Skimming, valsheid in geschrifte & wetenschapsvereiste

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 26 maart 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:886

Aan verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 01 september 2012 te Budel, gemeente Cranendonck, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een valse of vervalste betaalpas, althans een valse of vervalste (waarde)kaart, bestemd voor het verrichten van betalingen langs geautomatiseerde weg, als ware deze betaalpas of (waarde)kaart echt en onvervalst, bestaande het gebruik maken hierin dat hij tezamen en in vereniging met zijn medeverdachte met deze betaalpas, althans (waarde)kaart, (een) elektronische betaling(en) heeft verricht voor het verkrijgen van een hoeveelheid brandstof (ongeveer 142 liter) en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat op de magneetstrip van die betaalpas of (waarde)kaart valselijk de oorspronkelijke magneetstripgegevens van een door [benadeelde] rechtmatig gehouden originele betaalpas ([nummer]) waren aangebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het openbaar ministerie ontvankelijk zal verklaren in het hoger beroep, het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende:

  • verdachte ter zake van het ten laste gelegde zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 dagen waarvan 3 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met aftrek van voorarrest;
  • aan deze voorwaardelijke gevangenisstraf de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden zal verbinden;
  • de vordering van de benadeelde partij zal toewijzen tot een bedrag van € 184,84 met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en voor het overige de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering zal verklaren.

De raadsman heeft:

  • verzocht dat hof zich uitlaat over de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie en zich gerefereerd aan dat oordeel;
  • bepleit dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, nu het bewezen verklaarde geen strafbaar feit oplevert;
  • verzocht om, indien het hof het bewezen verklaarde strafbaar verklaart, te volstaan met een oplegging conform het reeds ondergane voorarrest;
  • verzocht ingeval van een bewezen verklaring de vordering van de benadeelde partij toe te wijzen tot een bedrag van € 182,84.

Wetenschapsvereiste

Het hof overweegt dat artikel 232, tweede lid, bestaat uit twee te onderscheiden strafbaarstellingen, te weten (1) het opzettelijk gebruik maken van de valse of vervalste pas of kaart als ware deze echt en onvervalst en (2) het opzettelijk zodanige pas of kaart afleveren, voorhanden hebben, ontvangen, zich verschaffen, vervoeren, verkopen of overdragen.

De vraag waarvoor het hof zich gesteld ziet is of het wetenschapsvereiste als omschreven in de laatste zinsnede van artikel 232, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht een bestanddeel is van beide strafbaarstellingen dan wel alleen van de laatst genoemde strafbaarstelling.

Uit de Memorie van Toelichting bij artikel 232 van het Wetboek van Strafrecht blijkt dat dit artikel is ingevoerd om een bepaling op te nemen omtrent betaalpassen en kaarten, die mogelijk niet door artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht (het hof: valsheid in geschrifte) werden afgedekt (Kamerstukken II 1990–1991, 21 551, nr. 3).

Het hof stelt dan ook vast dat de redactie van artikel 232, tweede lid, naar analogie van artikel 225, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht is opgesteld. Bij de beoordeling van het verweer van de raadsman heeft het hof derhalve aansluiting gezocht bij de wetsgeschiedenis van artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht.

Bij de Wet van 4 juni 1992 tot wijziging van enige bepalingen inzake valsheid in geschrift in het Wetboek van Strafrecht is aan artikel 225, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht toegevoegd:“dan wel het opzettelijk een vals of vervalst geschrift afleveren of voorhanden hebben, terwijl men weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat dit geschrift bestemd is voor zodanig gebruik.”

Het oorspronkelijk wetsvoorstel bevatte aanvankelijk een andere strafbaarstelling (Kamerstukken II 1988–1989, 21 186, nr. 1-2, blz. 2), namelijk: “2. Met dezelfde straf wordt gestraft hij die (…) opzettelijk zodanig geschrift, wetende dat daarvan zulk gebruik kan worden gemaakt, aflevert of voorhanden heeft, indien uit dat gebruik, afleveren of voorhanden hebben enig nadeel kan ontstaan”.

In de Memorie van Antwoord wordt opgemerkt dat het wetsvoorstel ertoe strekt een leemte op te heffen die blijkt te bestaan met betrekking tot het afleveren en voorhanden hebben van valse en vervalste stukken (Kamerstukken II 1990–1991, 21 186, nr. 5, blz. 1).

Bij de Nota van Wijziging is de huidige wettekst voorgesteld (Kamerstukken II 1990–1991, 21 186, nr. 6, blz. 1).

Ten aanzien van deze wijziging wordt in de Memorie van Antwoord opgemerkt: ‘In het (het hof: oorspronkelijke) wetsvoorstel zoals dat is ingediend, wordt strafbaar gesteld elk opzettelijk afleveren of voorhanden hebben van een vals of vervalst geschrift, indien de dader weet dat van het geschrift zulk gebruik - dat wil zeggen gebruik als ware het echt en onvervalst - kan worden gemaakt. Opzettelijk houdt in dat de dader weet dat het stuk valselijk is opgemaakt of is vervalst. Een vals of vervalst stuk kan uiteraard altijd ter misleiding worden gebruikt. De wetenschap dat dit kan gebeuren, voegt dan ook geen bestanddeel aan de delictsomschrijving toe (onderstreping hof).

Bij nota van wijziging wordt voorgesteld strafbaar te stellen het opzettelijk een vals of vervalst geschrift afleveren of voorhanden hebben, terwijl men weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat dit geschrift bestemd is voor zodanig gebruik, hetgeen in de context van die bepaling betekent gebruik als ware het geschrift echt en onvervalst..’ (Kamerstukken II 1990–1991, 21 186, nr. 5, blz. 8).’

Uit de Nota naar aanleiding van het Eindverslag blijkt dat voor deze redactie is gekozen omdat: “de bepaling zich niet alleen richt tegen degene die zélf beoogt het stuk [als echt en onvervalst] te gebruiken. Ook degene die zich bewust is, of redelijkerwijs moet zijn, van dat gebruik door anderen - en daarvoor de voorwaarden schept doordat hij het stuk voorhanden heeft of aflevert - dient ingevolge deze bepaling strafbaar te zijn. Zijn rol in het circuit van frauduleuze operaties is in abstracto niet van geringere betekenis dan die van degene die de valsheid zelf voor zijn rekening neemt.” (Kamerstukken II 1990–1991, 21 186, nr. 8, blz. 6)

De betreffende wijziging van artikel 225, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht is op 1 augustus 1992 in werking getreden. Artikel 232, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht is met ingang van 1 juli 2000 op gelijke wijze geredigeerd.

Het hof is van oordeel dat uit deze wetgeschiedenis blijkt dat het opzettelijk gebruik maken van een (ver)vals(t) geschrift als ware deze echt en onvervalst, reeds impliceert dat de gebruikmaker weet dat het geschrift valselijk is opgemaakt en een dergelijk geschrift ter misleiding kan worden gebruikt, dit in tegenstelling tot degene die het (ver)vals(t)e geschrift enkel opzettelijk voorhanden heeft of aflevert aan degene die daar gebruik van zal maken. Die persoon is alleen strafbaar indien tevens is voldaan aan het wetenschapsvereiste, dat hij weet of moet vermoeden dat de pas of kaart bestemd is voor zodanig gebruik, te weten het gebruik als ware de pas of de kaart echt en onvervalst.

Het hof is derhalve van oordeel dat het wetenschapsvereiste enkel een bestanddeel is van de strafbaarstelling die ziet op het opzettelijk afleveren of voorhanden hebben van de (ver)vals(t)e pas of kaart en niet van het opzettelijk gebruik maken daarvan.

Blijkens de tenlastelegging ziet het ten laste gelegde feit op de strafbaarstelling van het opzettelijk gebruik maken van een (ver)vals(t)e pas of kaart als ware deze echt en onvervalst. Nu artikel 232, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht naar analogie is opgesteld van artikel 225, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht is het hof - gelet op het hiervoor overwogene - van oordeel, dat het wetenschapsvereiste niet behoefde te worden ten laste gelegd.

Het hof verwerpt dan ook het verweer van de raadsman strekkende tot ontslag van alle rechtsvervolging en kwalificeert het bewezen verklaard als: het medeplegen van het opzettelijk gebruik maken van de valse pas als bedoeld in artikel 232, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware deze echt en onvervalst.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 60 dagen waarvan 49 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF