Feitelijke leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren & handelen in strijd met vergunning

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 11 maart 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:2142

Verdachte heeft zich als feitelijk leidinggever schuldig gemaakt aan het handelen in strijd met een voorschrift krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, door percolaatwater, zijnde een verontreinigende en schadelijke stof af te laten stromen in een sloot en voorts aan handelen in strijd met een aantal milieutechnische voorschriften verbonden aan een vergunning die krachtens de Wet milieubeheer was verleend. Daarnaast heeft verdachte co-substraten die niet specifiek op de positieve lijst stonden vermeld, in een co-vergister verwerkt en derhalve in strijd met voorschriften gesteld bij de Wet milieubeheer gehandeld. Het is ook het hof onduidelijk gebleven in welke mate schade voor het milieu is ontstaan door het gebruik van de producten die in dit geval zijn gebruikt.

Ten voordele van verdachte overweegt het hof dat de positieve lijst een gebied is dat in ontwikkeling is, terwijl een aantal van de co-substraten waarover het gaat in deze zaak, inmiddels wel op de positieve lijst staan. Het hof gaat ervan uit dat met de betreffende co-substraten het milieu in ieder geval niet is geschaad. Daarnaast neemt het hof in aanmerking dat diverse aanpassingen en investeringen in het bedrijf na de bewezenverklaarde feiten zijn gedaan om de bedrijfsactiviteiten op juiste wijze te kunnen voortzetten. Ten gunste van verdachte neemt het hof verder in aanmerking het blanco strafblad.

Alles afwegende is het hof van oordeel dat voor wat betreft de overtreding een boete van 200 euro en voor wat betreft de misdrijven een boete van 7.000 euro, waarvan 3.000 euro voorwaardelijk, passend en geboden is, met inachtneming van hetgeen hiervoor is vermeld over de verdeling tussen verdachte en de beide rechtspersonen.

De berechting heeft echter in zowel eerste aanleg als in hoger beroep niet plaats gevonden binnen de redelijke termijn, zodat het hof een matiging met tien procent redelijk acht. Het hof komt derhalve uit op een geldboete van 180 euro voor de overtreding en een geldboete van 6.300 euro, waarvan 3.000 euro voorwaardelijk, voor de misdrijven.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF