Veroordeling wegens oplichting van woningbouw-coöperatie

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 11 december 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:10370

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

  • als leidinggevende samen met anderen valsheid in geschrifte heeft gepleegd (feiten 1, 3 en 5)
  • als leidinggevende samen met anderen diverse geldbedragen heeft witgewassen (feiten 2, 4 en 6)
  • samen met anderen heeft deelgenomen aan een criminele organisatie (feit 7).

Niet-ontvankelijkheidsverweer

Door de raadsman is betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging dient te worden verklaard vanwege het inbrengen in het strafdossier van onrechtmatig verkregen administratie, boekhoudgegevens en verklaringen van (mede-) verdachten.

De verdediging voert daartoe aan dat mogelijk door de belastingdienst controle-bevoegdheden zijn toegepast, terwijl zij al een redelijk vermoeden van schuld van het plegen van strafbare feiten zou hebben.

Door de verdediging wordt ter onderbouwing van voornoemd standpunt het navolgende aangevoerd.

Naam, die valt onder de Belastingdienst Hollands Midden, kondigt op 8 februari 2008 een boekenonderzoek bij medeverdacht bedrijf 3 aan, dat op 30 mei 2008 plaatsvindt.

Daar treft hij facturen van medeverdacht bedrijf 1 en medeverdacht bedrijf 1 aan, naar aanleiding waarvan hij bij brief van 12 november 2008 een controle aankondigt bij medeverdacht bedrijf 1.

Op 30 mei 2008 vindt dus het boekenonderzoek plaats bij medeverdacht bedrijf 3.

Gelijktijdig, vanaf mei tot 9 juli 2008, loopt een strafrechtelijk onderzoek, waarin medeverdacht bedrijf 3 in beeld komt.

Eind 2008 lopen de werkzaamheden van de belastingdienst, van de FIOD/ECD en van VROM-IOD door elkaar heen. Het is de verdediging niet vergund door middel van het horen van alle opgegeven getuigen helderheid te krijgen over de toentertijd bestaande onderlinge contacten tussen deze instanties, waardoor de verdediging ernstig in haar belangen is geschaad.

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gesteld dat het openbaar ministerie zich niet kan vinden in de aannames en veronderstellingen van de verdediging en dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging.

Overweging hof

Niet-ontvankelijkheidverklaring van het openbaar ministerie bij vormverzuimen is volgens vaste jurisprudentie slechts in die gevallen aan de orde als sprake is van een ernstige schending van beginselen van een behoorlijke procesorde, waarbij doelbewust of met grove veronachtzaming van verdachtes belangen te kort is gedaan aan diens recht op een behoorlijke behandeling van de zaak. Hierbij moet van geval tot geval beoordeeld worden of en in hoeverre de verdachte bij een vormverzuim in zijn belangen is geschaad.

De door de verdediging geschetste feiten en omstandigheden hebben geen betrekking op verdachte zelf. Voor zover al door de belastingdienst controlebevoegdheden zijn aangewend ten behoeve van de opsporing, kan verdachte geen beroep doen op schending van rechtsbeginselen nu die mogelijke schending dan jegens een ander of anderen dan de verdachte heeft plaatsgevonden en verdachte daardoor niet in haar belang geschaad is. Het verweer wordt verworpen.

Ten overvloede overweegt het hof het volgende.

Het bestaan van een redelijk vermoeden dat iemand zich heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit staat niet in de weg aan het uitoefenen van controlebevoegdheden door belastingambtenaren, mits bij aanwending van die bevoegdheden tegenover een verdachte de aan deze als zodanig toekomende waarborgen in acht worden genomen. Het hof is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat deze waarborgen in de onderhavige zaak niet in acht zijn genomen. Het hof overweegt hieromtrent dat het bij de beoordeling van de vraag of aan een verdachte de cautie moet worden gegeven, er om gaat of sprake is van een verhoorsituatie als bedoeld in art. 29 van het Wetboek van Strafvordering, waarin verdachte naar zijn betrokkenheid bij een strafbaar feit wordt gevraagd. Daarvan was bij dit boekenonderzoek geen sprake

Ook indien, zoals door de verdediging is betoogd, niet uit te sluiten valt dat lopende het onderzoek onder de naam Rembrandt door verbalisanten handelingen zijn verricht die niet stroken met de strafvorderlijke richtlijnen -het hof ziet hiervoor noch ambtshalve noch door hetgeen door de verdediging is aangedragen concrete aanwijzingen- leidt dit niet tot het niet-ontvankelijk verklaren van het openbaar ministerie nu niet is gebleken dat dit heeft geleid tot bewijsmateriaal dat zijn bestaan uitsluitend ontleent aan de wil van de verdachte.

Oordeel Hof

Verdachte heeft tezamen met anderen meermalen opdracht en feitelijk leiding gegeven aan valsheid in geschrift en aan het witwassen van door oplichting van een woningbouw-coöperatie verkregen gelden van aanzienlijke omvang. Daarnaast acht de rechtbank verdachte schuldig aan deelname aan een criminele organisatie.

Verdachte heeft zich gedurende een lange periode schuldig gemaakt aan het tezamen met medeverdachten feitelijk leidinggeven aan de rechtspersoon. Door deze vennootschap werden valse facturen gestuurd voor werkzaamheden die niet zijn verricht en voor risico’s die niet werden gelopen. Achtergrond hiervan was om gelden met een criminele herkomst wit te wassen en door te sluizen naar verdachte en de medeverdachten.

Verdachte was geen oprichter/bestuurder van de criminele organisatie. Dat neemt niet weg dat werkzaamheden zoals die door verdachte zijn verricht van groot belang waren voor het goed functioneren van de organisatie. Mede door de door medeverdacht bedrijf 1 op haar instigatie verzonden facturen was het mogelijk om gelden van criminele herkomst wit te wassen. Immers, door de valse facturen werd de herkomst van de gelden versluierd. Het witwassen van gelden heeft een ontwrichtende werking op het economisch verkeer.

De rechtbank heeft een gevangenisstraf van 1 jaar en 6 maanden opgelegd. De advocaat-generaal heeft een gevangenisstraf van 2 jaar gevorderd.

Het hof is van oordeel dat de door de rechtbank opgelegde straf geen recht doet aan de ernst van de feiten en acht de door de advocaat-generaal gevorderde gevangenisstraf passend en geboden. Het hof realiseert zich dat verdachte door deze straf na geruime wederom in detentie zal geraken, maar acht dit gelet op de ernst van de feiten onontkoombaar.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF