Tegelijkertijd horen verdachte in eigen strafzaak en zaak medeverdachte

Hoge Raad 4 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:466 

Feiten

Het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch heeft verdachte op 13 maart 2012 veroordeeld tot een geldboete van € 2.700, subsidiair 37 dagen hechtenis, alsmede tot een werkstraf voor de duur van 72 uren, subsidiair 36 dagen hechtenis, wegens:

  • In een authentieke akte een valse opgave doen opnemen aangaande een feit van welks waarheid de akte moet doen blijken, met het oogmerk om die akte te gebruiken of door anderen te doen gebruiken als ware zijn opgave in overeenstemming met de waarheid (feit 1);
  • Opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst (feit 2);
  • Oplichting (feit 3).

Het Hof heeft de benadeelde partij onbevoegd verklaard zich te voegen in hoger beroep, omdat de vordering in eerste aanleg was ingetrokken. Met die beslissing zal het Hof bedoeld hebben de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering te verklaren.

Namens verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. J.L.E. Marchal, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden, houdende drie middelen van cassatie.

Middel

Het middel klaagt dat het Hof de verdachte tegelijkertijd heeft gehoord als verdachte in zijn eigen strafzaak en als getuige in de - gelijktijdig doch niet gevoegd behandelde - strafzaak van een medeverdachte.

Beoordeling Hoge Raad

Uit het samenstel van bepalingen (art. 29.1 en 2, 219, 290.4 Sv. 2. Art. 227.1 Sr, art. 157 Rv) moet worden afgeleid dat de uitzonderlijke werkwijze die hier is gevolgd, te weten het tegelijkertijd horen van iemand als verdachte in zijn eigen strafzaak én als getuige in de strafzaak tegen een medeverdachte, niet past in het Nederlandse stelsel van strafvordering, in het bijzonder niet omdat daardoor de aan art. 29 Sv ten grondslag liggende verklaringsvrijheid van de verdachte op ontoelaatbare wijze onder druk kan komen te staan.

Het Hof heeft de verdachte voorafgaand aan zijn verhoor als verdachte beëdigd als getuige in de gelijktijdig behandelde zaak van zijn medeverdachte met de mededeling dat hij geacht wordt "hetgeen hij als verdachte verklaart in zijn strafzaak ook als getuige in de strafzaak van de medeverdachte te hebben verklaard". Aldus heeft het Hof zozeer gehandeld in strijd met een behoorlijke procesorde dat het nietigheid van het onderzoek en de naar aanleiding daarvan gegeven uitspraak oplevert.

Het middel is terecht voorgesteld.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Vrijspraak van computervredebreuk

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 5 maart 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:636

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van computervredebreuk veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis. Voorts heeft de politierechter beslist over de vordering van de benadeelde partij.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het ten laste gelegde bewezen zal verklaren en zal volstaan met een schuldigverklaring zonder oplegging van straf. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard in haar vordering.

Door de verdediging is primair vrijspraak bepleit. Subsidiair, in geval van een bewezenverklaring, heeft de verdediging bepleit om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. Tevens is de niet-ontvankelijkheid van de vordering van de benadeelde partij bepleit.

Het hof is van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zodat hij zal worden vrijgesproken. In het bijzonder kan niet worden bewezen dat de verdachte zich wederrechtelijk toegang heeft verschaft tot het hotmailaccount van de aangeefster.

Bij het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat aangeefster zelf, in een email aan de verdachte van 4 oktober 2010, de gebruikersnaam en het wachtwoord van haar hotmailaccount heeft verschaft. Dit in tegenstelling tot de mededeling van aangeefster in de aangifte dat ze haar code nooit aan de verdachte, haar ex-man, heeft gegeven. De verdachte heeft voorts in hoger beroep verklaard dat aangeefster hem nadien nooit heeft verboden gebruik te maken van die toegangscode. Evenmin is gebleken dat aangeefster haar toegangscode heeft aangepast om te voorkomen dat verdachte gebruik zou maken van de code.

Bij deze stand van zaken waren de ten laste gelegde gedragingen niet wederrechtelijk.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Contant geld in geheime bergruimte: OVAR

Gerechtshof Amsterdam 3 maart 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:595

Door het openbaar ministerie is het voorhanden hebben van het geld en niet tevens het verbergen of verhullen van de vindplaats van het geld ten laste gelegd. Het verbergen van het geld in een geheime bergruimte is een gedraging die gericht is op het verhullen van de vindplaats van het uit misdrijf verkregen geld, maar niet tevens op het verhullen van de criminele herkomst ervan.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Verzoek ex artikel 591a Sv na beklagprocedure ex artikel 12 Sv

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17 februari 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:1897

Bij beschikking ex artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, van de dato 24 mei 2013, is een door klager tegen verzoeker ingediend beklag tegen de beslissing om verzoeker niet te vervolgen afgewezen.

Het ingekomen verzoek is gebaseerd op artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering. Ingevolge het bepaalde in lid 4 van dit artikel juncto lid 2 van artikel 591 van voornoemd Wetboek geschiedt de vaststelling van de gevraagde vergoeding bij het gerecht in feitelijke aanleg, waarvoor de zaak tijdens de beëindiging daarvan werd vervolgd of anders het laatst werd vervolgd. De officier van justitie in het arrondissement Utrecht heeft bij brief van 4 juli 2012 aan verzoeker te kennen gegeven dat verzoeker terzake de feiten waarop het beklag betrekking had (onder meer (passieve) omkoping van een rechter dan wel (passieve) ambtelijke omkoping) niet zou worden vervolgd. Verzoeker is ter zake dat feit derhalve nimmer strafrechtelijk vervolgd en blijkens de brief van de officier van justitie ook nimmer als verdachte aangemerkt. Gelet op de verwevenheid van het feit waarop het beklag had met de feiten waarvoor verdachte wel strafrechtelijk is vervolgd en door het hof bij arrest van 13 juni 2013 is vrijgesproken, merkt het hof zich ter zake het ingediende verzoekschrift aan als de feitelijke instantie waarbij verdachte het laatst werd vervolgd. Het hof acht zich derhalve bevoegd om over het verzoekschrift te oordelen.

Het verzoekschrift is tijdig ingediend en is in zoverre ontvankelijk.

Het verzoekschrift omvat kort gezegd de volgende posten

  1. kosten rechtsbijstand bestaande uit een bedrag van 22.396,86 in rekening gebracht door mrs. raadsman 1 en raadsman 2 voornoemd;
  2. reiskosten bestaande uit een bedrag van 63,00;
  3. verblijfskosten bestaande uit een bedrag van 9,00;
  4. schade ten gevolge van tijdverzuim bestaande uit een bedrag van 734,67;
  5. kosten van indiening van onderhavig verzoek, welke kosten niet nader zijn gespecificeerd maar ten aanzien waarvan verzoeker zich op het standpunt heeft gesteld dat deze kosten de forfaitaire bedragen overstijgen.

Ingevolge artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering kan, indien de zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, aan de gewezen verdachte of zijn erfgenamen, op een verzoek ingediend binnen drie maanden na beëindiging van de zaak, uit 's Rijks kas een vergoeding worden toegekend voor zijn ten behoeve van het onderzoek en de behandeling van de zaak gemaakte reis- en verblijfkosten, voor de schade welke hij tengevolge van tijdverzuim door de behandeling der zaak ter terechtzitting werkelijk heeft geleden, alsmede in de kosten van een raadsman. Bij arrest van 19 februari 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BX5566) heeft de Hoge Raad bepaald dat na afwijzing van een op de voet van artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering toekenning van een dergelijke vergoeding aan de gewezen beklaagde in de gevoerde beklagprocedure niet is uitgesloten. Op grond van artikel 90, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering en voornoemd arrest van de Hoge Raad heeft de toekenning van een schadevergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe, naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.

De gevraagde reiskosten van verzoeker voor het bijwonen van de behandeling van het beklag door dit hof op 16 april 2013 zijn voor toewijzing vatbaar op de voet van het bij en krachtens de Wet tarieven in strafzaken bepaalde. Toegewezen kan worden: 1 maal een retour bus/NS 2e klasse woonplaats-Arnhem à € 42,80: € 42,80. Derhalve in totaal € 42,80.

De in verband met het bijwonen van de behandeling van het beklag meer verzochte reis- en verblijfkosten vanwege het gebruik van een ander vervoersmiddel dan het openbaar vervoer wijst het hof af.

De door verzoeker gevraagde vergoeding wegens tijdverzuim zal worden afgewezen, omdat er bij verzoeker geen sprake is geweest van aantoonbare geconcretiseerde inkomstenderving vanwege het bijwonen van de behandeling van het beklag. Niet gesteld of gebleken is dat verzoeker door het bijwonen van de behandeling van het beklag bepaalde werkzaamheden niet heeft kunnen verrichten die hij anders wel zou hebben verricht. Het hof begrijpt de door verzoeker gestelde inkomstenderving aldus dat deze is ontstaan doordat verzoeker vanwege zijn strafvervolging ter zake andere met de beklagprocedure verbonden zaken bepaalde functies en werkzaamheden niet meer kon uitoefenen. Dergelijke inkomstenderving komt echter niet voor vergoeding op de voet van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering in aanmerking, laat staan in een op de voet daarvan geëntameerde verzoekschriftprocedure die louter verband houdt met de beklagprocedure die ziet op andere feiten. Het voorgaande geldt eveneens voor inkomstenderving die is ontstaan door de beschuldigingen jegens verzoeker die hebben geleid tot de beklagprocedure.

Bij de beoordeling van het verzoek tot vergoeding van de kosten van de raadsman in de zin van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering stelt het hof voorop dat de declaratie van de raadslieden niet meer is dan een uitgangspunt, dat door het hof wordt betrokken in zijn oordeel of er, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn aan verzoeker een vergoeding toe te kennen voor de kosten van de raadslieden en zo ja tot welk bedrag. Deze maatstaf voor het beoordelen van het verzoek brengt met zich mee dat het hof geenszins gebonden is aan de door de raadslieden gedeclareerde tijd of het door hen gehanteerde uurtarief.

Het hof heeft ten aanzien van de gevraagde vergoeding ter zake van de kosten voor rechtsbijstand acht geslagen op de aard, de omvang en de complexiteit van de beklagprocedure. Daarbij heeft het hof in het bijzonder betrokken dat het openbaar ministerie uitgebreid onderzoek heeft verricht naar de feiten waarvan verzoeker in het kader van de beklagprocedure beschuldigd werd. Het hof stelt vast dat het openbaar ministerie grote inspanningen gerechtvaardigd achtte, hetgeen niet alleen volgt uit de omvang van het verrichte onderzoek maar ook bijvoorbeeld uit het feit dat het openbaar ministerie blijkens het ambtsbericht in de beklagprocedure dat onderzoek en de beoordeling daarvan heeft laten verrichten door twee officieren van justitie. Voorts neemt het hof in aanmerking dat de beschuldigingen de nodige media-aandacht hebben gegenereerd, terwijl het hof uiteindelijk heeft geoordeeld dat er zelfs na het uitgebreide onderzoek door het openbaar ministerie geen aanwijzing in het dossier zijn aangetroffen die de veronderstelling ondersteunen dat verzoeker zich schuldig heeft gemaakt aan enige vorm van omkoping.

De omstandigheid dat tussen de beklagprocedure en de strafprocedure die heeft geleid tot vrijspraak het nodige verband bestaat en verzoeker in beide procedures werd bijgestaan door dezelfde raadslieden, maakt het niet onredelijk te verwachten dat dat een gunstig effect heeft op de tijd en kosten die gemoeid zijn geweest met het bijstaan van verzoeker in de beklagprocedure. Daarbij komt dat een beklagprocedure naar zijn aard reeds minder tijd en voorbereiding vergt dan een strafprocedure. Voorts was het openbaar ministerie in de beklagprocedure, anders dan in de strafprocedure, met verzoeker van oordeel dat strafvervolging terzake de feiten die in de beklagprocedure centraal stonden, achterwege diende te blijven.

Alles afwegende acht het hof de door de raadslieden verrichte werkzaamheden in een bijzondere zaak als de onderhavige beklagzaak niet van dien aard dat deze als onredelijk kunnen worden aangemerkt. Het hof ziet in de gedeclareerde uren en kosten voldoende terug dat in casu ook sprake was van de nodige tijd- en kostenbesparende omstandigheden. De gedeclareerde uren en kosten vormen immers bij benadering slechts 10% van de uren en kosten die gedeclareerd zijn in de strafzaak.

Het hof zal daarom op gronden van billijkheid als vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand toekennen een bedrag ter hoogte van het verzochte bedrag van € 22.396,86 (inclusief BTW).

Gelet op de landelijke aanbeveling inzake verzoekschriften schadevergoeding kan in het onderhavige geval als vergoeding voor kosten verbonden aan de indiening en behandeling van dit verzoekschrift worden toegewezen€ 540,00 (inclusief BTW). Het hof ziet geen reden om van de landelijke aanbeveling af te wijken.

Het hof kent aan verzoeker toe op gronden als hiervoor omschreven een vergoeding uit ’s Rijks kas ten bedrage van € 22.979,66 en gelast de tenuitvoerlegging daarvan.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Discussie over de vorming en de samenstelling van het ontnemingsdossier dat van de rechtbank is gekomen

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 6 februari 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:1825

In de onderhavige zaak is discussie ontstaan over de vorming en de samenstelling van het dossier waarop het hof het hoger beroep moet behandelen. De verdediging is van mening dat het openbaar ministerie in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Het hof stelt de volgende gang van zaken vast.

Nadat tegen de beslissing van de rechtbank hoger beroep was ingesteld en de rechtbank de aanvulling op de ontnemingsbeslissing had gemaakt heeft de griffier van de rechtbank op 26 mei 2011, op de voet van artikel 409, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering de stukken van het geding aan de griffier van het gerechtshof gezonden. Praktisch gezien hield dit in dat de griffier van de rechtbank, overeenkomstig de daartoe destijds gemaakte afspraken, de stukken rechtstreeks naar de “intake-unit” van het ressortsparket heeft gestuurd met het oog op de vervulling van de aan de advocaat-generaal in het Wetboek van Strafvordering opgedragen taken. De stukken zijn, blijkens de aantekening op de binnenzijde van de hierna te noemen gele map, bij de “intake-unit” binnengekomen op 27 mei 2011.

De voorzitter heeft, op verzoek en voordracht van de advocaat-generaal, de dag van de terechtzitting voor de behandeling van deze zaak bepaald op 11 februari 2013.

Daarbij is door de advocaat-generaal ter beschikking van het hof gesteld een gele map met daarin een aantal stukken van belang voor de behandeling van het hoger beroep. In deze gele map bevindt zich ook een inventarislijst.

De voorzitter heeft vervolgens uit de ontnemingsbeslissing en de hierop door de rechtbank gemaakte aanvulling afgeleid dat de rechtbank de beschikking moet hebben gehad over meer gedingstukken, te weten het ontnemingsrapport en daarbij behorende (omvangrijke) bijlagen. De voorzitter heeft daarop bij de griffier van de rechtbank geïnformeerd naar de kennelijk ontbrekende stukken. Dit heeft geleid tot toezending van een heel dun ontnemingsdossiertje (inhoudende (originele) stukken welke zich tevens (in kopie) in de gele map bevinden). Echter, het ontnemingsrapport en daarbij behorende bijlagen bleken niet (meer) bij de griffier van de rechtbank aanwezig te zijn.

Vervolgens heeft de voorzitter eind januari/begin februari 2013 bij de advocaat-generaal geïnformeerd of deze de beschikking had over de ontbrekende stukken. De advocaat-generaal heeft laten weten dat dat niet het geval was.

Uit de wel beschikbare stukken bleek dat de onderhavige zaak deel uitmaakte van het zogeheten “Darsch-onderzoek”. Uit de administratie van het hof bleek dat andere zaken die van dat onderzoek deel uitmaakten, reeds onherroepelijk door het hof waren afgedaan, te weten de zaken met de parketnummers genoemd in het proces-verbaal van de zitting van 11 februari 2013.

Dit heeft ertoe geleid dat de voorzitter naspeuringen heeft gedaan in deze bij het hof gearchiveerde zaken. Daarin werden niet alleen stukken betreffende de strafzaken maar ook het de veroordeelde betreffende ontnemingsrapport met bijlagen aangetroffen. Ter terechtzitting van het hof van 11 februari 2013 zijn deze stukken gepresenteerd aan de advocaat-generaal en de verdediging. Zowel de advocaat-generaal als de verdediging (zij het de verdediging met enige aarzeling) hebben ermee ingestemd dat het hof op basis van (ook) deze stukken het hoger beroep behandelt. Daarop heeft het hof vastgesteld dat het hier moet gaan om de stukken van het geding die door de griffier van de rechtbank moeten zijn toegezonden naar de “intake-unit” van het ressortsparket.

Deze vaststelling door het hof is in een ander daglicht komen te staan doordat de voorzitter op 9 januari 2014, geruime tijd na de dagbepaling van de inhoudelijke behandeling van de zaak ter terechtzitting van 23 januari 2014, door de advocaat-generaal kratten met stukken toegezonden kreeg welke stukken, in de visie van de advocaat-generaal, de stukken waren waarop de rechtbank de zaak had behandeld en beslist. Deze stukken waren, aldus de advocaat-generaal, bij de verhuizing van het ressortsparket aangetroffen op een zolderverdieping van het ressortsparket, waar ook wel andere stukken van grote zaken werden neergezet. De voorzitter heeft de stukken onverwijld en ongezien aan de advocaat-generaal geretourneerd, begeleid door een bericht inhoudende dat het niet aan het hof is om kennis te nemen van de stukken welke zich in de aangeboden kratten bevinden, laat staan om deze aan het dossier toe te voegen zonder dat ook de verdediging over deze stukken beschikt en zich over deze stukken en de toevoeging aan het dossier heeft kunnen uitlaten. Daarbij is de advocaat-generaal tevens bericht dat hij kan beoordelen of er zich in de kratten stukken bevinden die naar zijn oordeel alsnog aan het dossier zouden moeten worden toegevoegd, in welk geval hij aan het hof het verzoek kan doen om die stukken alsnog aan het dossier toe te voegen, waarbij ook de verdediging in de gelegenheid dient te worden gesteld zich daarover uit te laten.

Op 16 januari 2014 heeft de advocaat-generaal genoemde kratten met begeleidende brieven opnieuw gestuurd naar de voorzitter. In die begeleidende brieven heeft de advocaat-generaal bericht dat de inhoud van deze kratten de originele versies betreffen van de stukken die op de regiezitting van 11 februari 2013 in de vandaag gelijktijdig, maar niet gevoegde 4 ontnemingszaken zijn besproken, dat deze stukken bestemd zijn voor het hof, dat deze stukken voor zover betrekking hebbende op veroordeelde nu deel uitmaken van het onderhavige ontnemingsdossier, dat de verdediging ook over deze stukken beschikt, dat hij het niet noodzakelijk vindt over deze toezending separaat de verdediging in te lichten en dat hij bij aanvang van de zitting van 23 januari 2014 melding zal maken van het terugvinden van deze originele stukken.

Op 20 januari 2014 heeft de voorzitter de advocaat-generaal een bericht gestuurd, inhoudende dat voor zover de voorzitter het hiervoor genoemde begeleidende schrijven van de advocaat-generaal d.d. 16 januari 2014 dient op te vatten als een verzoek tot toevoeging van stukken aan het dossier, de advocaat-generaal ter zitting van 23 januari 2014 in de gelegenheid zal worden gesteld dit verzoek nader toe te lichten en dat daarna de verdediging gelegenheid zal krijgen zich daarover uit te laten.

Bij schrijven van 20 januari 2014 heeft de voorzitter de raadsman van veroordeelde schriftelijk van een en ander op de hoogte gesteld, onder bijvoeging van afschriften van de betreffende correspondentie.

Ter zitting van 23 januari 2014 hebben de advocaat-generaal en de verdediging zich uitgelaten over de status die aan de door de advocaat-generaal aan de voorzitter gestuurde kratten met stukken zou moeten worden toegekend.

De advocaat-generaal is van mening dat de stukken reeds deel uitmaken van het dossier nu het hier de door de griffier van de rechtbank toegezonden gedingstukken betreft, die, zoals destijds gebruikelijk, aan de “intake-unit” van het ressortsparket zijn toegezonden. Van toevoeging van deze stukken aan het dossier is mitsdien geen sprake. De advocaat-generaal is van mening dat het hof van de inhoud van deze stukken kennis moet nemen (het hof begrijpt: in plaats van de stukken zoals deze ter terechtzitting van het hof op 11 februari 2013 zijn besproken en vastgesteld). De advocaat-generaal heeft voorts aangegeven dat de beide sets met stukken identiek zijn.

De verdediging heeft daartegen bezwaar gemaakt. Bij gebrek aan wetenschap betwist de verdediging dat het hier gaat om de door de griffier van de rechtbank toegezonden stukken en tevens dat het gaat om stukken die identiek zijn aan de stukken waarvan het hof ter terechtzitting op 11 februari 2013 had vastgesteld dat dit de stukken waren die door de griffier van de rechtbank waren toegezonden.

Het hof kan thans niet anders dan vaststellen dat er, naast eerder genoemde gele map en het dunne ontnemingsdossiertje, twee sets met stukken zijn waarvan gezegd kan worden dat deze door de griffier van de rechtbank zijn toegezonden aan de “intake-unit” van het ressortsparket. Het hof is niet in staat om vast te stellen welke set met stukken, tezamen met de gele map, daadwerkelijk door de griffier van de rechtbank is toegezonden. De in de gele map aanwezige inventarislijst bevat in dit opzicht slechts de aanduiding: “overige stukken”.

Er is in de visie van het hof een mogelijkheid om uit deze impasse te komen. De twee sets met stukken kunnen met elkaar worden vergeleken. Mochten deze sets identiek zijn dan kan mogelijk geoordeeld worden dat door het niet kunnen vaststellen welke de stukken zijn die de griffier van de rechtbank heeft toegezonden, geen der procesdeelnemers in zijn belangen is geschaad.

Het hof realiseert zich terdege dat deze optie een grote inzet van de verdediging vergt. De beide (omvangrijke) sets met stukken moeten bladzijde voor bladzijde met elkaar worden vergeleken. De kosten van rechtsbijstand zullen daardoor aanzienlijk toenemen. Bovendien is een dergelijke exercitie niet eenvoudig in de praktijk van de rechtsbijstandverlener in te passen.

Echter, hoezeer ook de thans ontstane situatie is toe te rekenen aan de advocaat-generaal, die in de aanloop naar en ter terechtzitting van 11 februari 2013, in plaats van gewag te maken van de ook toen reeds reële mogelijkheid dat de stukken op de zolderverdieping van het ressortsparket aanwezig waren en daarnaar naspeuringen te (doen) verrichten, ermee heeft ingestemd dat het hof mede op basis van de door de voorzitter in het archief aangetroffen stukken het hoger beroep zou behandelen, en hoezeer ook de door het hof geschetste optie een belasting van de verdediging oplevert welke had kunnen worden voorkomen als de advocaat-generaal meer adequaat had gereageerd, leidt naar het oordeel van het hof het een noch het ander, noch in onderlinge samenhang, tot de conclusie dat geen andere beslissing mogelijk is dan niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Bepalend hiervoor acht het hof dat bij de huidige stand van zaken de mogelijkheid van herstel aanwezig lijkt te zijn en, volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, tijdsverloop als zodanig - ook in de situatie dat reeds sprake is van overschrijding van de redelijke termijn van berechting - geen grond vormt voor niet-ontvankelijkverklaring.

Het hof zal het onderzoek daarom heropenen.

Het hof zal de door de advocaat-generaal aan de voorzitter toegestuurde kratten met stukken in handen stellen van de advocaat-generaal. Deze dient een afschrift - en wel copie conform - van de op de onderhavige zaak betrekking hebbende stukken te verstrekken aan de verdediging, opdat de verdediging in staat is om zich uit te laten over de vraag of deze stukken identiek zijn aan de stukken die ter terechtzitting van het hof op 11 februari 2013 zijn besproken en vastgesteld.

Het hof zal met het oog hierop bepalen dat het onderzoek zal worden hervat over ten minste zes maanden tegen een nog nader te bepalen terechtzitting. Met het oog op de planning van de volgende zitting verzoekt het hof de verdediging om, na bestudering van de stukken, haar bevindingen schriftelijk aan het hof te doen toekomen. Verder verzoekt het hof de verdediging om, met het oog op een inhoudelijke behandeling van de zaak, een overzicht te maken van de (extra) kosten van rechtsbijstand, gemoeid met de bestudering van beide sets met stukken.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling wegens oplichting van woningbouw-coöperatie

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 11 december 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:10370

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

  • als leidinggevende samen met anderen valsheid in geschrifte heeft gepleegd (feiten 1, 3 en 5)
  • als leidinggevende samen met anderen diverse geldbedragen heeft witgewassen (feiten 2, 4 en 6)
  • samen met anderen heeft deelgenomen aan een criminele organisatie (feit 7).

Niet-ontvankelijkheidsverweer

Door de raadsman is betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging dient te worden verklaard vanwege het inbrengen in het strafdossier van onrechtmatig verkregen administratie, boekhoudgegevens en verklaringen van (mede-) verdachten.

De verdediging voert daartoe aan dat mogelijk door de belastingdienst controle-bevoegdheden zijn toegepast, terwijl zij al een redelijk vermoeden van schuld van het plegen van strafbare feiten zou hebben.

Door de verdediging wordt ter onderbouwing van voornoemd standpunt het navolgende aangevoerd.

Naam, die valt onder de Belastingdienst Hollands Midden, kondigt op 8 februari 2008 een boekenonderzoek bij medeverdacht bedrijf 3 aan, dat op 30 mei 2008 plaatsvindt.

Daar treft hij facturen van medeverdacht bedrijf 1 en medeverdacht bedrijf 1 aan, naar aanleiding waarvan hij bij brief van 12 november 2008 een controle aankondigt bij medeverdacht bedrijf 1.

Op 30 mei 2008 vindt dus het boekenonderzoek plaats bij medeverdacht bedrijf 3.

Gelijktijdig, vanaf mei tot 9 juli 2008, loopt een strafrechtelijk onderzoek, waarin medeverdacht bedrijf 3 in beeld komt.

Eind 2008 lopen de werkzaamheden van de belastingdienst, van de FIOD/ECD en van VROM-IOD door elkaar heen. Het is de verdediging niet vergund door middel van het horen van alle opgegeven getuigen helderheid te krijgen over de toentertijd bestaande onderlinge contacten tussen deze instanties, waardoor de verdediging ernstig in haar belangen is geschaad.

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gesteld dat het openbaar ministerie zich niet kan vinden in de aannames en veronderstellingen van de verdediging en dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging.

Overweging hof

Niet-ontvankelijkheidverklaring van het openbaar ministerie bij vormverzuimen is volgens vaste jurisprudentie slechts in die gevallen aan de orde als sprake is van een ernstige schending van beginselen van een behoorlijke procesorde, waarbij doelbewust of met grove veronachtzaming van verdachtes belangen te kort is gedaan aan diens recht op een behoorlijke behandeling van de zaak. Hierbij moet van geval tot geval beoordeeld worden of en in hoeverre de verdachte bij een vormverzuim in zijn belangen is geschaad.

De door de verdediging geschetste feiten en omstandigheden hebben geen betrekking op verdachte zelf. Voor zover al door de belastingdienst controlebevoegdheden zijn aangewend ten behoeve van de opsporing, kan verdachte geen beroep doen op schending van rechtsbeginselen nu die mogelijke schending dan jegens een ander of anderen dan de verdachte heeft plaatsgevonden en verdachte daardoor niet in haar belang geschaad is. Het verweer wordt verworpen.

Ten overvloede overweegt het hof het volgende.

Het bestaan van een redelijk vermoeden dat iemand zich heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit staat niet in de weg aan het uitoefenen van controlebevoegdheden door belastingambtenaren, mits bij aanwending van die bevoegdheden tegenover een verdachte de aan deze als zodanig toekomende waarborgen in acht worden genomen. Het hof is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat deze waarborgen in de onderhavige zaak niet in acht zijn genomen. Het hof overweegt hieromtrent dat het bij de beoordeling van de vraag of aan een verdachte de cautie moet worden gegeven, er om gaat of sprake is van een verhoorsituatie als bedoeld in art. 29 van het Wetboek van Strafvordering, waarin verdachte naar zijn betrokkenheid bij een strafbaar feit wordt gevraagd. Daarvan was bij dit boekenonderzoek geen sprake

Ook indien, zoals door de verdediging is betoogd, niet uit te sluiten valt dat lopende het onderzoek onder de naam Rembrandt door verbalisanten handelingen zijn verricht die niet stroken met de strafvorderlijke richtlijnen -het hof ziet hiervoor noch ambtshalve noch door hetgeen door de verdediging is aangedragen concrete aanwijzingen- leidt dit niet tot het niet-ontvankelijk verklaren van het openbaar ministerie nu niet is gebleken dat dit heeft geleid tot bewijsmateriaal dat zijn bestaan uitsluitend ontleent aan de wil van de verdachte.

Oordeel Hof

Verdachte heeft tezamen met anderen meermalen opdracht en feitelijk leiding gegeven aan valsheid in geschrift en aan het witwassen van door oplichting van een woningbouw-coöperatie verkregen gelden van aanzienlijke omvang. Daarnaast acht de rechtbank verdachte schuldig aan deelname aan een criminele organisatie.

Verdachte heeft zich gedurende een lange periode schuldig gemaakt aan het tezamen met medeverdachten feitelijk leidinggeven aan de rechtspersoon. Door deze vennootschap werden valse facturen gestuurd voor werkzaamheden die niet zijn verricht en voor risico’s die niet werden gelopen. Achtergrond hiervan was om gelden met een criminele herkomst wit te wassen en door te sluizen naar verdachte en de medeverdachten.

Verdachte was geen oprichter/bestuurder van de criminele organisatie. Dat neemt niet weg dat werkzaamheden zoals die door verdachte zijn verricht van groot belang waren voor het goed functioneren van de organisatie. Mede door de door medeverdacht bedrijf 1 op haar instigatie verzonden facturen was het mogelijk om gelden van criminele herkomst wit te wassen. Immers, door de valse facturen werd de herkomst van de gelden versluierd. Het witwassen van gelden heeft een ontwrichtende werking op het economisch verkeer.

De rechtbank heeft een gevangenisstraf van 1 jaar en 6 maanden opgelegd. De advocaat-generaal heeft een gevangenisstraf van 2 jaar gevorderd.

Het hof is van oordeel dat de door de rechtbank opgelegde straf geen recht doet aan de ernst van de feiten en acht de door de advocaat-generaal gevorderde gevangenisstraf passend en geboden. Het hof realiseert zich dat verdachte door deze straf na geruime wederom in detentie zal geraken, maar acht dit gelet op de ernst van de feiten onontkoombaar.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Medeplegen van het onttrekken van goederen aan het krachtens de wet daarop gelegd beslag

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 3 maart 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:1552

Aan verdachte is ten laste gelegd het medeplegen van het onttrekken van goederen aan het krachtens de wet daarop gelegd beslag.

Door de raadsman is betoogd, dat er op onrechtmatige wijze beslag is gelegd nu niet is voldaan aan het gestelde in artikel 443 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Verdachte dient derhalve te worden vrijgesproken, aldus de raadsman.

Voorop wordt gesteld dat in het kader van het strafproces niet de materiële maar slechts de formele rechtmatigheid van het beslag kan worden getoetst.

Het hof overweegt op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting het volgende. Bij de stukken zitten de in de tenlastelegging genoemde vonnissen op grond waarvan op 24 maart 2010 door de deurwaarder beslag is gelegd op een aantal roerende goederen dat zich op dat moment bevond in de woning van de verdachten.

Bij de stukken zit verder een proces-verbaal van inbeslagneming. In dit proces-verbaal wordt ten aanzien van de in beslag genomen goederen verwezen naar de foto’s die als bijlagen bij dat proces-verbaal zijn gevoegd. Uit de verklaringen van verdachte en zijn medeverdachte bij de politie en/of ter zitting in eerste aanleg blijkt verder dat het voor de verdachten volstrekt helder was dat de in de tenlastelegging genoemde goederen onder het beslag vielen.

Gelet op voorgaande concludeert het hof dat aan de formele aspecten van beslaglegging is voldaan. Wat er ook zij van eventuele materiële gebreken ten aanzien van de wijze van de beslaglegging, het is niet aan de strafrechter om hierover een oordeel uit te spreken. In casu geldt dit des te meer, nu de voorzieningenrechter zich reeds heeft uitgelaten over deze kwestie en heeft geoordeeld dat niet aannemelijk is gemaakt dat in strijd met artikel 443 Rv is gehandeld.

Het hof verwerpt het verweer. Verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 60 uren.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Onderzoeksjournalist veroordeeld voor valsheid in geschrift

Een onderzoeksjournalist en zijn medewerker zijn door het Gerechtshof Den Haag op 4 maart 2014 veroordeeld voor het vervalsen van een KLM-personeelspas. Het delict vond plaats in de periode van 12 december 2008 tot en met 4 januari 2009. Het Haagse hof heeft beide verdachten een voorwaardelijke geldboete van 1000 euro opgelegd.

De strafzaken vinden hun oorsprong in een tweetal uitzendingen van het programma ‘Undercover in Nederland’. De afleveringen zijn op 28 december 2008 en 4 januari 2009 uitgezonden. In de uitzending van 28 december 2008 is vertoond dat de onderzoeksjournalist meewerkte aan het namaken van een KLM-personeelspas, voorzien van een foto van zichzelf. Dit gebeurde aan de hand van een KLM-personeelspas van een personeelslid van KLM. Met de uitzendingen beoogde de journalist aan de kaak te stellen de in zijn ogen tekortschietende beveiliging van het bedrijventerrein Schiphol-Oost op welk terrein vliegtuigen zijn ondergebracht, waaronder het regeringsvliegtuig.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachten worden veroordeeld tot een geldboete van 1000 euro waarvan 500 euro voorwaardelijk.

Het Gerechtshof Den Haag heeft geoordeeld dat de onderzoeksjournalist en zijn medewerker alternatieve en minder vergaande mogelijkheden hadden dan het plegen van het hun verweten strafbaar feit om de in de visie van de journalist gebrekkige beveiliging van Schiphol-Oost aan de kaak te stellen. Het hof wijst hierbij op de door observatie geconstateerde gebrekkige controle aan de hoofdingang van de toegangspassen en de voertuigen. Daardoor was het voor de journalist mogelijk gebleken het terrein in de achterbak van een auto te betreden. Daarnaast kon het aangetoond worden door de aan hem ter beschikking gestelde filmopname van het (interieur van het) onbewaakte regeringsvliegtuig.

De zaken tegen de onderzoeksjournalist en de medeverdachte waren vorig jaar verwezen door de Hoge Raad naar het Gerechtshof Den Haag, nadat het gerechtshof Amsterdam de verdachten voor dit feit had ontslagen van alle rechtsvervolging door het beroep op de journalistieke vrijheid van meningsuiting (art. 10 EVRM) te honoreren. Daarmee was het Gerechtshof Amsterdam tot een ander oordeel gekomen dan de Rechtbank Amsterdam die de verdachten had veroordeeld tot een geldboete.

Print Friendly and PDF ^

Ten nadele van de verdachte betrekken beroep op zwijgrecht

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 21 februari 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:1237

De omstandigheid dat een verdachte weigert een verklaring af te leggen of een bepaalde vraag te beantwoorden kan op zichzelf, mede gelet op het bepaalde in art. 29, eerste lid, Sv, niet tot het bewijs bijdragen. Dat brengt echter niet mee dat de rechter, indien een verdachte voor een omstandigheid die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend moet worden geacht voor het bewijs van het aan hem tenlastegelegde feit, geen redelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven, zulks niet in zijn overwegingen omtrent het gebezigde bewijsmateriaal zou mogen betrekken.

Van (een) omstandighe(i)d(en) die, afzonderlijk of in onderling verband bezien, voldoende redengevend is/zijn voor een bewezenverklaring is echter niet gebleken. Pas indien daarvan wel sprake zou zijn zou aanleiding kunnen bestaan om in de overwegingen te betrekken dat verdachte (ook) ten aanzien van die omstandighe(i)d(en) heeft gezwegen en dus geen de redengevendheid ontzenuwende verklaring heeft gegeven. Dat maakt dat het zwijgen van verdachte niet kan worden aangemerkt als een omstandigheid die een rol kan spelen bij de beoordeling van het (ontoereikende) bewijsmateriaal.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Lagere schadevergoeding dan gevorderd in Schipholbrand

Gerechtshof Den Haag 25 februari 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:439

Het gerechtshof heeft de verzoeker bij arrest van 1 maart 2013 vrijgesproken van al het aan hem tenlastegelegde in het kader van de strafzaak die bekend staat als ‘de Schipholbrand’. Dit arrest is onherroepelijk geworden.

Namens de verzoeker is bij vier tijdig ter griffie van dit hof ingekomen verzoekschriften ex artikel 591 van het Wetboek van Strafvordering gevraagd om vergoeding van kosten voor deskundigenonderzoeken, die ingevolge het bij en krachtens de Wet tarieven in strafzaken bepaalde ten laste van de verzoeker zijn gekomen.

De verzoeken ex artikel 591 van het Wetboek van Strafvordering

De verdediging heeft in de loop van de strafprocedure tegen de verzoeker op eigen initiatief een aantal deskundigen opdracht gegeven tot het verrichten van de na te noemen onderzoeken. Zij heeft het hof verzocht om vergoeding van de kosten daarvan.

A. Onderzoek deskundige Eikelenboom-Schieveld (AV-nr. 0925)

Namens verzoeker is gevraagd om een vergoeding van €714 ter zake van het door deze deskundige uitgevoerde forensisch-medische onderzoek naar de trauma-opvang van een aantal slachtoffers van de Schipholbrand.

B. Onderzoek MSNP Management B.V. (AV-nr. 0927)

Namens verzoeker is gevraagd om een vergoeding van €127.500 ter zake van het door de deskundigen ir. B.H. van den Heuvel en B.P.F. Roes van MSNP Management B.V. uitgevoerde onderzoek. Deze kosten betreffen – kort gezegd –:

  • het opstellen van het onderzoeksmemo “Analyse van camerabeelden” d.d. 10 november 2008;
  • het opstellen van een geactualiseerd rapport d.d. 7 augustus 2009;
  • gemaakte uren in verband met het door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) uitgevoerde onderzoek naar de juistheid van de rapportage van MSNP.

C. Onderzoek drs. [V.] (AV-nr. 0929)

Namens verzoeker is gevraagd om een vergoeding van €56.613,84 ter zake van het door drs. [V.] uitgevoerde onderzoek. Deze kosten betreffen:

  • het opstellen van het onderzoeksrapport “Terminaal Schiphol” (ad €38.400). Dit betreft een zelfstandig onderzoek naar de oorzaak van de Schipholbrand;
  • het als controlerend deskundige i.d.z.v. artikel 232 (oud) van het Wetboek van Strafvordering bijwonen van de celbrandproeven en shagproeven door DGMR (ad €14.843,76);
  • het verhoor van drs. [V.] ter terechtzitting van het gerechtshof Amsterdam n.a.v. genoemd onderzoeksrapport (ad €3.370,08).

D. Statistisch onderzoek PSCT (AV-nr. 0931)

Namens verzoeker is gevraagd om een vergoeding van €6.534 ter zake van het door de deskundige dr. ir. P.H.A.J.M. Van Gelder van PSCT uitgevoerde onderzoek. Deze kosten betreffen:

  • het beoordelen van het NFI-rapport d.d. 28 september 2012 over – kort gezegd – het brandgenererend vermogen van shagjes en sigaretten en over de kans dat het oorspronkelijk veronderstelde handelen van de verzoeker brand tot gevolg heeft;
  • het opstellen van een ‘review’ bij het NFI-rapport;
  • het toelichten daarvan ter terechtzitting van dit hof van 8 november 2012.

De raadkamer van het hof heeft de verzoekschriften op 14 januari 2014 in het openbaar behandeld. Daarbij zijn gehoord de advocaat van de verzoeker en de advocaat-generaal mr. M. van der Horst. De verzoeker is ongewenst verklaard en uitgezet naar Libië. Het verzoek de ongewenstverklaring op te heffen, is door de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie afgewezen. Verzoeker is niet verschenen.

Conclusie advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot afwijzing van alle verzoeken ex artikel 591 en 591a van het Wetboek van Strafvordering, aangezien de betreffende onderzoeken het belang van het onderzoek volgens hem niet hebben gediend.

Pleidooi advocaat

Mr. Frijns heeft in raadkamer gepersisteerd bij zijn ingediende verzoeken en deze nader toegelicht.

Kader voor beoordeling van de verzoeken

Het hof stelt voorop dat het de verdediging in een strafprocedure vrijstaat buiten het gebruikelijke kader van de artikelen 315 dan wel 316, in samenhang met artikel 328 van het Wetboek van Strafvordering geheel zelfstandig, buiten het gerecht om, deskundigenonderzoek te entameren, bijvoorbeeld met het doel onderbouwing te verkrijgen voor een bepaald alternatief scenario. De daarmee gemoeide kosten komen in dat geval ingevolge artikel 1, derde lid, van de Wet tarieven in strafzaken in beginsel ten laste van de verdachte.

Geen “blanco cheque”

Weliswaar biedt artikel 591 van het Wetboek van Strafvordering de gewezen verdachte in beginsel de mogelijkheid het gerecht waar de zaak het laatst heeft gediend te verzoeken de gemaakte kosten te vergoeden, maar de wetgever heeft daarbij nadrukkelijk een voorbehoud gemaakt: ingevolge artikel 591, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering wordt aan de gewezen verdachte […] uit ’s Rijks kas een vergoeding toegekend voor de kosten, welke ingevolge het bij en krachtens de Wet tarieven in strafzaken bepaalde ten laste van de gewezen verdachte zijn gekomen, voor zover de aanwending dier kosten het belang van het onderzoek heeft gediend […].

Uit laatstgenoemd criterium volgt naar ’s hofs oordeel in ieder geval:

1. dat sprake dient te zijn van onderzoek door een deskundige die ervan blijk heeft gegeven geschikt te zijn om in een strafzaak te rapporteren. Dat brengt mee dat de deskundige moet voldoen aan eisen van onafhankelijkheid, onpartijdigheid, zorgvuldigheid, vakbekwaamheid en integriteit. Een en ander moet blijken uit het door een deskundige opgesteld onderzoeksrapport dan wel afgelegde verklaring ter zitting;

2. dat nodeloos gemaakte of anderszins onredelijke kosten niet door het Rijk worden vergoed. Dat betekent dat bij de vaststelling van een eventuele vergoeding door de rechter kritisch dient te worden gekeken naar de opzet en de omvang van het uitgevoerde onderzoek.

Vanwege het verband tussen de regeling van artikel 591 van het Wetboek van Strafvordering en het bij en krachtens de Wet tarieven in strafzaken bepaalde, is de rechter bij het vaststellen van de vergoeding voorts gebonden aan de in het Besluit tarieven in strafzaken 2003 vastgestelde (maximale) tarieven (artikel 1 van genoemde wet). Van een machtiging van de advocaat-generaal bij het ressortsparket voor het maken van buitengewone, niet voorziene kosten, is niet gebleken (artikel 2 van genoemde wet). Het maximaal te declareren uurtarief bedroeg ten tijde van alle genoemde onderzoeken in beginsel €81,23.

Het hof zal aan de hand van de hierboven vermelde maatstaven beoordelen of de verzoeken een genoegzame wettelijke basis hebben.

Het hof constateert met het oog daarop terzijde dat:

a) de verdediging na het einde van de strafzaak kennelijk de onderzoekers heeft opgeroepen te declareren en wel volgens het tarief voor de vergoeding die aan de onderzoeker Delémont c.s. van het internationaal vermaarde onderzoeksinstituut aan de Universiteit Lausanne werd gegund en dat de meeste declaraties in de loop van 2013 zijn ingediend;

b) de advocaat, blijkens zijn mededelingen dienaangaande in raadkamer, bij de opdrachtverstrekking aan de onderzoekers er destijds op heeft gewezen dat onzeker was of de verdachte de onderzoekskosten zou kunnen dragen en met de onderzoeker de afspraak heeft gemaakt dat zij desondanks onderzoek zouden verrichten en daarover zouden rapporteren.

Beoordeling van de verzoeken

A. Onderzoek deskundige Eikelenboom-Schieveld

Het hof is van oordeel dat deze aanwending van kosten het belang van het onderzoek heeft gediend en zal de gevraagde vergoeding van €714 toekennen.

B. Onderzoek MSNP Management B.V.

Het hof is van oordeel dat deze aanwending van kosten weliswaar het belang van het onderzoek heeft gediend, maar dat onvoldoende is onderbouwd dat de aanzienlijke omvang van het deskundigenonderzoek noodzakelijk is geweest. De deskundigen hebben meer dan zeshonderd uren gedeclareerd, terwijl het hof ervan uitgaat dat met een (voor)onderzoek van honderd uren per deskundige voldoende duidelijkheid had kunnen worden verschaft om de noodzaak van verder onderzoek aan de rechtbank voor te leggen. Derhalve zal het hof een vergoeding toekennen voor tweemaal honderd uren. Het hof zal het gedeclareerde uurtarief van €200 voorts matigen tot het maximale bedrag van €81,23 per uur.

Dit brengt mee dat het hof zal overgaan tot toekenning van een vergoeding van (200 X €81,23 =) €16.246.

C. Onderzoek drs. [V.]

Het hof is van oordeel dat de aanwending van kosten voor het onderzoeksrapport van drs. [V.] het onderzoek niet heeft gediend. Het hof overweegt daartoe dat op grond van het onderzoek in raadkamer niet is gebleken dat [V.] voldoet aan te stellen elementaire eisen van deskundigheid op het terrein waarover hij rapporteerde. Dit oordeel komt voor verzoeker niet als een verrassing, aangezien de rechter-commissaris (op 13 maart 2007) en de raadkamer (4 april 2007) bij de rechtbank Haarlem deze persoon reeds onvoldoende deskundig hebben geacht om als zodanig (te weten als deskundige in de zin van art. 227 Wetboek van Strafvordering) te worden benoemd. Door deze persoon desondanks in te schakelen heeft de verdediging welbewust het risico genomen dat in de procedure ex artikel 591 van het Wetboek van Strafvordering eenzelfde oordeel over de deskundigheid van drs. [V.] zou worden gegeven.

Ten aanzien van het optreden van [V.] als “controlerend deskundige” ex artikel 232 (oud) van het Wetboek van Strafvordering moet – conform de beschikking d.d. 4 april 2007 van de raadkamer van de rechtbank Haarlem - worden geoordeeld dat het daarbij gaat om een vrij beperkte rol waarvoor minder stringente criteria gelden. De hiervoor aangewende kosten hebben naar ’s hofs oordeel het onderzoek gediend. Het hof zal derhalve een vergoeding toekennen, maar het gedeclareerde uurtarief van €200 vanwege die beperkte rol matigen tot vijftig procent van het maximale bedrag van €81,23 per uur.

Voorts is het hof van oordeel dat onvoldoende is onderbouwd dat voor het opstellen van het betreffende rapport – dat vrij beperkt van omvang is - een onderzoek van 70 uren noodzakelijk is geweest. Het hof zal daarom overgaan tot vergoeding van de helft van het aantal gedeclareerde uren.

Dit brengt mee dat het hof op dit punt zal overgaan tot toekenning van een vergoeding van (35 uren X €40,62 =) € .421,70 + €2.993,76 (kilometervergoeding conform het Besluit tarieven in strafzaken) = €4.415,46.

De declaratie van drs. [V.] voor het afleggen van een verklaring ter zitting van het Hof Amsterdam op 10 en 11 augustus 2009 is voor gedeeltelijke toewijzing vatbaar. Het hof zal de declaratie matigen, in die zin dat zal worden uitgegaan van een uurtarief van €81,23 voor de werkuren en €40,62 voor de reisuren (conform het Besluit tarieven in strafzaken).

Dit brengt mee dat het hof op dit punt zal overgaan tot toekenning van een vergoeding van (11,83 uren X €81,23 + 6 uren X 40,62 =) €1.204,67 + € 403,48 (kilometervergoeding conform het Besluit tarieven in strafzaken) = €1.608,15.

De in totaal toe te kennen vergoeding bedraagt (€4.415,46 + €1.608,15 =) €6.023,61.

D. Statistisch onderzoek PSCT

Het hof is van oordeel dat deze aanwending van kosten het belang van het onderzoek heeft gediend. Het zal een vergoeding toekennen, maar het gedeclareerde uurtarief van €150 matigen tot het maximale bedrag van €81,23 per uur.

Dit brengt mee dat het hof zal overgaan tot toekenning van een vergoeding van (36 uren X €81,23 =) €2.924,28.

Beoordeling van de verzoeken ex artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering (AV-nrs. 0926, 0928, 0930 en 0932)

De strafzaak tegen de verzoeker is geëindigd met een beslissing die op grond van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering in beginsel recht geeft op vergoeding van de door verzoeker gemaakte kosten voor rechtsbijstand, indien en voor zover daartoe - alle omstandigheden in aanmerking genomen - gronden van billijkheid aanwezig zijn.

Nu het hof bij beschikking van heden de vier ingediende verzoeken ex artikel 591 van het Wetboek van Strafvordering – al dan niet gedeeltelijk - heeft toegewezen, acht het hof gronden van billijkheid aanwezig om de kosten van rechtsbijstand die gemoeid zijn met het opstellen, indienen en behandelen van de betreffende verzoekschriften, voor vergoeding in aanmerking te laten komen.

Nu de advocaat van de verzoeker aanwezig is geweest bij de mondelinge behandeling van de verzoeken, zal het hof aan de verzoeker vier maal de forfaitaire vergoeding van €550 toekennen.

Uit het voorgaande volgt dat moet worden beslist als hierna is aangegeven.

Beslissing

Het hof:

A. Onderzoek deskundige Eikelenboom-Schieveld (AV-nrs. 0925 en 0926)

Wijst het verzoek ex artikel 591 van het Wetboek van Strafvordering toe, in dier voege dat aan de verzoeker ten laste van de Staat een vergoeding wordt toegekend tot een bedrag van in totaal €714.

Wijst het verzoek ex artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering toe en kent aan de verzoeker ten laste van de Staat een schadevergoeding toe tot een bedrag van in totaal €550.

B. Onderzoek MSNP Management B.V. (AV-nrs. 0927 en 0928)

Wijst het verzoek ex artikel 591 van het Wetboek van Strafvordering toe, in dier voege dat aan de verzoeker ten laste van de Staat een vergoeding wordt toegekend tot een bedrag van in totaal €16.246. Wijst af het meer of anders verzochte.

Wijst het verzoek ex artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering toe en kent aan de verzoeker ten laste van de Staat een schadevergoeding toe tot een bedrag van in totaal €550.

C. Onderzoek drs. [V.] (AV-nrs. 0929 en 0930)

Wijst het verzoek ex artikel 591 van het Wetboek van Strafvordering toe, in dier voege dat aan de verzoeker ten laste van de Staat een vergoeding wordt toegekend tot een bedrag van in totaal €6.023,61. Wijst af het meer of anders verzochte.

Wijst het verzoek ex artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering toe en kent aan de verzoeker ten laste van de Staat een schadevergoeding toe tot een bedrag van in totaal €550.

D. Statistisch onderzoek PSCT (AV-nrs. 0931 en 0932)

Wijst het verzoek ex artikel 591 van het Wetboek van Strafvordering toe, in dier voege dat aan de verzoeker ten laste van de Staat een vergoeding wordt toegekend tot een bedrag van in totaal €2.924,28.

Wijst af het meer of anders verzochte.

Wijst het verzoek ex artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering toe en kent aan de verzoeker ten laste van de Staat een schadevergoeding toe tot een bedrag van in totaal €550.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^