Ontneming van voordeel verkregen uit oplichting van zorgverzekeraar

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 11 april 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:1039

Veroordeelde is bij gelijktijdig arrest van 11 april 2014 tot straf veroordeeld onder meer ter zake van (bewezen verklaard onder 2) oplichting, meermalen gepleegd in de periode van 1 januari 2002 tot en met 2 november 2010.

Het hof ontleent aan de inhoud van de bewijsmiddelen het oordeel, dat veroordeelde door middel van het begaan van het bewezen verklaarde feit een voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr heeft genoten en dat dit voordeel moet worden geschat op € 864.264,01.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder in aanmerking genomen dat uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat veroordeelde:

  • in de periode van 1 januari 2002 tot en met 2 november 2010 VGZ Zorgverzekeraar N.V. middels oplichting heeft bewogen tot de afgifte van geldbedragen tot een totaal van € 884.246,01;
  • inmiddels een bedrag van € 20.000,00 heeft terugbetaald aan VGZ Zorgverzekeraar N.V.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat veroordeelde is getroffen door een hersenstambloeding met ernstige en blijvende gevolgen. Gelet daarop valt naar het oordeel van het hof niet te verwachten dat veroordeelde op enig moment alsnog in staat zal zijn arbeid te verrichten. Voorts is gebleken dat op grond van een in een proces-verbaal van comparitie vastgelegde vaststellingsovereenkomst de huidige en toekomstige draagkracht van veroordeelde tot haar pensioengerechtigde leeftijd wordt gebruikt voor aflossing van de door veroordeelde aan VGZ Zorgverzekeraar N.V. verschuldigde som. Deze som betreft het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel

Onder deze omstandigheden is het hof van oordeel dat de huidige en redelijkerwijs te verwachten toekomstige draagkracht van veroordeelde niet toereikend zullen zijn om enig bedrag te betalen aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het hof vindt daarin aanleiding het door veroordeelde te betalen bedrag op de voet van artikel 36e, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, te bepalen op de waarde van de onder veroordeelde conservatoir in beslag genomen goederen, zijnde – blijkens een door de advocaat-generaal ter terechtzitting in hoger beroep overgelegd e-mailbericht – € 22.657,52.

Het hof vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht en stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 864.246,01. Legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 22.657,52.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling voor het valselijk opmaken van tandartsnota's, oplichting van een zorgverzekeraar voor ruim € 880.000 en gewoontewitwassen

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 11 april 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:1038

Verdachte heeft gedurende een periode van bijna 8 jaar meerdere keren op haar naam gestelde declaratieformulieren aan haar zorgverzekeraar en de daarbij behorende nota’s van de tandarts valselijk opgemaakt/vervalst. Op de formulieren zijn tandheelkundige verrichtingen opgenomen terwijl deze niet zijn verricht en (vervolgens) zijn in het door haar ingevulde declaratieformulier voor de zorgverzekeraar valse nota’s vermeld. Op deze wijze heeft verdachte de zorgverzekeraar bewogen tot de afgifte van een totaalbedrag van ruim EUR 880.000.

Bewezenverklaring

  1. Valsheid in geschrift, meermalen gepleegd
  2. Oplichting, meermalen gepleegd
  3. Gewoontewitwassen

Strafoplegging

De oriëntatiepunten geven als indicatie voor de op te leggen straf een gevangenisstraf voor de duur van 18 tot 24 maanden. Het hof ziet in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte echter aanleiding te volstaan met een gevangenisstraf van 100 dagen.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Hof: ontnemingsvordering strekt niet louter tot ontneming van wvv behaald door bij de belastingwet strafbaar gestelde feiten. OvJ ten onrechte in eerste aanleg niet-ontvankelijk verklaard.

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 11 april 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:1037

De rechtbank heeft bij beslissing waarvan beroep het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de ontnemingsvordering. Daartoe overwoog de rechtbank:

“Het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel is (…) gebaseerd op het voordeel dat verdachte heeft genoten doordat hij geen omzetbelasting en loonbelasting heeft betaald. Dit betekent dat het te ontnemen voordeel uitsluitend gegrond is op het voordeel genoten uit fiscale delicten. De bij de witwashandelingen betrokken geldbedragen betreffen uitsluitend voordeel dat is verkregen uit de fiscale delicten. Zij zijn dusdanig verweven met die fiscale delicten dat ontneming op basis van artikel 36e WvS naar het oordeel van de rechtbank niet mogelijk is.”

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn ontnemingsvordering. Daartoe is aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat het eventuele voordeel dat veroordeelde heeft genoten een voordeel is dat hij heeft genoten uit fiscale delicten. De bij de witwashandelingen betrokken geldbedragen hebben uitsluitend betrekking op voordeel dat is verkregen uit fiscale delicten, zodat het witwassen volledig voortvloeit uit de fiscale delicten en daar een uitvloeisel van is. Er is derhalve geen sprake van gelden uit andere strafbare feiten dan de gelden uit de fiscale delicten, zodat er een dusdanige verwevenheid met de fiscale delicten is dat ontneming niet mogelijk is.

De advocaat-generaal heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de ontnemingsvordering. Daartoe is aangevoerd – zakelijk weergegeven –dat artikel 74 AWR niet van toepassing is, aangezien de ontnemingsvordering gebaseerd is op het witwassen van gelden die door fiscale delicten zijn verkregen.

Subsidiair heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie in elk geval ontvankelijk is in de ontnemingsvordering voor zover het betreft het wederrechtelijk verkregen voordeel dat samenhang met de onjuiste aangiftes vennootschapsbelasting van de BV. Daartoe is aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat artikel 74 AWR niet ziet op gevallen waarin een ontnemingsvordering wordt ingediend tegen een persoon die niet de belastingplichtige is en/of ten aanzien van wie geen bijzonder wettelijk instrumentarium bestaat.

Beoordeling Hof

De ontnemingsvordering is gebaseerd op het witwassen van gelden die afkomstig waren van fiscale delicten, te weten het doen van onjuiste belastingaangiftes. Deze gelden heeft de veroordeelde vervolgens aangewend in het economisch verkeer door ze te gebruiken. Het hof is van oordeel dat dit witwassen niet onder het bereik van de artikelen 68 en 69 AWR kan worden gebracht en niet besloten ligt in het begaan van de fiscale delicten.

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat de ontnemingsvordering niet strekt tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel louter behaald door bij de belastingwet strafbaar gestelde feiten. De situatie van artikel 74 AWR doet zich derhalve niet voor. De rechtbank heeft derhalve de officier van justitie ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard in de ontnemingsvordering, zodat het vonnis van de rechtbank niet in stand kan blijven.

De rechtbank vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht en wijst de zaak terug naar de rechtbank Oost-Brabant.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Zaak Maskerbij: Niet-ontvankelijkheidsverweer trial by media wordt verworpen

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 3 april 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:955

In eerste aanleg is de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaar, met aftrek van het voorarrest, ter zake van

  1. medeplegen van de uitvoer van een grote hoeveelheid softdrugs en het in de uitoefening van een beroep op bedrijf verkopen en vervoeren van softdrugs;
  2. medeplegen van de uitvoer van een grote hoeveelheid softdrugs en het in de uitoefening van een beroep op bedrijf verkopen, afleveren en vervoeren van softdrugs;
  3. medeplegen van de uitvoer van een grote hoeveelheid softdrugs en het in de uitoefening van een beroep op bedrijf verkopen, afleveren en vervoeren van softdrugs;
  4. medeplegen van de uitvoer van een grote hoeveelheid softdrugs en het in de uitoefening van een beroep op bedrijf verkopen, afleveren en/of vervoeren van softdrugs;
  5. medeplegen van de uitvoer van een grote hoeveelheid softdrugs en het in de uitoefening van een beroep op bedrijf verkopen, afleveren en/of vervoeren van softdrugs;
  6. de deelneming aan een criminele organisatie in de zin van artikel 11a van de Opiumwet en het deelnemen aan een criminele organisatie in de zin van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht;
  7. medeplegen van de invoer van een grote hoeveelheid softdrugs.

De verdachte heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

De raadsman heeft primair bepleit dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de strafvervolging van de verdachte en subsidiair dat de verdachte van de ten laste gelegde feiten zal worden vrijgesproken. In meer subsidiaire zin heeft hij een strafmaatverweer gevoerd.

Het eerste onderdeel van het verweer betreft de media-aandacht. De raadsman heeft de stelling ingenomen dat de media door het Openbaar Ministerie zijn gevoed en gepaaid en dat daardoor sprake is geweest van een “trial by media”. Het hof stelt die stelling als onjuist terzijde. Nog daargelaten de vraag of het door de verdediging gewraakte handelen wel in het voorbereidend onderzoek heeft plaatsgevonden, valt niet in te zien dat zich onaanvaardbare vormen van media-aandacht hebben voorgedaan. Het is bepaald geen uitzondering dat de media berichten over grootschalige drugsonderzoeken: dat is inherent aan de aard en de omvang ervan.

In dit geval geldt dat des te meer vanwege het feit dat de hoofdverdachte, AJ, tijdens een schorsing van zijn voorlopige hechtenis om het leven is gebracht. Uit het onderzoek ter terechtzitting is naar het oordeel van het hof niet aannemelijk geworden dat de negatieve publiciteit die de verdachte heeft gekregen te wijten is aan de opstelling van het Openbaar Ministerie. De persconferentie die het Openbaar Ministerie heeft gehouden, is buitengewoon ordelijk verlopen; een hetze jegens de verdachte is geenszins gecreëerd. Uit het onderzoek ter terechtzitting is evenmin aannemelijk geworden dat het Openbaar Ministerie dossierstukken heeft gelekt naar de media. Het Openbaar Ministerie kan niet voorkomen - en dat is zijn taak ook niet - dat journalisten door henzelf geredigeerde berichten naar buiten brengen, noch dat burgers foto’s maken van politieoptreden en deze al dan niet voorzien van commentaar de (digitale) wereld in te brengen.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Afwijzing hoger beroep: verzoek ex artikel 591a Sv toegewezen ondanks dat kosten voor rechtsbijstand nog door verzoekster moeten worden voldaan

Gerechtshof Den Haag 25 juli 2013, ECLI:NL:GHDHA:2013:5303

Bij vonnis van de kantonrechter te Rotterdam van 29 november 2011 is verzoeker vrijgesproken van het aan haar in haar strafzaak tenlastegelegde.

Verzoekster heeft vervolgens bij een op 1 maart 2012 ter griffie van de rechtbank Rotterdam binnengekomen verzoekschrift verzocht haar op de voet van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering een bedrag toe te kennen van € 2.129,25 als vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand in de strafzaak, een bedrag van € 5,40 als vergoeding voor de door verzoekster in verband met zittingen gemaakte reiskosten, alsmede de forfaitaire vergoeding van € 540,- voor kosten van rechtsbijstand in verband met het opstellen, indienen en behandelen van het onderhavige verzoekschrift, derhalve in totaal een bedrag van € 2.674,55.

De rechtbank Rotterdam heeft bij beschikking van 19 februari 2013 het verzoek integraal toegewezen en aan verzoekster de verzochte vergoeding van € 2.674,55 toegekend.

De officier van justitie heeft op 26 februari 2013 hoger beroep tegen deze beschikking ingesteld.

De advocaat-generaal heeft –anders dan het schriftelijke standpunt van de advocaat-generaal van 30 mei 2013- geconcludeerd tot afwijzing van het hoger beroep van de officier van justitie.

Beoordeling Gerechtshof

De strafzaak tegen verzoekster is geëindigd met een beslissing, die haar op grond van artikel 591a, eerste en tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering in beginsel recht geeft op vergoeding van de ten behoeve van de strafzaak gemaakte reiskosten en kosten voor rechtsbijstand, indien en voor zover daartoe, naar het oordeel van het hof, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.

Het hof dient derhalve vast te stellen of er daadwerkelijk sprake is van kosten voor rechtsbijstand en zo ja, of deze kosten ook ten laste van verzoeker zijn gekomen of nog zullen komen.

In eerste aanleg heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat –nu de advocaat van verzoekster heeft verklaard dat de declaratie voor de verleende rechtsbijstand nog niet nog door verzoekster is voldaan- verzoekster geen kosten voor rechtsbijstand in de zin van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering heeft gemaakt en dat het verzoek voor wat betreft de verzochte vergoeding voor kosten van rechtsbijstand in de strafzaak dient te worden afgewezen.

De rechtbank heeft op dit punt het volgende overwogen: “De rechtbank verwerpt evenwel de stelling van de officier van justitie dat de kosten voor rechtsbijstand niet daadwerkelijk ten laste van verzoekster zijn gekomen zolang zij de factuur van haar advocaat nog niet heeft voldaan. Gebleken is immers dat de verzoekster een schuld aan haar advocaat heeft in de vorm van een betalingsverplichting. Een dergelijke schuld tast naar haar aard het vermogen van de cliënt van een advocaat in negatieve zin aan. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het ontstaan van een betalingsverplichting krachtens een vooraf gemaakte afspraak tussen een advocaat en zijn cliënt reeds meebrengt dat de kosten voor rechtsbijstand daadwerkelijk ten laste van betrokken cliënt zijn gekomen. Naast een urenstaat, de declaratie(s) en een opgave van het uurtarief van de advocaat – zulks teneinde de betalingsverplichting te kunnen beoordelen – acht de rechtbank het in beginsel niet noodzakelijk dat dienaangaande nog andere informatie wordt verstrekt. Uitgaande van een reële betalingsverplichting behoeven de door de officier van justitie in openbare raadkamer opgeworpen vragen of de verzoekster ten tijde van de beoordeling van haar verzoek al aan haar betalingsverplichting had voldaan en welke afspraken omtrent de (termijnen van de) daadwerkelijke betaling zijn gemaakt dan ook geen beantwoording.”

De rechtbank heeft vervolgens, bezien in het licht van voorgaande, gronden van billijkheid aanwezig geacht om alle opgevoerde kosten voor de noodzakelijk verdediging van de tegen verzoekster geëntameerde strafzaak tot het verzochte bedrag van € 2.129,16 voor vergoeding in aanmerking te brengen. Daarboven heeft de rechtbank een bedrag toegekend van € 5,40 als vergoeding voor gemaakte reiskosten en een (forfaitair) bedrag van € 540,- als vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand in verband met onderhavige verzoekschriftprocedure.

In zijn appelmemorie van 26 maart 2013 heeft de officier van justitie mr. R.P. Schoute zijn in eerste aanleg ingenomen standpunt herhaald. Door de officier van justitie is in zijn appelmemorie niet weersproken dat –zoals de rechtbank heeft vastgesteld- voor verzoekster in verband met de aan haar in haar strafzaak verleende rechtsbijstand een betalingsverplichting aan haar advocaat is bestaat.

Het hof stelt derhalve –gelijk de rechtbank – vast dat verzoekster gehouden is de declaratie van haar advocaat te voldoen.

Voor zover de officier van justitie in zijn appelmemorie verwijst naar jurisprudentie van dit hof (LJN:BY9032), waarin ook sprake zou zijn geweest van een nog niet voldane declaratie en waarin het hof het verzoek heeft afgewezen omdat niet was komen vast te staan dat verzoekster de kosten zou hebben voldaan, overweegt het hof dat in die casus sprake was van een andere situatie. Immers, het hof heeft toen de vraag of van de zijde van verzoekster sprake was van een (op basis van de declaratie ontstane) betalingsverplichting ontkennend beantwoord op grond van de volgende omstandigheden:

  • verzoekster heeft in 2005 en 2006 een bijstandsuitkering genoten;
  • de gespecificeerde declaratie ziet op werkzaamheden uitgevoerd in 2005 en 2006;
  • daarna is er verder geprocedeerd op basis van een toevoeging;
  • voornoemde declaratie met betrekking tot in 2005 en 2006 verrichte werkzaamheden dateert van 21 januari 2011, drie dagen vóór de ondertekening van het verzoekschrift;
  • verzoekster “stemt in” met de declaratie; de declaratie omvat een aanmerkelijk openstaand bedrag dat nog “resteert te voldoen”.

Nu ook het hof van oordeel is dat de kosten voor rechtsbijstand in de strafzaak nog door verzoekster zullen moeten worden voldaan brengt de behandeling van het hoger beroep het hof – mede gelet op het voorgaande- niet tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van de rechtbank.

Dit brengt mee dat het hoger beroep moet worden afgewezen.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling wegens overtreding art. 13 Flora- en faunawet & deelname aan criminele organisatie. Hetzelfde feit: verhouding Vogelrichtlijn & Flora- en faunawet.

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 21 maart 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:884

Beslissing van de rechtbank tot wijziging van de tenlastelegging van feit 4

Door de verdediging is aangevoerd dat de vordering tot wijziging van de tenlastelegging van feit 4 niet hetzelfde feit inhoudt in de zin van art. 313 Sv, zowel voor wat betreft de toevoeging van het tweede gedachtestreepje aan het primair ten laste gelegde als de toevoeging van het subsidiair ten laste gelegde.

Hetzelfde feit

In de oorspronkelijke tenlastelegging is aan de verdachte onder feit 4 ten laste gelegd dat: hij in of omstreeks de periode 1 januari 2008 tot en met 16 juli 2009 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en/of te Breda en/of te Dinteloord, althans in Nederland en/of te Curaçao, althans in de Nederlandse Antillen, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van natuurlijke personen en/of rechtspersonen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk

- het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland invoeren van (producten van) dieren, behorende tot een beschermde in- en/of uitheemse diersoort en/of - het valselijk en/of vervalsen van documenten met betrekking tot de invoer van voornoemde beschermde in- en/of uitheemse dieren met het oogmerk die geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken en/of - het in strijd met de bij of krachtens de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren gestelde regels en/of in strijd met het (invoer)verbod, binnen Nederland brengen van vogels, die dragers van smetstof kunnen zijn.

In de vordering tot wijziging van de tenlastelegging wordt aan verdachte onder feit 4 verweten dat hij in of omstreeks de periode mei 2008 tot en met 16 juli 2009 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, in elk geval in Nederland en/of te Curaçao, althans in de Nederlandse Antillen, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van natuurlijke personen en/of rechtspersonen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk

- het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van (producten van) vogels, behorende tot een beschermde in- en/of uitheemse diersoort en/of - het opzettelijk in strijd met de bij of krachtens de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren gestelde regels, te weten artikel 2.1 lid 2 van de ‘Regeling handel levende dieren en levende producten’ binnen Nederland brengen van vogels, die waren verzonden vanuit een derde land, te weten de Nederlandse Antillen, en via Nederland voor het eerst in de gebieden waarop het Verdrag betreffende de Europese Unie van toepassing is, werden gebracht.

Voorts is aan dit feit als subsidiair feit toegevoegd dat: hij op of omstreeks 4 juni 2008 en/of 22 oktober 2008 en/of 25 februari 2009 en/of 14 mei 2009 en/of 10 juli 2009, in elk geval op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode mei 2008 tot en met 16 juli 2009 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, in elk geval in Nederland tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen (telkens) al dan niet opzettelijk vogels in Nederland heeft gebracht, die waren verzonden vanuit een derde land, te weten de Nederlandse Antillen, en via Nederland voor het eerst in de gebieden waarop het Verdrag betreffende de Europese Unie van toepassing is, werden gebracht.

De rechtbank heeft de vordering tot wijziging van de tenlastelegging toegewezen.

Bij de beoordeling van het verweer neemt het hof het arrest van de Hoge Raad van 1 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BM 9102 als uitgangspunt.

Voor wat betreft de wijziging van de tenlastelegging onder feit 4 primair:

De door de officier van justitie ingediende vordering tot wijziging van de tenlastelegging strekte ertoe de omschrijving van de misdrijven waarop het oogmerk van de organisatie was gericht te wijzigen in die zin dat in plaats van het in strijd met de bij of krachtens de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren gestelde regels en/of in strijd met het (invoer)verbod binnen Nederland brengen van vogels die dragers van smetstof kunnen zijn, in de tenlastelegging zou worden opgenomen het opzettelijk in strijd met de bij of krachtens de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren gestelde regels, te weten art. 2.1 lid 2 van de Regeling handel levende dieren en levende producten, binnen Nederland brengen van vogels die waren verzonden vanuit een derde land en via Nederland voor het eerst in de gebieden waarop het Verdrag betreffende de Europese Unie van toepassing is werden gebracht.

Bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van de wijziging van de tenlastelegging is de aan te leggen maatstaf of de in de oorspronkelijke tenlastelegging omschreven gedraging hetzelfde feit in de zin van art. 313, tweede lid, Sv in verbinding met art. 68 Sr vormt als de in de vordering tot wijziging van de tenlastelegging omschreven gedraging. Het hof beantwoordt deze vraag bevestigend. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de verdachte in beide gevallen wordt verweten dat hij heeft deelgenomen aan een organisatie die het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft, dat de in de gewijzigde tenlastelegging genoemde periode valt binnen de periode zoals vermeld in de oorspronkelijke tenlastelegging, dat het gaat om hetzelfde samenwerkingsverband dat in de ten laste gelegde periode tot oogmerk heeft gehad het vanuit Curaçao binnen Nederland brengen van vogels waarbij niet werd voldaan aan wettelijke voorschriften en dat zowel de oorspronkelijke tenlastelegging als de tenlastelegging na wijziging betrekking hebben op handelen in strijd met de bij of krachtens de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren gestelde regels.

De wijziging van de tenlastelegging van het onder feit 4 primair ten laste gelegde levert derhalve niet op een zodanig verschil in de juridische aard van de feiten en/of in de gedragingen dat niet meer van hetzelfde feit kan worden gesproken. Derhalve is door de wijziging van de tenlastelegging geen sprake van een ander feit in de zin van art. 313 Sv, in relatie tot art. 68 Sr.

Voor wat betreft de toevoeging van het subsidiair ten laste gelegde:

Aan de verdediging kan worden toegegeven dat de strekking van de delictsomschrijving van art. 140 Sr een andere is dan de strekking van de delictsomschrijving van art. 2.1 lid 2 van de Regeling handel levende dieren en levende producten. Dit neemt echter niet weg dat desondanks sprake kan zijn van hetzelfde feit in de zin van art. 313 Sv en art. 68 Sr. Het hof verwijst in dit kader naar HR 26 november 1996, ECLI:NL:HR:2009:BG4270, NJ 1997, 209. De Hoge Raad overwoog:

‘6.4 Ook al is de strekking van art. 140 Sr een andere dan die van art. 225 Sr, het valt niet uit te sluiten dat met betrekking tot in opeenvolgende telasteleggingen omschreven feiten, strafbaar ingevolge art. 140 Sr onderscheidenlijk art. 225 Sr, sprake is van omstandigheden waaruit blijkt van een zodanig verband met betrekking tot de gelijktijdigheid van de gedragingen en de wezenlijke samenhang in het handelen en de schuld van de verdachte, dat ook dan beginselen van een behoorlijke procesorde zich ertegen verzetten dat tegen degene die ter zake van art. 140 Sr is of wordt vervolgd, vervolgens ook ter zake van feiten strafbaar ingevolge art. 225 Sr een vervolging wordt ingesteld.

6.5 Van dergelijke omstandigheden is sprake indien in de op art. 140 Sr toegesneden telastelegging de daarin bedoelde deelneming van de verdachte aan de organisatie aldus is omschreven dat deze (mede) heeft bestaan uit het begaan van concrete misdrijven ingevolge art. 225 Sr, welke vervolgens in een tweede vervolging ingevolge art. 225 Sr afzonderlijk worden telastegelegd. (…)

6.6. Voorts zal, ook indien tussen de door de eerste rechter beoordeelde gedragingen en die welke in de tweede dagvaarding zijn vervat anderszins sprake is van een verband als hiervoor onder 6.4 bedoeld, het openbaar ministerie op grond van beginselen van een behoorlijke procesorde in die tweede vervolging niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. Zodanig geval doet zich voor indien de eerste rechter het bewijs van het op overtreding van art. 140 Sr toegesneden telastegelegde klaarblijkelijk mede heeft aangenomen op grond van bepaalde concrete gedragingen van de verdachte en deze gedragingen vervolgens in een tweede op art. 225 Sr toegespitste telastelegging zijn opgenomen.’

Uit het hiervoor genoemde arrest van de Hoge Raad van 1 februari 2011 blijkt dat de Hoge Raad een verduidelijking heeft beoogd te geven van de in de rechtspraak ontwikkelde maatstaf voor de toepassing van art. 68 Sr en art. 313 Sv over "hetzelfde feit" en dat geen inhoudelijke verandering werd beoogd. Voorts blijkt uit dat arrest dat bij de toepassing van art. 68 Sr en art. 313 Sv aan de hand van dezelfde maatstaf moet worden beoordeeld of sprake is van "hetzelfde feit" en dat de rechter daarbij zijn beslissing dient te nemen tegen de achtergrond van de door art. 68 Sr en art. 313 Sv beschermde belangen.

Uit het arrest HR 26 november 1996 blijkt dat ondanks het verschil in strekking tussen art. 140 Sr en het concrete delict sprake kan zijn van omstandigheden waaruit blijkt van een zodanig verband met betrekking tot de gelijktijdigheid van de gedragingen en de wezenlijke samenhang in het handelen en de schuld van de verdachte, dat beginselen van een behoorlijke procesorde zich ertegen verzetten dat tegen degene die ter zake van art. 140 Sr is of wordt vervolgd, vervolgens ook ter zake van het concrete delict een vervolging wordt ingesteld. In geval niet opnieuw een vervolging kan worden ingesteld omdat sprake is van hetzelfde feit, verschaft art. 313 Sv de mogelijkheid de tenlastelegging te wijzigen.

In de onderhavige zaak zijn in de tenlastelegging van art. 140 Sr de misdrijven waarop het oogmerk van de organisatie zou zijn gericht omschreven. De concrete aan de verdachte verweten gedragingen zijn echter niet nader omschreven. Gebleken is echter dat die aan de verdachte verweten gedragingen – onder meer – bestaan uit het in de ten laste gelegde periode al dan niet tezamen en in vereniging met een of meer anderen opzettelijk in strijd met art. 2.1 lid 2 van de Regeling handel levende dieren en levende producten vanuit Curaçao binnen Nederland brengen van vogels. In de vordering tot wijziging van de tenlastelegging worden in het subsidiair ten laste gelegde aan de verdachte diezelfde concrete gedragingen verweten.

Gelet hierop en gelet op de door art. 68 Sr en art. 313 Sv beschermde belangen – het verhinderen enerzijds dat verdachte ten tweede male wordt vervolgd voor hetzelfde feit en anderzijds dat verdachte tijdens een lopende vervolging wordt geconfronteerd met een vervolging ter zake van een ander feit – is in het onderhavige geval sprake van een zodanig verband met betrekking tot de gelijktijdigheid van de gedragingen en de wezenlijke samenhang in het handelen en de schuld van de verdachte dat ondanks het verschil in strekking sprake is van hetzelfde feit in de zin van art. 68 Sr en art. 313 Sv.

De beslissing van de rechtbank om de vordering tot wijziging van de tenlastelegging toe te wijzen is dan ook juist. De verweren worden verworpen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – ten laste gelegd dat:

1. hij in of omstreeks de periode van 14 tot en met 17 mei 2009 en/of op of omstreeks 10 juli 2009, in elk geval op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode mei 2009 tot en met 10 juli 2009 te Curaçao, althans in de Nederlandse Antillen en/of te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en/of te Breda en/of te Dinteloord, althans in Nederland, al dan niet opzettelijk, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, dieren behorende tot een beschermde in- en/of uitheemse diersoort, te weten onder meer indigovinken (Passerina cyanea) en/of zwartvleugeltangare (Piranga olivacea) en/of Blauwe Bisschoppen en/of Roodborstkardinalen (Pheucticus Ludovicianus), ten verkoop voorhanden en/of in voorraad heeft gehad en/of heeft verkocht of ten verkoop aangeboden en/of heeft vervoerd en/of heeft afgeleverd en/of binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht en/of onder zich heeft gehad;

4. primair hij in of omstreeks de periode mei 2008 tot en met 16 juli 2009 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, in elk geval in Nederland en/of te Curaçao, althans in de Nederlandse Antillen, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van natuurlijke personen en/of rechtspersonen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk

- het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van (producten van) vogels, behorende tot een beschermde in- en/of uitheemse diersoort en/of - het opzettelijk in strijd met de bij of krachtens de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren gestelde regels, te weten artikel 2.1 lid 2 van de ‘Regeling handel levende dieren en levende producten’ binnen Nederland brengen van vogels, die waren verzonden vanuit een derde land, te weten de Nederlandse Antillen, en via Nederland voor het eerst in de gebieden waarop het Verdrag betreffende de Europese Unie van toepassing is, werden gebracht;

4. subsidiair hij op of omstreeks 4 juni 2008 en/of 22 oktober 2008 en/of 25 februari 2009 en/of 14 mei 2009 en/of 10 juli 2009, in elk geval op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode mei 2008 tot en met 16 juli 2009 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, in elk geval in Nederland tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen (telkens) al dan niet opzettelijk vogels in Nederland heeft gebracht, die waren verzonden vanuit een derde land, te weten de Nederlandse Antillen, en via Nederland voor het eerst in de gebieden waarop het Verdrag betreffende de Europese Unie van toepassing is, werden gebracht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Door de verdediging is aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging van de niet-opzettelijke variant van het onder feit 4 subsidiair ten laste gelegde.

Ter terechtzitting van 21 februari 2014 heeft het hof bepaald dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk wordt verklaard in de vervolging voor zover betrekking hebbend op de onder feit 4 subsidiair ten laste gelegde overtreding.

Ter terechtzitting van de rechtbank van 14 september 2011 heeft de officier van justitie bij de toelichting op de vordering tot wijziging van de tenlastelegging opgemerkt dat alleen de opzetvariant aan de orde is en niet de onopzettelijke variant. Desgevraagd heeft de officier van justitie meegedeeld dat zij de onopzettelijke variant intrekt.

Verzuimd is echter om een nieuwe vordering tot wijziging van de tenlastelegging in te dienen dan wel de reeds ingediende vordering te wijzigen. De rechtbank heeft vervolgens de vordering toegewezen, met inbegrip van de niet-opzettelijke variant.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal opgemerkt dat hij, gelet op het standpunt van de officier van justitie in eerste aanleg, in geval van vrijspraak van het primair ten laste gelegde en van de opzettelijke variant van het subsidiair ten laste gelegde, geen veroordeling zal vorderen voor de niet-opzettelijke variant van het subsidiair ten laste gelegde. Hieruit leidt het hof af dat de advocaat-generaal in de kern geen ander standpunt heeft ingenomen dan de officier van justitie in eerste aanleg.

Door de mededeling van de officier van justitie is bij de verdachte het gerechtvaardigde vertrouwen gewekt dat de vervolging na wijziging van de tenlastelegging zich feitelijk niet uitstrekt tot de niet-opzettelijke variant van het subsidiair ten laste gelegde. Gelet op dit bij de verdachte opgewekte vertrouwen is het openbaar ministerie niet ontvankelijk in de vervolging voor zover betrekking hebbend op de onder feit 4 subsidiair ten laste gelegde overtreding, zoals blijkt uit de woorden ‘al dan niet’.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 4 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat: hij in of omstreeks de periode van 14 tot en met 17 mei 2009 in Nederland, opzettelijk, tezamen en in vereniging met anderen, dieren behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te weten indigovinken (Passerina cyanea) en Blauwe Bisschoppen en Roodborstkardinalen (Pheucticus Ludovicianus) ten verkoop voorhanden heeft gehad en heeft verkocht of ten verkoop aangeboden en heeft vervoerd en binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht en onder zich heeft gehad, en hij op 10 juli 2009 in Nederland, opzettelijk, tezamen en in vereniging met anderen, dieren behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te weten indigovinken (Passerina cyanea) en zwartvleugeltangare (Piranga olivacea) ten verkoop voorhanden heeft gehad en binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht en onder zich heeft gehad;

4. primair hij in de periode van mei 2008 tot en met 16 juli 2009 in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk

- het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van vogels, behorende tot een beschermde inheemse diersoort en - het opzettelijk in strijd met de bij of krachtens de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren gestelde regels, te weten artikel 2.1 lid 2 van de ‘Regeling handel levende dieren en levende producten’ binnen Nederland brengen van vogels, die waren verzonden vanuit een derde land, te weten de Nederlandse Antillen, en via Nederland voor het eerst in de gebieden waarop het Verdrag betreffende de Europese Unie van toepassing is, werden gebracht.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Skimming, valsheid in geschrifte & wetenschapsvereiste

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 26 maart 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:886

Aan verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 01 september 2012 te Budel, gemeente Cranendonck, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een valse of vervalste betaalpas, althans een valse of vervalste (waarde)kaart, bestemd voor het verrichten van betalingen langs geautomatiseerde weg, als ware deze betaalpas of (waarde)kaart echt en onvervalst, bestaande het gebruik maken hierin dat hij tezamen en in vereniging met zijn medeverdachte met deze betaalpas, althans (waarde)kaart, (een) elektronische betaling(en) heeft verricht voor het verkrijgen van een hoeveelheid brandstof (ongeveer 142 liter) en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat op de magneetstrip van die betaalpas of (waarde)kaart valselijk de oorspronkelijke magneetstripgegevens van een door [benadeelde] rechtmatig gehouden originele betaalpas ([nummer]) waren aangebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het openbaar ministerie ontvankelijk zal verklaren in het hoger beroep, het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende:

  • verdachte ter zake van het ten laste gelegde zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 dagen waarvan 3 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met aftrek van voorarrest;
  • aan deze voorwaardelijke gevangenisstraf de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden zal verbinden;
  • de vordering van de benadeelde partij zal toewijzen tot een bedrag van € 184,84 met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en voor het overige de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering zal verklaren.

De raadsman heeft:

  • verzocht dat hof zich uitlaat over de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie en zich gerefereerd aan dat oordeel;
  • bepleit dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, nu het bewezen verklaarde geen strafbaar feit oplevert;
  • verzocht om, indien het hof het bewezen verklaarde strafbaar verklaart, te volstaan met een oplegging conform het reeds ondergane voorarrest;
  • verzocht ingeval van een bewezen verklaring de vordering van de benadeelde partij toe te wijzen tot een bedrag van € 182,84.

Wetenschapsvereiste

Het hof overweegt dat artikel 232, tweede lid, bestaat uit twee te onderscheiden strafbaarstellingen, te weten (1) het opzettelijk gebruik maken van de valse of vervalste pas of kaart als ware deze echt en onvervalst en (2) het opzettelijk zodanige pas of kaart afleveren, voorhanden hebben, ontvangen, zich verschaffen, vervoeren, verkopen of overdragen.

De vraag waarvoor het hof zich gesteld ziet is of het wetenschapsvereiste als omschreven in de laatste zinsnede van artikel 232, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht een bestanddeel is van beide strafbaarstellingen dan wel alleen van de laatst genoemde strafbaarstelling.

Uit de Memorie van Toelichting bij artikel 232 van het Wetboek van Strafrecht blijkt dat dit artikel is ingevoerd om een bepaling op te nemen omtrent betaalpassen en kaarten, die mogelijk niet door artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht (het hof: valsheid in geschrifte) werden afgedekt (Kamerstukken II 1990–1991, 21 551, nr. 3).

Het hof stelt dan ook vast dat de redactie van artikel 232, tweede lid, naar analogie van artikel 225, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht is opgesteld. Bij de beoordeling van het verweer van de raadsman heeft het hof derhalve aansluiting gezocht bij de wetsgeschiedenis van artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht.

Bij de Wet van 4 juni 1992 tot wijziging van enige bepalingen inzake valsheid in geschrift in het Wetboek van Strafrecht is aan artikel 225, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht toegevoegd:“dan wel het opzettelijk een vals of vervalst geschrift afleveren of voorhanden hebben, terwijl men weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat dit geschrift bestemd is voor zodanig gebruik.”

Het oorspronkelijk wetsvoorstel bevatte aanvankelijk een andere strafbaarstelling (Kamerstukken II 1988–1989, 21 186, nr. 1-2, blz. 2), namelijk: “2. Met dezelfde straf wordt gestraft hij die (…) opzettelijk zodanig geschrift, wetende dat daarvan zulk gebruik kan worden gemaakt, aflevert of voorhanden heeft, indien uit dat gebruik, afleveren of voorhanden hebben enig nadeel kan ontstaan”.

In de Memorie van Antwoord wordt opgemerkt dat het wetsvoorstel ertoe strekt een leemte op te heffen die blijkt te bestaan met betrekking tot het afleveren en voorhanden hebben van valse en vervalste stukken (Kamerstukken II 1990–1991, 21 186, nr. 5, blz. 1).

Bij de Nota van Wijziging is de huidige wettekst voorgesteld (Kamerstukken II 1990–1991, 21 186, nr. 6, blz. 1).

Ten aanzien van deze wijziging wordt in de Memorie van Antwoord opgemerkt: ‘In het (het hof: oorspronkelijke) wetsvoorstel zoals dat is ingediend, wordt strafbaar gesteld elk opzettelijk afleveren of voorhanden hebben van een vals of vervalst geschrift, indien de dader weet dat van het geschrift zulk gebruik - dat wil zeggen gebruik als ware het echt en onvervalst - kan worden gemaakt. Opzettelijk houdt in dat de dader weet dat het stuk valselijk is opgemaakt of is vervalst. Een vals of vervalst stuk kan uiteraard altijd ter misleiding worden gebruikt. De wetenschap dat dit kan gebeuren, voegt dan ook geen bestanddeel aan de delictsomschrijving toe (onderstreping hof).

Bij nota van wijziging wordt voorgesteld strafbaar te stellen het opzettelijk een vals of vervalst geschrift afleveren of voorhanden hebben, terwijl men weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat dit geschrift bestemd is voor zodanig gebruik, hetgeen in de context van die bepaling betekent gebruik als ware het geschrift echt en onvervalst..’ (Kamerstukken II 1990–1991, 21 186, nr. 5, blz. 8).’

Uit de Nota naar aanleiding van het Eindverslag blijkt dat voor deze redactie is gekozen omdat: “de bepaling zich niet alleen richt tegen degene die zélf beoogt het stuk [als echt en onvervalst] te gebruiken. Ook degene die zich bewust is, of redelijkerwijs moet zijn, van dat gebruik door anderen - en daarvoor de voorwaarden schept doordat hij het stuk voorhanden heeft of aflevert - dient ingevolge deze bepaling strafbaar te zijn. Zijn rol in het circuit van frauduleuze operaties is in abstracto niet van geringere betekenis dan die van degene die de valsheid zelf voor zijn rekening neemt.” (Kamerstukken II 1990–1991, 21 186, nr. 8, blz. 6)

De betreffende wijziging van artikel 225, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht is op 1 augustus 1992 in werking getreden. Artikel 232, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht is met ingang van 1 juli 2000 op gelijke wijze geredigeerd.

Het hof is van oordeel dat uit deze wetgeschiedenis blijkt dat het opzettelijk gebruik maken van een (ver)vals(t) geschrift als ware deze echt en onvervalst, reeds impliceert dat de gebruikmaker weet dat het geschrift valselijk is opgemaakt en een dergelijk geschrift ter misleiding kan worden gebruikt, dit in tegenstelling tot degene die het (ver)vals(t)e geschrift enkel opzettelijk voorhanden heeft of aflevert aan degene die daar gebruik van zal maken. Die persoon is alleen strafbaar indien tevens is voldaan aan het wetenschapsvereiste, dat hij weet of moet vermoeden dat de pas of kaart bestemd is voor zodanig gebruik, te weten het gebruik als ware de pas of de kaart echt en onvervalst.

Het hof is derhalve van oordeel dat het wetenschapsvereiste enkel een bestanddeel is van de strafbaarstelling die ziet op het opzettelijk afleveren of voorhanden hebben van de (ver)vals(t)e pas of kaart en niet van het opzettelijk gebruik maken daarvan.

Blijkens de tenlastelegging ziet het ten laste gelegde feit op de strafbaarstelling van het opzettelijk gebruik maken van een (ver)vals(t)e pas of kaart als ware deze echt en onvervalst. Nu artikel 232, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht naar analogie is opgesteld van artikel 225, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht is het hof - gelet op het hiervoor overwogene - van oordeel, dat het wetenschapsvereiste niet behoefde te worden ten laste gelegd.

Het hof verwerpt dan ook het verweer van de raadsman strekkende tot ontslag van alle rechtsvervolging en kwalificeert het bewezen verklaard als: het medeplegen van het opzettelijk gebruik maken van de valse pas als bedoeld in artikel 232, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware deze echt en onvervalst.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 60 dagen waarvan 49 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Volledige vergoeding reis- en wachttijd raadsman

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 3 februari 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:2565

Bij in kracht van gewijsde gegaan arrest van het hof van 2 mei 2013 is verzoeker vrijgesproken van het hem onder 1 primair en subsidiair en onder 2 tenlastegelegde. De zaak is derhalve geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot afwijzing van de geclaimde kosten tijdverzuim en tot gedeeltelijke toewijzing van de gevraagde vergoeding in de kosten van de raadsman, met dien verstande dat de kosten rechtsbijstand worden gematigd. Met betrekking tot de hoogte van de toe te wijzen vergoeding refereert de advocaat-generaal zich aan het oordeel van het hof.

De raadsman heeft gepersisteerd bij het verzoek en heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof met betrekking tot het door de advocaat-generaal gestelde ten aanzien van de matiging van de kosten rechtsbijstand.

Beoordeling Hof

Bij de beoordeling van het verzoek tot vergoeding van de kosten wegens tijdsverzuim is het hof van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat verzoeker daadwerkelijk schade heeft geleden door het tijdverzuim. Het hof neemt hierbij in overweging dat verzoeker tijdig op de hoogte is gesteld van de behandelingen van de strafzaak en dat hij bij het maken van afspraken met patiënten daarbij rekening heeft kunnen houden. Tevens is het hof evenmin gebleken dat verzoeker een vervanger heeft ingezet bij zijn afwezigheid.

Bij de beoordeling van het verzoek tot vergoeding van de kosten van de raadsman in de zin van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering stelt het hof voorop dat de declaratie van de raadsman niet meer is dan een uitgangspunt, dat door het hof wordt betrokken in zijn oordeel of er, alle omstandigheden in aanmerking genomen, grond van billijkheid aanwezig zijn aan verzoeker een vergoeding toe te kennen voor de kosten van de raadsman en zo ja tot welk bedrag. Het hof heeft ten aanzien van de gevraagde vergoeding ter zake van de kosten voor rechtsbijstand acht geslagen op de aard, de omvang en de complexiteit van de strafzaak.

Het hof heeft als beleid dat de gedeclareerde reistijd van de raadsman slechts voor de helft dan wel voor het halve uurtarief in aanmerking wordt genomen. Het hof is gebleken dat de andere hoven, in afwijking van dit hof, het volledige uurtarief aan gedeclareerde reistijd vergoeden. Gelet op de rechtseenheid zal het hof zich bij de werkwijze van de andere hoven aansluiten en derhalve de volledige gedeclareerde reistijd vergoeden.

Het hof zal op gronden van billijkheid als vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand toekennen een bedrag van € 31.615,95 (inclusief BTW).

Gelet op de landelijke aanbeveling inzake verzoekschriften schadevergoeding kan in het onderhavige geval als vergoeding voor kosten verbonden aan de indiening en behandeling van dit verzoekschrift worden toegewezen een bedrag van € 550 (inclusief BTW).

Met inachtneming van het bovenstaande kan aan verzoeker worden toegekend:

  • aan kosten rechtsbijstand € 31.615.95
  • kosten verzoekschrift € 550

totaal € 32.165,95

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Onderzoek Boerdijk: Integrale vrijspraak van criminele organisatie en valsheid in geschrift

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 18 maart 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:2259

Het hof bespreekt de aan verdachte onder feit 1 omschreven verdenking van deelname aan een criminele organisatie als laatste in verband met de verwevenheid daarvan met het aan verdachte onder feit 2 ten laste gelegde.

Vrijspraakmotivering ten aanzien van feit 2: valsheid in geschrift

Aan verdachte wordt verweten dat hij zich in de periode van 1 december 2008 tot en met 20 oktober 2010 te Deventer schuldig heeft gemaakt aan het tezamen en in vereniging plegen van valsheid in geschrift (primair) dan wel het gebruik maken van (een) vals(e) geschrift(en) (subsidiair).

Het standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft onder verwijzing naar de uitwerking van de bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverweging van de rechtbank in het vonnis gevorderd verdachte ter het hem onder 2 tenlastegelegde te veroordelen. De advocaat-generaal kan zich vinden in de deelvrijspraken van de rechtbank.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van zowel het primair als het subsidiair ten laste gelegde. De raadsvrouw heeft hiertoe aangevoerd dat er onvoldoende aanwijzingen zijn dat verdachte zelf of in een nauwe en bewuste samenwerking met een of meer anderen opzettelijk valse documenten heeft gemaakt dan wel hier gebruik van heeft gemaakt.

Het oordeel van het hof

Vooropgesteld wordt dat medeverdachte [medeverdachte2], medebestuurder van [medeverdachte3], tegenover de politie, de raadsheer-commissaris en als getuige tegenover het hof verklaard heeft dat hij verantwoordelijk was voor de boekhouding van [medeverdachte3] en dat hij een aantal kwitanties en een aantal overeenkomsten heeft voorzien van een valse handtekening. [medeverdachte2] heeft verklaard dat het opmaken van die valse kwitanties en overeenkomsten opzettelijk is gedaan ten behoeve/ uit hoofde van [medeverdachte3] en dat de valse documenten zijn opgenomen in de administratie van [medeverdachte3], teneinde de administratie kloppend te maken. Het hof is van oordeel dat de hierna in de bewezenverklaring opgenomen documenten valselijk door [medeverdachte2] zijn opgemaakt. Het hof rekent deze gedraging ook toe aan [medeverdachte3] en is van oordeel dat medebestuurder [medeverdachte1] aan deze gedragingen mede feitelijk leiding heeft gegeven.

Uit het dossier volgt dat verdachte werkzaam was op kantoor van [medeverdachte3] en administratieve werkzaamheden verrichtte. Verdachte heeft ter terechtzitting van het hof verklaard dat hij de urenstaten van de gewerkte uren van de werknemers in de computer verwerkte. Deze urenstaten ontving [medeverdachte3] van [bedrijf]. Voorts heeft verdachte verklaard dat [medeverdachte2] bepaalde welke wekelijkse betalingen aan personeel moesten plaatsvinden en of deze betalingen bancair of per kas moesten geschieden. Uit de verklaring die [medeverdachte2] als getuige heeft afgelegd tegenover het hof d.d. 23 januari 2014 volgt dat hij verdachte en medeverdachte [medeverdachte6] in voorkomende gevallen vroeg om een voorschotbon op te stellen en geld aan werknemers uit te keren. Van de zijde van de verdediging wordt dit niet betwist.

Voor een bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde is vereist dat ten aanzien van elk afzonderlijk in de tenlastelegging opgenomen document moet komen vast te staan dat verdachte uitvoeringshandelingen heeft verricht dan wel met betrekking tot deze specifiek aangeduide documenten in nauwe en bewuste samenwerking met een ander/anderen heeft samengewerkt.

Het hof is van oordeel dat de rechtbank en de advocaat-generaal hier ten onrechte aan voorbij gegaan zijn. Naar het oordeel van het hof is op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet komen vast te staan dat verdachte ten aanzien van de in de tenlastelegging onder primair opgenomen documenten enige uitvoeringshandeling/uitvoeringshandelingen heeft verricht dan wel in nauwe en bewuste samenwerking met een ander/anderen uitvoeringshandelingen heeft verricht. De omstandigheid - zoals door de advocaat-generaal aangevoerd - dat er een wekelijks overleg plaatsvond waarbij ook verdachte aanwezig was en waarin ondermeer zaken werden besproken die administratief niet goed gegaan waren en waarbij werd medegedeeld dat deze onvolkomenheden opgelost dienden te worden, kan niet het oordeel dragen dat verdachte op grond daarvan wetenschap had dat deze onvolkomenheden in de administratie door middel van valsheid in geschrifte (achteraf) kloppend werden gemaakt.

Het hof merkt in dit verband nog het volgende op. De enige met oog op verdachtes aandeel in het tenlastegelegde belastende verklaring die in het dossier aanwezig is, is de verklaring van de getuige [getuige9], welke verklaring de rechtbank ook tot het bewijs heeft gebezigd. Hoewel getuige [getuige9] tegenover de politie heeft verklaard dat ondermeer verdachte kasbonnen heeft ondertekend in plaats van werknemers - welke verklaring hij overigens tegenover de rechter-commissaris heeft genuanceerd - volgt uit deze verklaring evenmin of dit de in de tenlastelegging opgenomen documenten betreft. De verklaring van [getuige9] is aldus in die zin niet redengevend voor het bewijs van het de verdachte tenlastegelegde.

Gelet hierop zal verdachte worden vrijgesproken van het hem primair tenlastegelegde. Gelet op het vorenstaande kan evenmin wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte wist dan wel redelijkerwijs moest vermoeden dat de in de tenlastelegging opgenomen documenten vals waren opgemaakt. Van het opzettelijk van de in de tenlastelegging genoemde valse of vervalste geschriften gebruik maken kan derhalve geen sprake zijn. Verdachte wordt mitsdien ook van het subsidiair tenlastegelegde vrijgesproken.

Vrijspraakmotivering ten aanzien van feit 1: deelname criminele organisatie

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het deelnemen aan een criminele organisatie bestaande uit [medeverdachte3], [medeverdachte1], [medeverdachte2], verdachte, [medeverdachte6], [medeverdachte4] en/of een of meer andere personen, welke organisatie tot oogmerk had

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd verdachte te veroordelen ter zake het onder 1 ten laste gelegde, nu verdachte lid is van een criminele organisatie bestaande uit [medeverdachte3], [medeverdachte1], [medeverdachte2], [medeverdachte4], verdachte en [medeverdachte6] en verdachte als deelnemer een aandeel heeft gehad in dan wel ondersteunende gedragingen heeft verricht die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een criminele organisatie, nu[medeverdachte3] niet het oogmerk had om misdrijven te plegen en subsidiair dat verdachte - indien het hof van oordeel is dat sprake is van een criminele organisatie - hier niet aan deelgenomen heeft.

Oordeel hof

Wettelijk kader 140 Sr.

Voor het aan een organisatie als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht deelnemen in de zin van die bepaling zijn de navolgende componenten van belang.

Onder een criminele organisatie wordt verstaan een samenwerkingsverband tussen meerdere personen met een zekere duurzaamheid en structuur, dat tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Daarbij hoeft het plegen van misdrijven niet de enige of voornaamste bestaansgrond van de organisatie te zijn. Een zeker bestendigheid is vereist, maar het gaat niet zover dat vereist is dat de samenstelling van het samenwerkingsverband telkens dezelfde is. Het oogmerk van de criminele organisatie dient gericht te zijn op het plegen van misdrijven. Als bewijs voor het bestaan van het oogmerk van de organisatie kunnen (mede) dienen de misdrijven die zijn gepleegd en het duurzaam en/of gestructureerde karakter van de samenwerking. Aan de bewezenverklaring van het in art. 140 Sr bedoelde oogmerk staat niet in de weg dat de organisatie ook een legaal doel nastreefde.

Volgens bestendige rechtspraak is van deelneming aan een criminele organisatie sprake indien een persoon behoort tot de organisatie en een aandeel heeft in, dan wel ondersteunende gedragingen heeft verricht die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Voor deelname aan de criminele organisatie is niet vereist dat een betrokkene deelneemt aan de misdrijven waarop het oogmerk van de organisatie is gericht. Evenmin is vereist dat een betrokkene samenwerkt of bekend is met alle personen die deel uitmaken van een organisatie. Ten aanzien van de rol van een betrokkene geldt voorts dat een betrokkene in zijn algemeenheid moet weten, in de zin van voorwaardelijk opzet, dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Een betrokkene hoeft echter niet enige vorm van opzet te hebben gehad op concrete door de criminele organisatie beoogde misdrijven.

Het beschermd belang is door de plaatsing van artikel 140 Sr in titel V de openbare orde, maar meer in het bijzonder de bescherming van de samenleving tegen het gevaar dat uitgaat van criminele organisaties.

Vaststelling feiten en omstandigheden

Organisatie en werkwijze van [medeverdachte3]

Medeverdachte3 is op 4 december 2008 opgericht met als bedrijfsactiviteit het invullen van arbeidsplekken in Nederland met werknemers uit de omliggende EU-landen. Het betreft een uitzendbureau. Vanaf de oprichting van [medeverdachte3] is [medeverdachte1] bestuurder in de functie van algemeen directeur en aandeelhouder. Per 5 februari 2009 is als bestuurder eveneens in de functie van algemeen directeur en aandeelhouder toegetreden [medeverdachte2]. Beiden zijn zelfstandig bevoegd.

Voor de tewerkstelling van de uitzendkrachten richt [medeverdachte3] zich op de vlees- en schoonmaakindustrie. Vanaf de oprichting heeft [medeverdachte3] gemiddeld 100 uitzendkrachten aan het werk. Het personeel heeft voornamelijk de Poolse nationaliteit. Het overgrote deel van het personeel is tewerkgesteld bij [bedrijf] (hierna: [bedrijf]).

Met de werknemers werd een uitzendovereenkomst gesloten die opgesteld werd in de Nederlandse taal en waarop het uitzendbeding ex art. 7:691 BW van toepassing werd verklaard. Ingevolge een uitzendbeding eindigt de uitzendovereenkomst van rechtswege als de inlener - dat wil zeggen het bedrijf waar de uitzendkracht feitelijk werkt, in onderhavige zaak [bedrijf] - het uitzendbureau laat weten dat hij de uitzendkracht niet langer wil laten werken.

Aan de werknemers werd de mogelijkheid geboden om van de huisvestingsmogelijkheden van [medeverdachte3] gebruik te maken. De huurprijs bedroeg € 40,- of € 50,- per week op basis van twee personen per slaapkamer en een gezamenlijk gebruik van de woonkamer, keuken en andere voorzieningen. De mogelijkheid bestond om een slaapkamer voor één persoon te huren, tegen een hogere huurprijs. Verdachte [medeverdachte1] heeft gedurende het verhoor als getuige tegenover de raadsheer-commissaris verklaard dat ongeveer 30% tot 35% van de werknemers een woning van [medeverdachte3] huurde.

Voor de werknemers die niet beschikten over eigen vervoer, werd gratis vervoer van en naar het werk aangeboden. De werknemers die over eigen vervoer beschikten kwam een reiskostenvergoeding per kilometer toe van 19 cent per kilometer.

In de fabriek waren folders aanwezig, opgesteld in verschillende talen, met daarin opgenomen de huisregels van de fabriek. [bedrijf] hanteerde disciplinaire maatregelen die in het algemeen bestonden uit de oplegging van boetes. Ook [medeverdachte3] hanteerde disciplinaire maatregelen. Deze maatregelen hadden hoofdzakelijk van doen met het niet nakomen van afspraken en toezeggingen terwijl de continuïteit van het vleesverwerkingsbedrijf dat wel vergde/behoefde. De bedrijfsleider van [bedrijf] heeft tegenover de rechter-commissaris verklaard dat [bedrijf] drie soorten boetes hanteerde, te weten een boete ingeval een werknemer niet kwam werken en zich daar niet tijdig voor afmeldde - ongeacht de reden van afwezigheid -, een boete voor roken op de werkplek en een boete voor alcoholgebruik op de werkplek.

Betaling van het salaris vond op basis van de gewerkte uren, vierwekelijks plaats met de mogelijkheid van contante voorschotten op de vierwekelijkse periode.

Werknemers beschikten over de mogelijkheid om bij [bedrijf] vlees en andere materialen die niet tot de basisuitrusting behoorde, af te nemen. [bedrijf] berekende deze kosten door aan [medeverdachte3]. [medeverdachte3] bracht deze kosten vervolgens in mindering op het salaris van de betreffende werknemer die deze goederen had afgenomen.

De registratie van de uitbetalingen van het salaris was verre van ordentelijk. Een groot deel van de betalingen vonden op verzoek van werknemers per kas plaats maar werden door bestuurder [medeverdachte2] niet, althans niet volledig, verwerkt in de administratie van [medeverdachte3]. Daardoor is een onbetrouwbaar beeld ontstaan van de kasstromen. Verificatie van ondermeer de kasstromen is daardoor - tot op heden - onmogelijk gebleken.

Oordeel hof ten aanzien van in de zaken van (mede)verdachte(n) tenlastegelegde mensenhandel, gewoontewitwassen en valsheid in geschrift

In de zaken van [medeverdachte3], medeverdachte [medeverdachte1] en medeverdachte [medeverdachte2] heeft het hof niet bewezen geacht dat [medeverdachte3] dan wel één van zijn bestuurders zich schuldig heeft gemaakt aan (gewoonte)witwassen, zodat - indien het hof zou oordelen dat sprake is van een criminele organisatie waaraan verdachte heeft deelgenomen - deze organisatie niet gericht kan zijn op het plegen van dit specifieke misdrijf. Dat geldt naar het oordeel van het hof ook met betrekking tot het misdrijf mensenhandel, nu ten aanzien daarvan door het hof is geoordeeld dat alleen medeverdachte [medeverdachte1] zich daaraan heeft schuldig gemaakt. Het hof heeft geoordeeld dat de strafbare gedragingen van [medeverdachte1] niet aan [medeverdachte3] kunnen worden toegerekend. Het hof heeft medeverdachte [medeverdachte2] hier voorts van vrijgesproken, nu niet gebleken is dat hij enige wetenschap had van de strafbare gedragingen van [medeverdachte1].

Uit hetgeen het hof met betrekking tot feit 2 heeft overwogen volgt dat medeverdachte [medeverdachte2] zich schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrift, welke valsheid in geschrift er in bestond dat [medeverdachte2] gedurende een lange periode de kas van [medeverdachte3] achteraf kloppend maakte door kwitanties en overeenkomsten te voorzien van een valse handtekening en deze valse documenten vervolgens op te nemen in de administratie van [medeverdachte3]. Het hof heeft geoordeeld dat het opzet op het gebruik van die valselijk opgemaakte geschriften aan [medeverdachte3] kan worden toegerekend en dat medeverdachte [medeverdachte1] aan het gebruik maken van deze valse documenten mede feitelijk heeft leiding gegeven. Het hof heeft verdachte en medeverdachte [medeverdachte6] van iedere betrokkenheid hierbij vrijgesproken.

Juridische beoordeling

Verdachte en medeverdachten [medeverdachte2], [medeverdachte1], [medeverdachte6] en [medeverdachte4] werkten allen als werknemer, c.q. bestuurder van [medeverdachte3]. In zoverre was er, zoals bij elk bedrijf van enige omvang, sprake van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband. [medeverdachte3] is als bedrijf opgericht met als primaire doel de uitlening van arbeid. Daarin is haar voornaamste bestaansgrond gelegen. Dat sluit echter niet uit dat het doel van het samenwerkingsverband mede is het plegen van misdrijven. Of daarvan sprake is wordt hieronder besproken aan de hand van de misdrijven die het samenwerkingsverband volgens de tenlastelegging ten doel zou hebben gehad.

Mensenhandel in de zin van seksuele uitbuiting is gepleegd door medeverdachte [medeverdachte1]. Die heeft daarbij misbruik gemaakt van zijn positie als directeur/aandeelhouder van [medeverdachte3]. Dat is in feite ook de enige link met het hierboven omschreven samenwerkingsverband. Niet gebleken is van enige samenwerking tussen [medeverdachte1] en anderen met als doel de mensenhandel.

Van witwassen is binnen het samenwerkingsverband in het geheel niet gebleken.

Binnen [medeverdachte3] is wel sprake geweest van het structureel plegen van valsheid in geschrifte. Voor de vraag of dat leidt tot de conclusie dat het oogmerk van bovengenoemd samenwerkingsverband daarop (mede) gericht was zijn onder meer de volgende factoren van belang.

Het delict werd feitelijk gepleegd door medeverdachte, tevens medebestuurder [medeverdachte2], zij het met medeweten van medebestuurder en medeverdachte [medeverdachte1]. Er is onvoldoende gebleken dat anderen in het samenwerkingsverband in enige vorm een bijdrage aan het plegen van dit delict hebben geleverd. Voor zover er al aanwijzingen zijn dat anderen daaraan (sporadisch) een bijdrage hebben geleverd, was deze bijdrage niet noodzakelijk. Feitelijk is het delict aldus door [medeverdachte2] in zijn eentje gepleegd. Hoewel het om een fors bedrag gaat, is de omvang in relatie tot de omzet beperkt en niet is gebleken dat het bedrijf om te kunnen voortbestaan afhankelijk was van het structureel plegen van het delict. Daarnaast is niet gebleken dat de valsheid in geschrifte ertoe strekte deelnemers aan het samenwerkingsverband te verrijken, doch er veeleer toe strekte gelden die binnen de normale bedrijfsuitoefening waren uitgegeven, maar niet behoorlijk waren verantwoord alsnog in de boekhouding te kunnen verantwoorden.

Gelet op de beperkte betekenis van de valsheid in geschrifte voor [medeverdachte3] (er is niet gebleken dat [medeverdachte3] die geschriften ten opzichte van derden heeft gebruikt) en de zeer beperkte rol (voor zover al aanwezig) van de andere in de tenlastelegging genoemde deelnemers in het samenwerkingsverband bij dit delict, kan niet gezegd worden dat er sprake was van een samenwerkingsverband dat (mede) ten doel had het plegen van valsheid in geschrifte.

Verdachte zal worden vrijgesproken van het deelnemen aan een organisatie als bedoeld in art. 140 Sr.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Feitelijke leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren & handelen in strijd met vergunning

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 11 maart 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:2142

Verdachte heeft zich als feitelijk leidinggever schuldig gemaakt aan het handelen in strijd met een voorschrift krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, door percolaatwater, zijnde een verontreinigende en schadelijke stof af te laten stromen in een sloot en voorts aan handelen in strijd met een aantal milieutechnische voorschriften verbonden aan een vergunning die krachtens de Wet milieubeheer was verleend. Daarnaast heeft verdachte co-substraten die niet specifiek op de positieve lijst stonden vermeld, in een co-vergister verwerkt en derhalve in strijd met voorschriften gesteld bij de Wet milieubeheer gehandeld. Het is ook het hof onduidelijk gebleven in welke mate schade voor het milieu is ontstaan door het gebruik van de producten die in dit geval zijn gebruikt.

Ten voordele van verdachte overweegt het hof dat de positieve lijst een gebied is dat in ontwikkeling is, terwijl een aantal van de co-substraten waarover het gaat in deze zaak, inmiddels wel op de positieve lijst staan. Het hof gaat ervan uit dat met de betreffende co-substraten het milieu in ieder geval niet is geschaad. Daarnaast neemt het hof in aanmerking dat diverse aanpassingen en investeringen in het bedrijf na de bewezenverklaarde feiten zijn gedaan om de bedrijfsactiviteiten op juiste wijze te kunnen voortzetten. Ten gunste van verdachte neemt het hof verder in aanmerking het blanco strafblad.

Alles afwegende is het hof van oordeel dat voor wat betreft de overtreding een boete van 200 euro en voor wat betreft de misdrijven een boete van 7.000 euro, waarvan 3.000 euro voorwaardelijk, passend en geboden is, met inachtneming van hetgeen hiervoor is vermeld over de verdeling tussen verdachte en de beide rechtspersonen.

De berechting heeft echter in zowel eerste aanleg als in hoger beroep niet plaats gevonden binnen de redelijke termijn, zodat het hof een matiging met tien procent redelijk acht. Het hof komt derhalve uit op een geldboete van 180 euro voor de overtreding en een geldboete van 6.300 euro, waarvan 3.000 euro voorwaardelijk, voor de misdrijven.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^