegen van gijzeling, een tweetal overtredingen van de Opiumwet, gekwalificeerde diefstal en deelname aan een criminele organisatie.

Voorts heeft de rechtbank Alkmaar bij vonnis van 2 maart 2012 de ver- oordeelde de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van EUR 475.852,00 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

De veroordeelde heeft hoger beroep ingesteld tegen laatstgenoemd vonnis.

Schikking

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat aan de veroordeelde de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat een bedrag van € 341.967,00 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel en daarbij gewezen op een tussen de veroordeelde en het Openbaar Ministerie tot stand gekomen schikking.

Het hof heeft een brief van de advocaat-generaal en de raadsman ontvangen, inhoudende de mededeling dat de raadsman met het Openbaar Ministerie een schikking heeft kunnen treffen voor een bedrag van € 341.967,00. Het hof heeft de inhoud van deze brief geverifieerd tijdens de zitting van 25 april 2014. De advocaat-generaal en de raadsman verzoeken het hof het vonnis van de rechtbank Alkmaar van 2 maart 2012 te vernietigen, genoemde schikking te bekrachtigen en te bepalen dat de veroordeelde een bedrag van € 341.967,00 aan de Staat dient te betalen ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Het hof hecht eraan op te merken dat het in onderhavige zaak niet betreft een schikking in de zin van artikel 511 van het Wetboek van Strafvordering, nu die situatie ziet op de totstandkoming van een schriftelijke schikking tussen de officier van justitie en de veroordeelde zonder bemoeienis van de rechter. In onderhavige situatie heeft de rechtbank reeds vonnis gewezen en kan in hoger beroep uitsluitend door het hof daarbij te betrekken worden bewerkstelligd dat het vonnis wordt vernietigd en hetgeen tussen het Openbaar Ministerie en de veroordeelde is overeengekomen in de uitspraak worden betrokken.

Het hof heeft aan beide partijen de gelegenheid geboden om gezamenlijk met een voorstel te komen en zich ervan vergewist dat partijen over en weer aan elkaar voldoende en duidelijke informatie hebben verstrekt ten aanzien van hetgeen werd beoogd, waartoe het hof hun voldoende tijd beschikbaar heeft gesteld om weloverwogen tot een ondubbelzinnige beslissing te komen en dat partijen naar het hof afleidt uit het verhandelde ter terechtzitting van 25 april 2014 zonder dwang hebben deelgenomen aan de daartoe strekkende onderhandelingen alsmede partijen zich rekenschap hebben gegeven van de inhoud, de strekking en de consequenties van hun voorstel.

Het hof ziet aanleiding, gelet op het vorenstaande, de tot stand gekomen schikking in zijn uitspraak te vervatten en het (overeengekomen) wederrechtelijk verkregen voordeel gelijk te stellen aan de (overeen- gekomen) betalingsverplichting tot een bedrag van EUR 341.967,00.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat aan de veroordeelde de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de staat van EUR 341.967,00 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

OVAR: Witwassen geldbedrag afkomstig uit eigen misdrijf

Gerechtshof Amsterdam 10 maart 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:667

Volgens artikel 3, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 1889/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2005 betreffende de controle van liquide middelen die de Gemeenschap binnenkomen of verlaten is iedere natuurlijke persoon die de Gemeenschap binnenkomt of verlaat met een bedrag van tenminste € 10.000,00 verplicht om daarvan aangifte te doen bij de bevoegde autoriteiten.

Een opzettelijke overtreding van dit voorschrift is strafbaar gesteld bij artikel 10:1, vierde jo. vijfde lid, van de Algemene Douanewet en levert volgens artikel 10:13 van die wet een misdrijf op.

Feiten

Blijkens het dossier is de verdachte, komende vanuit Zürich, op 11 december 2010 aangekomen op de luchthaven Schiphol, waar hij werd gecontroleerd op grond van de Algemene Douanewet. Aan de verdachte werd gevraagd of hij meer dan € 10.000,00 bij zich droeg. De verdachte antwoordde daarop aanvankelijk ontkennend en pakte een aantal eurobiljetten uit zijn broekzak. Nadat één van de verbalisanten een verdikking voelde in de jas van de verdachte, pakte de verdachte desgevraagd ook een envelop uit zijn jaszak, waar naar zijn zeggen ongeveer € 3.400,00 in zat. Hierop is de verdachte nader onderzocht in de visitatieruimte. Uit dit nader onderzoek bleek dat de verdachte een stapel 500 eurobiljetten in zijn onderbroek had verstopt. In totaal is bij de verdachte een bedrag van € 11.115,00 aangetroffen.

Tijdens het verhoor van 12 december 2010 heeft de verdachte verklaard dat hij wist dat hij meer dan € 10.000,00 met zich voerde en dat hij altijd heeft gehoord dat je maximaal € 10.000,- vrij mag meenemen.

Beoordeling Hof

Gezien het voorgaande is het hof van oordeel dat de verdachte gehouden was om aangifte te doen bij de bevoegde autoriteiten en dat hij opzettelijk niet aan die verplichting heeft voldaan. Daarmee heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het misdrijf als omschreven in artikel 10:1, vierde jo. vijfde lid, van de Algemene Douanewet. Vanaf dat moment heeft de verdachte daarmee een geldbedrag van € 11.115,00 voorhanden gehad, terwijl hij wist dat dit onmiddellijk afkomstig was uit – in dit geval: eigen – misdrijf.

Anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat niet bewezen kan worden verklaard dat voornoemd geldbedrag reeds voor het binnenbrengen daarvan in de Gemeenschap afkomstig was uit enig misdrijf.

Het hof overweegt daartoe dat de verdachte over de herkomst van voornoemd geldbedrag heeft verklaard dat dit afkomstig zou zijn uit prostitutiewerkzaamheden in Zürich van een vriendin van hem, te weten [vriendin verdachte]. Het hof is van oordeel dat deze verklaring van de verdachte in voldoende mate wordt ondersteund door een verklaring van die [vriendin verdachte] op 28 oktober 2013 ten overstaan van de raadsheer-commissaris, waarin zij overeenkomstig heeft verklaard, alsmede een brief van het ‘Amt für Wirtschaft und Arbeit’ van 1 november 2010, waaruit blijkt dat die [vriendin verdachte] kort voor het tenlastegelegde gedurende een periode van ongeveer een half jaar werkzaamheden heeft verricht als zelfstandige bij Club Hulala Mary in Töss (Zwitserland). Het is voorts een feit van algemene bekendheid dat personen die werkzaam zijn in de prostitutiebranche doorgaans met contant geld worden betaald en dat hier grote bedragen in omgaan.

Gezien het voorgaande kan daarom niet zonder meer worden gesteld dat het niet anders kan dan dat het ten laste gelegde geldbedrag reeds voor het binnenbrengen daarvan in de Gemeenschap afkomstig was uit enig misdrijf.

Dat de verdachte aanvankelijk niet de naam van die [vriendin verdachte] heeft willen geven – evenals de naam van het zusje van die [vriendin verdachte] die bij het wisselen van het geldbedrag van Zwitserse francs naar euro’s zou zijn betrokken – doet aan het voorgaande niet af, dit mede in het licht van het feit dat de verklaring van de verdachte dat hij heeft getracht die [vriendin verdachte] en haar zusje niet in een strafrechtelijke procedure te betrekken, in beginsel te begrijpen is.

Strafbaarheid

Het hof overweegt dat ingeval van bewezenverklaring van witwassen van een geldbedrag uit eigen misdrijf in beginsel van de witwasser een handeling wordt gevergd die gericht is op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat geldbedrag. Het hof heeft op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet kunnen vaststellen dat de verdachte een dergelijke handeling heeft verricht, nu enkel bewezen kan worden dat hij het geld voorhanden heeft gehad.

Gelet op het voorgaande levert het bewezen verklaarde wegens niet-kwalificeerbaarheid daarvan geen strafbaar feit op. De verdachte dient derhalve te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^