Verwerping verweer n.a.v. ongeldigverklaring Dataretentierichtlijn

Gerechtshof Amsterdam 9 mei 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:1835

De verdachte heeft zich gedurende een periode van bijna drie jaren schuldig gemaakt aan het medeplegen van gewoontewitwassen van aanzienlijke contante geldbedragen. De verdachte heeft daarbij onder meer zijn telefoonbedrijf als dekmantel gebruikt.

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv dat ertoe dient te leiden dat alle gegevens die zijn verkregen uit geautomatiseerde databanken van telecomproviders moeten worden uitgesloten van het bewijs. De raadsman heeft daartoe het volgende aangevoerd. Op 4 april 2014 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie een arrest gewezen (in gevoegde zaken C-293/12 en C-594/12 Digital Rights Ireland en Seitlinger e.a.) waarbij Richtlijn 2006/24/EG betreffende de bewaring van gegevens die zijn gegenereerd of verwerkt in verband met het aanbieden van openbaar beschikbare elektronische communicatiediensten of van openbare communicatienetwerken en tot wijziging van Richtlijn 2002/58/EG ongeldig/onrechtmatig verklaard. Deze Richtlijn is met ingang van 1 september 2009 geïmplementeerd in de nationale wetgeving middels wijziging van diverse wetten, waaronder de Telecommunicatiewet.

In de zaak tegen de verdachte zijn zendmastgegevens en historische gegevens (histo’s) opgevraagd en gebruikt in het kader van het bewijs. Aangezien de Richtlijn ongeldig is verklaard, onder andere wegens strijd met artikel 8 EVRM, is de implementatiewet in Nederland eveneens onrechtmatig/ongeldig. Dit betekent dat er zonder geldige wettelijke grondslag gegevens van onder meer de verdachte en de medeverdachten zijn opgeslagen en opgevraagd, waarbij het recht op privacy van de betrokkenen is geschonden. Nu alle histo’s, zendmastgegevens en processen-verbaal, die middels het opvragen van gegevens van telecomproviders zijn verkregen dienen te worden uitgesloten van het bewijs, moet de verdachte bij gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs worden vrijgesproken, aldus de raadsman.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Vooropgesteld wordt dat artikel 359a Sv uitsluitend ziet op vormverzuimen die zijn begaan in het voorbereidend onderzoek, dat wil zeggen het (opsporings)onderzoek voorafgaand aan het onderzoek ter terechtzitting, in de zaak tegen de verdachte ter zake het aan hem tenlastegelegde. Dat brengt met zich mee dat, wat er ook zij van het verweer van de raadsman dat uit het onderhavige arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie zou voortvloeien dat gegevens van de verdachte en medeverdachten zonder geldige wettelijke grondslag zijn opgeslagen omdat de Telecommunicatiewet ongeldig/onrechtmatig zou zijn, dit onderdeel van het verweer niet kan slagen nu vaststaat dat het opslaan van gegevens niet heeft plaatsgevonden in het kader van het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte in de onderhavige strafzaak. In zoverre wordt het verweer reeds op die grond verworpen.

Waar het verweer van de raadsman ziet op het opvragen van historische gegevens, zendmastgegevens e.d. met betrekking tot de verdachte, hetgeen blijkens de stukken in het dossier heeft plaatsgevonden op grond van de toepasselijke bepalingen van Sv (artikelen 126nd e.v.), is niet aannemelijk geworden dat sprake is van enig vormverzuim.

Nu het hof overigens de op de door de raadsman betwiste wijze verkregen gegevens niet voor het bewijs zal gebruiken, kan het beroep van de raadsman op artikel 359a Sv ook daarom niet slagen en wordt het verweer op alle onderdelen verworpen. Voor zover de raadsman nog heeft betoogd dat ook buiten toepassing van artikel 359a Sv sprake is van een schending van artikel 8 EVRM die tot uitsluiting van genoemde gegevens dient te leiden, brengt dit het hof niet tot een ander oordeel.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF