Aanhouding en doorzoeking in witwasonderzoek

De FIOD heeft, in het kader van een strafrechtelijk onderzoek naar mogelijke belastingfraude en witwassen, op 15 maart jl. een doorzoeking gedaan in een woning en in 2 loodsen/veestallen in de omgeving van Maastricht. Eén van de twee verdachten is aangehouden. Er is administratie en er zijn contante gelden in beslag genomen. Tevens is conservatoir beslag gelegd op diverse onroerende zaken en bankrekeningen, onder meer in België.

Verdenking

De verdenking is doen van onjuiste belastingaangiften en witwassen. Verdachten hebben gedurende vele jaren vermoedelijk omzet verzwegen en op een bankrekening in het buitenland gezet. Daarmee zijn vervolgens effecten aangekocht en verkocht. Vanaf medio 2006 tot heden is van deze buitenlandse bankrekening voor ruim 2 miljoen euro aan contanten opgenomen.

Inzet defensie

Defensie ondersteunde in deze zaak met een gespecialiseerd zoekteam. Deze zoekteams kunnen moeilijke zoekopdrachten uitvoeren, bijvoorbeeld in zeer kleine ruimtes, of ruimtes met weinig of geen licht en ook in onveilige situaties. De zoekspecialisten gebruiken hun zintuigen om veranderingen in de omgeving te ontdekken en ook maken ze gebruik van geavanceerde middelen als een grondradar. Met een grondradar kan een zoekteam tot enkele meters in de bodem te kijken, of door muren en objecten om bijvoorbeeld verborgen ruimtes te ontdekken. Politie en justitie doen vaak een beroep op de zoekteams van Defensie. Een militaire inzet gebeurt altijd onder gezag van de officier van Justitie.

Bron: FIOD

 

Print Friendly and PDF ^

'Belastingdienst, FIOD en Functioneel Parket bestrijden malafide belastingadviseurs'

De FIOD heeft vorige week verschillende doorzoekingen gedaan en vooralsnog twee verdachten aangehouden in 6 strafrechtelijke onderzoeken naar belastingfraude. De verdachten presenteerden zich als belastingadviseur. Zij hebben vermoedelijk voor hun klanten opzettelijk een groot aantal onjuiste aangiften inkomstenbelasting ingediend, waardoor onterecht teveel geld is teruggevraagd. De strafrechtelijke onderzoeken worden gedaan onder leiding van het Functioneel Parket.

De fiscaal dienstverleners worden ervan verdacht dat ze  verzonnen aftrekposten, zoals ziektekosten en giften, in de aangiften van hun klanten opvoerden. De valse aangiften waren bedoeld om ten onrechte hoge teruggaven inkomstenbelasting te ontvangen. Tijdens de actieweek die afgelopen week plaatsvond heeft de FIOD doorzoekingen gedaan in woningen en bedrijfspanden in Rotterdam, Haarlem, Alkmaar, Losser, Oldenzaal, Almelo, Eindhoven en Duitsland. Er is naast administratie ook contant geld in beslag genomen.

Door verbeterde detectiemethodes is de Belastingdienst malafide belastingadviseurs steeds sneller op het spoor. Doel van de actieweek is deze facilitators duidelijk maken dat zij vroeg of laat gepakt zullen worden, en zij ook harder zullen worden aangepakt. Ook worden zowel de klanten als de facilitator steeds meer en beter gemonitord in volgende jaren. De Belastingdienst kan de belastingadviseurs, naast strafrechtelijk onderzoek, voortaan ook een medepleegboete opleggen. Daarnaast kunnen klanten en/of de Belastingdienst de fiscaal dienstverlener onder bepaalde omstandigheden aansprakelijk stellen voor de invordering, iets wat ook steeds vaker gebeurt. Wel wil de Belastingdienst mensen bewust maken van het feit dat als een belastingadviseur een aanbod doet dat te mooi is om waar te zijn, het dat waarschijnlijk ook is. Uiteindelijk blijft iedereen zelf verantwoordelijk voor zijn belastingaangifte, ook als daarvoor een tussenpersoon wordt ingeschakeld. Als de aangifte onjuist is, vordert de Belastingdienst het teveel uitbetaalde bedrag over meerdere jaren terug bij de belastingplichtige. Daarbij kan ook een boete worden opgelegd. De komende weken verstuurt de Belastingdienst bijna 11.000 brieven naar klanten van de fiscaal dienstverleners om te controleren of de aangifte daadwerkelijk onjuist is.

Mensen die misbruik maken van fiscale aftrekposten schaden de schatkist en daarmee andere belastingbetalers. Fraude ondermijnt het systeem. Daarom treden de Belastingdienst, de FIOD en het Functioneel Parket samen op in de aanpak van deze zogenoemde fiscale dienstverleners. Mensen die moeite hebben met aangifte inkomstenbelasting kunnen via de Belastingdienst Hulp bij Aangifte krijgen op 37 locaties in Nederland.

Bron: Rijksoverheid

 

Print Friendly and PDF ^

Column: Nederlandse (ex)rekeninghouders gevraagd om belastende UBS-brief, heffingsbelang of boetebelang?

Door Nick van den Hoek (Jaeger advocaten-belastingkundigen)

De Belastingdienst vraagt al dan niet ingekeerde (ex)spaarders bij de Zwitserse bank UBS om een brief te verstrekken die de bank eind vorig jaar aan haar rekeninghouders verstuurde. Dit verzoek wordt gedaan onder druk van de vermelding van de verplichting om fiscale inlichtingen te verstrekken – hieraan niet voldoen vormt een strafbaar feit. Hiermee is de jacht op (ex)UBS-spaarders in een nieuwe fase aanbeland. Maar valt die brief wel onder stukken die een belastingplichtige verplicht is te verstrekken?

UBS-brief 

Dat de Belastingdienst aan inkeerders en ‘gesnapte’ buitenlandspaarders vraagt om stukken van hun (buitenlandse) bank is niet nieuw. Aan de hand van onder meer de jaarlijkse vermogensoverzichten en mutatieoverzichten kan immers worden vastgesteld hoeveel inkomstenbelasting er alsnog nog moet worden afgetikt.

Nieuw is echter dat de Belastingdienst ‘zwartspaarders’ tegenwoordig standaard vraagt om de brieven waaruit de blijkt dat de spaarder is geïnformeerd dat ook in het buitenland aangehouden vermogens fiscaal dienen te worden verantwoord. Ook verzoekt de fiscus (ex)UBS-spaarders gericht om de brief te verstrekken die de bank diverse rekeninghouders eind vorig jaar stuurde. In die brief informeerde de UBS bank zijn klanten dat er vanuit Nederland middels een groepsverzoek om inlichtingen was verzocht, en dat de bank verplicht is om aan een dergelijk verzoek mee te werken.

Bij het verzoek deze UBS-brief te overleggen wijst de Belastingdienst fijntjes op de fiscale inlichtingenplicht van artikel 47 van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (AWR), waaruit zou volgen dat de belastingplichtige verplicht is de UBS-brief te overleggen. Die verplichting bestaat echter alleen voor ‘heffingsvragen’ en niet voor een verzoek om inlichtingen of stukken die alleen voor het opleggen van een boete van belang zijn.

Fiscale inlichtingenplicht

Op grond van artikel 47 AWR is iedereen verplicht om op verzoek inlichten te verschaffen die “voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn”. Deze brede verplichting om de fiscus van informatie te voorzien wordt begrensd door de aanwezigheid van een heffingsbelang. Daarbij geldt dat de inspecteur van de Belastingdienst bij de uitoefening van zijn controlebevoegdheden is gebonden aan de beginselen van behoorlijk bestuur. Informatie die niet van belang ‘kan’ zijn mag de inspecteur in redelijkheid niet vragen. De vraag is dus: hoe is de belastingheffing gebaat bij het overleggen van de UBS-brief?

Heffingsbelang

Het ‘belang voor de heffing’ is heel breed. Dat sprake is van belastingplicht hoeft de inspecteur niet aan te tonen, wel dat daar vermoedens voor zijn.

In arresten uit 2003 en 2015 hanteert de Hoge Raad de maatstaf dat informatie verplicht moet worden verstrekt indien “de inspecteur zich redelijkheid op het standpunt kan stellen dat de door hem gevraagde gegevens en inlichtingen van belang zouden kunnen zijn voor de belastingheffing.” In die arresten ging het om in het buitenland gevestigde ondernemingen, waarvan vermoed werd dat ze (ook) in Nederland belastingplichtig waren. De Hoge Raad oordeelde dat, als er aanleiding is te vermoeden dat er Nederlandse belastingplicht bestaat, er om informatie mag worden verzocht. Er bestaat dan een heffingsbelang.

Als is vastgesteld - of als niet in geschil was - dát iemand in Nederland belastingplichtig is, is de volgende vraag die voor de belastingheffing van belang is: voor welk bedrag is sprake van belastingplicht? Deze informatie heeft betrekking op de hoogte van het inkomen en het vermogen.

In een andere zwartspaarders affaire (KB-lux) oordeelde de Hoge Raad dat bankafschriften mochten worden opgevraagd nu de belastingplichtige reeds was geïdentificeerd als rekeninghouder en de inspecteur "derhalve" mocht aannemen dat de betreffende - specifiek gevorderde - bankbescheiden bestonden.

Als we voorgaande toespitsen op de (ex)spaarders bij de UBS bank, dan mag de Belastingdienst - mits geen sprake is van een fishing expedition - vragen stellen als:

  • Had u een rekening bij UBS?;
  • Wat waren de saldi van de banktegoeden op uw rekening bij UBS?; en
  • Is er bronbelasting ingehouden op uw buitenlandse beleggingswinsten?

Vragen die echter niet kunnen bijdragen aan het vaststellen van de belastingplicht of de hoogte daarvan, vallen daarmee niet onder de fiscale inlichtingenplicht van artikel 47 AWR, zoals:

  • Bent u door UBS geïnformeerd over de wijze waarop u uw banktegoeden fiscaal dient te verantwoorden?;
  • Bent u door UBS verzocht aan te tonen dat u fiscaal compliant bent?; en
  • Heeft de UBS u geïnformeerd dat vanuit Nederland om informatie is verzocht?

Boetevrij inkeren 

De belastingheffing is niet gebaat bij het overleggen van de UBS-brief. Wel duidelijk is waarom de fiscus toch om overlegging van de UBS-brief verzoekt. Namelijk in verband met de mogelijkheden tot het opleggen van een boete bij niet-tijdige inkeer. In de inkeerbepaling is geregeld dat de boete voor het niet of onjuist doen van aangifte wordt gematigd, en voor de laatste twee jaar helemaal niet wordt opgelegd, indien iemand inkeert “vóórdat hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de inspecteur met de onjuistheid of onvolledigheid bekend is of bekend zal worden.” Met andere woorden: de boete wordt alleen gematigd als de inspecteur de belastingplichtige nog niet op het spoor is of sowieso zal komen, of de spaarder daarvan geen weet heeft, of redelijkerwijs moest hebben.

Indien u de UBS-brief verstrekt, bestaat de mogelijkheid dat de inspecteur op grond daarvan de stelling inneemt dat u wist dat UBS uw bankgegevens zou gaan verstrekken, en u daarom niet boetevrij kunt inkeren.

Overigens is de vraag, zelfs als vaststaat dat een spaarder die UBS-brief heeft ontvangen, of inkeer daarmee een gepasseerd station was of is. Ten tijde van die brief stond en zelfs nu staat nog helemaal niet vast of de Zwitserse fiscus de gevraagde informatie over alle spaarders moet en zal verstrekken. De verwachting was oorspronkelijk dat Zwitserland de verstrekking daarvan op grond van het verdrag zou weigeren. Vervolgens kon en is in Zwitserland beroep ingesteld tegen de voorgenomen verstrekking, waarvan de uitkomst nog verre van vaststaat.

Meewerken aan uw eigen veroordeling

Niet voldoen aan een rechtmatig informatieverzoek ex artikel 47 AWR is een strafbaar feit, waarvoor een boete kan worden opgelegd. Iemand die voornoemde brief van de Belastingdienst heeft ontvangen, zal dus druk ervaren om tot overlegging van de UBS-brief over te gaan, terwijl een belang voor de heffing feitelijk ontbreekt. Als de UBS-brief vervolgens toch wordt verstrekt en gebruikt voor het opleggen van een boete, dan rijst de vraag hoe dit zich verhoudt met het recht dat niemand hoeft mee te werken aan zijn eigen beboeting of strafvervolging.

De Hoge Raad heeft in 2007 bepaald dat artikel 47 AWR niet mag worden gebruikt om informatie los te krijgen die alleen voor het opleggen van een boete kan worden gebruikt. Het toch verstrekken van ‘boete-informatie’ betekent echter niet automatisch dat dit van bewijs voor een boete of strafzaak wordt uitgesloten. Door het verstrekken van dergelijke informatie, zoals de UBS-brief, loopt u dus een (onnodig) risico.

 

Print Friendly and PDF ^

Verdachte directeur wordt als leidinggevende van rechtspersoon vervolgd wegens niet in aangifte omzetbelasting opnemen van vastgoedtransacties

Rechtbank Amsterdam 4 maart 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:1137 Verdachte, directeur, wordt vervolgd in hoedanigheid van leidinggevende van een rechtspersoon, die onjuiste aangifte omzetbelasting doet door ontvangen omzetbelasting ten bedrage van ca 1,5 miljoen euro bij vastgoedtransacties niet op de aangifte te vermelden. De verboden gedragingen, het doen van onjuiste aangifte en valsheid in geschrift, kunnen redelijkerwijs aan de rechtspersoon worden toegerekend. De wetenschap bij verdachte dat de omzetbelasting was ontvangen en het achterwege laten van adequaat toezicht bij de aangifte, maakt dat verdachte voorwaardelijke opzet heeft gehad op het doen van de onjuiste aangifte omzetbelasting.Verdenking

Aan verdachte is na wijziging op de zitting ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan:

  • 1. primair: opdracht geven tot, dan wel feitelijk leidinggeven aan bedrijf 1 NV en/of Holding 1 BV en/of bedrijf 2 BV , welke rechtsperso(o)n(en) op 3 november 2008 opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig heeft/hebben gedaan, en/of opdracht geven tot, dan wel feitelijk leidinggeven aan bedrijf 1 NV en/of Holding 1 BV en/of bedrijf 2 BV , welke rechtsperso(o)n(en) zich op 3 november 2008 schuldig heeft/hebben gemaakt aan valsheid in geschrift;
  • 1. subsidiair: opdracht geven tot, dan wel feitelijk leidinggeven aan bedrijf 1 NV en/of Holding 1 BV , welke rechtsperso(o)n(en) zich in de periode van 1 juli 2008 tot en met 3 september 2012 schuldig heeft/hebben gemaakt aan verduistering van €1.486.750, althans €1.450.548;
  • 1. meer subsidiair: verduistering, al dan niet in vereniging, van €1.486.750, althans €1.450.548 in de periode van 1 juli 2008 tot en met 3 september 2012;
  • 2: opdracht geven tot, dan wel feitelijk leidinggeven aan bedrijf 1 NV en/of Holding 1 BV , welke rechtsperso(o)n(en) zich in de periode van 1 juli 2008 tot en met 3 september 2012 schuldig heeft/hebben gemaakt aan het witwassen van €1.486.750, althans €1.450.548, en/of
  • witwassen, al dan niet in vereniging, van €1.486.750, althans €1.450.548 in de periode van 1 juli 2008 tot en met 3 september 2012.

Achtergrond

Op 1 juli 2008 heeft Holding 1 BV (hierna: Holding 1 BV ) een tweetal registergoederen aan ontwikkelingsbedrijf BV (hierna: ontwikkelingsbedrijf BV ) verkocht. De koopsom van deze registergoederen bedroeg, blijkens de akte van koop en levering, €4.825.000. Daarnaast heeft Holding 1 BV ontwikkelingsbedrijf BV €3.000.000 aan goodwill in rekening gebracht. Over deze bedragen is in totaal

€1.486.750 aan omzetbelasting (hierna: BTW) in rekening gebracht. Na verrekening van enkele andere bedragen is als gevolg van deze transactie op 3 juli 2008 €6.419.730,27 door Holding 1 BV ontvangen. De BTW was inbegrepen. Nu BTW in rekening was gebracht, had deze BTW moeten worden opgenomen in de aangifte omzetbelasting over het derde kwartaal van 2008. Holding 1 BV heeft deze aangifte op 3 november 2008 ingediend, maar daarin de bij deze transactie in rekening gebrachte BTW niet opgenomen.

Thans ligt onder meer de vraag voor of bewezen kan worden dat Holding 1 BV deze aangifte omzetbelasting opzettelijk onjuist en/of onvolledig heeft gedaan en of verdachte ten aanzien daarvan kan worden aangemerkt als opdrachtgever of feitelijk leidinggevende, dan wel dat er sprake is geweest van verduistering door Holding 1 BV of verdachte. Daarnaast ligt de vraag voor of de ontvangen BTW door Holding 1 BV of verdachte is witgewassen.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Algemeen

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde bewezen moet worden verklaard. Zij heeft daartoe, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd.

Feit 1 primair

Bewezen kan worden dat de aangifte omzetbelasting over het derde kwartaal van 2008 opzettelijk onjuist is gedaan.

Verdachte was bekend met de BTW-regels. Hij heeft zelf de bewuste transactie met ontwikkelingsbedrijf BV gesloten, en de nota van afrekening bekeken en geparafeerd. Hij heeft verklaard dat hij ten aanzien van de verschuldigdheid van BTW afging op de notaris en de fiscalisten van ontwikkelingsbedrijf BV en ervan uitging dat de heffing van BTW correct was. Hij wist dus dat hij afgerond € 1.500.000, - aan BTW zou ontvangen van ontwikkelingsbedrijf BV en dat die BTW uiterlijk 31 oktober 2008 aangegeven en afgedragen moest worden.

Vlak nadat de akte was getekend, stuurde verdachte de stukken intern door naar zijn medewerker 1 met het verzoek een financieel overzicht te maken. Een dag later werd dat overzicht gemaakt met daarin een verrekening/uitkering aan bedrijf 1 NV /privé van afgerond € 4.600.000, - en een aantal verplichtingen. Het bedrag, dat onder de streep overblijft, werd voor betalingen Frankrijk bestemd. De BTW-schuld kwam in dit overzicht niet voor. Het zou kunnen dat medewerker 1 hier een fout maakte, maar als dit zo is, komt deze fout in strafrechtelijke zin voor rekening van verdachte. Hij wist immers van de BTW-post, terwijl deze post op het totaal te ontvangen bedrag allerminst verwaarloosbaar was.

Gelet op het absolute bedrag van de BTW die is ontvangen, was deze BTW een zeer materiële post binnen Holding 1 BV en had verdachte zich na ontvangst van het overzicht direct moeten realiseren, dat het overzicht niet kon kloppen. Hij heeft zich de onjuistheid echter laten aanleunen om privé zijn schaapjes weer op het droge te krijgen. Verdachte mocht daarnaast, wetende dat de administratie een chaos was, medewerker 1 nog maar kort in dienst was, kennelijk de meeste transacties BTW-vrij waren en dit volgens verdachte een uniek geval was, geen vertrouwen ontlenen aan de volledigheid/juistheid van het overzicht van medewerker 1, zeker niet nu hij zelf nauw bij de transactie betrokken was en wist dat er een zeer substantieel bedrag aan BTW werd ontvangen en afgedragen moest worden. Hij heeft echter niet ingegrepen. Er waren ten tijde van de onderhavige transactie en de daarbij ontvangen BTW reeds grote financiële problemen. Cash-flow had de prioriteit. Dat er dan een BTW-schuld door een medewerker ‘vergeten’ wordt, kwam verdachte goed uit.

Uit de verklaringen van de getuigen getuige 1 (hierna: getuige 1 ), getuige 2 (hierna: getuige 2 ) en getuige 3 (hierna: getuige 3 ) blijkt dat de BTW-aangiften werden afgestemd met verdachte. Ook hier had verdachte zich, als rechtstreeks betrokkene bij de transactie op 1 juli 2008 en in de wetenschap dat daarover BTW verschuldigd was en door Holding 1 BV was ontvangen, moeten realiseren dat een aangifte die sluit op € 926, - aan te betalen BTW niet juist kon zijn. Ook hier kon en mocht verdachte er niet op vertrouwen dat de aangifte juist was.

Verdachte wist dus van de hoed en de rand, maar heeft zijn personeel onvoldoende geïnstrueerd c.q. gecontroleerd. Hij moet daarom verantwoordelijk worden gehouden voor het doen van de onjuiste BTW-aangifte, want door dit nalaten heeft hij de aanmerkelijke kans aanvaard, dat er op 3 november 2008 een onjuiste aangifte werd gedaan. Het doen van aangiften omzetbelasting valt binnen de sfeer van de vennootschap. Nu verdachte de onjuiste BTW-aangifte over het derde kwartaal van 2008 aangerekend kan worden, hij directeur en eigenaar van Holding 1 BV was en de vennootschap de normadressaat was, kunnen de gedragingen van verdachte aan Holding 1 BV toegerekend worden en mitsdien ook aan verdachte als feitelijk leidinggevende.

Op grond van al het voorgaande is de BTW-aangifte over het derde kwartaal van 2008 ook valselijk opgemaakt en is dit verdachte eveneens als feitelijk leidinggever te verwijten.

Feit 2

Feitelijk zijn de ten laste gelegde geldbedragen op 2 of 3 juli 2008 ter beschikking gekomen van Holding 1 BV en kort erna aangewend voor de aankoop van effecten op 4 juli 2008 door verdachte in het kader van de bedrijfsvoering. Daar waar verdachte privé kennelijk in de loop van 2009 nog wel beschikte over financiële middelen, zijn deze middelen niet aangewend ter delging van de onderhavige BTW-schuld. Er was inmiddels zelfs helemaal geen geld meer om de BTW-schuld te betalen, omdat de geldbedragen anderszins zijn aangewend. Deze bedragen zijn dus vanaf 2 of 3 juli 2008 voorhanden geweest, overgedragen, omgezet en gebruikt, waardoor er sprake is geweest van witwassen. Als het onder 1 primair ten laste gelegde bewezen wordt, vangt de pleegperiode van dit witwassen aan op 3 november 2008. De pleegperiode is op de tenlastelegging in tijd beperkt tot 3 september 2012, maar er is nog steeds sprake van witwassen, nu de geldbedragen tot op heden niet bij de Belastingdienst terecht zijn gekomen.

Nu de geldbedragen in de onderneming en in privé door verdachte zijn aangewend, kan worden bewezen dat verdachte het witwassen zowel als feitelijk leidinggevende als rechtstreeks heeft gepleegd.

Bewijsuitsluiting

Het verweer strekkende tot bewijsuitsluiting kan niet slagen, aangezien in deze zaak niet de rechtspersoon, waaraan het zwijgrecht toekwam, wordt vervolgd.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld, dat verdachte moet worden vrijgesproken van alle ten laste gelegde feiten. Daartoe heeft de raadsman, in het bijzonder ten aanzien van het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde, en zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd.

Feit 1 primair

Verdachte heeft geen fiscale opleiding genoten en uit de bewijsmiddelen blijkt niet dat hij ten tijde van het indienen van de onderhavige aangifte anderszins kennis had verworven op boekhoudkundig of fiscaal gebied. Hij heeft het wel altijd belangrijk gevonden dat de administratie van Holding 1 BV en haar deelnemingen werd verzorgd door professionals. Verdachte mocht in redelijkheid een bepaalde deskundigheid van deze medewerkers verwachten, mede gelet op hun opleiding en ervaring. Daarnaast maakte Holding 1 BV gebruik van de diensten van het gerenommeerde accountantskantoor. Dit accountantskantoor assisteerde bij het indienen van de aangiften omzetbelasting van Holding 1 BV en het opstellen en controleren van haar jaarrekening. Verdachte mocht als niet-deskundige verwachten dat eventuele tekortkomingen in de taakvervulling van zijn controllers tijdig aan het licht zouden komen bij de door accountantskantoor uitgevoerde controles van de administratie van Holding 1 BV.

Desalniettemin is de levering van de adres op 1 juli 2008 niet correct verwerkt in de geautomatiseerde administratie van Holding 1 BV. Het volledige transactieresultaat, inclusief de verschuldigde omzetbelasting van € 1.486.750, is in eerste instantie als omzet geboekt door de controllers van Holding 1 BV. Dat was een niet-onbegrijpelijke vergissing, want in artikel 11 van de Wet op de omzetbelasting 1968 is immers als uitgangspunt opgenomen, dat de levering van onroerende zaken is vrijgesteld van omzetbelasting. Doordat Holding 1 BV hoofdzakelijk bestaand vastgoed ontwikkelde en vervolgens verkocht aan particulieren, waren haar transacties in de regel belast met overdrachtsbelasting en niet met omzetbelasting. Als gevolg van deze gebruikelijke gang van zaken en het feit dat de levering van de adres gedeeltelijk een vrijgestelde prestatie voor de omzetbelasting betrof, is het transactieresultaat van de levering van de adres op 1 juli 2008 per abuis volledig als omzet geboekt. Pas ten tijde van het opstellen van de jaarrekening 2008 is geconstateerd, dat de verschuldigde omzetbelasting per abuis als omzet was geboekt. Naar aanleiding daarvan is namens Holding 1 BV op 12 maart 2009 een gecorrigeerde nota van afrekening aan ontwikkelingsbedrijf BV toegezonden. De verschuldigde omzetbelasting was door Holding 1 BV dus niet in haar geautomatiseerde administratie verwerkt op het moment dat de onderhavige aangifte omzetbelasting op 3 november 2008 werd ingediend. Die administratie vormde de basis voor de aangiften omzetbelasting van Holding 1 BV. Dit heeft erin geresulteerd dat de verschuldigde omzetbelasting per abuis niet in de aangifte van 3 november 2008 terecht is gekomen.

Van de gehoorde getuigen was alleen getuige 1 als assistent-controller werkzaam voor Holding 1 BV op het moment dat de onderhavige aangifte op 3 november 2008 werd ingediend. Zij heeft verklaard dat verdachte de controles in het tweede en derde kwartaal 2008 moet hebben verricht, omdat in die periode geen controller aanwezig was die verantwoordelijk was voor de financiële administratie, dat zij niet wist hoe de nota van afrekening inzake de levering van de adres op 1 juli 2008 moest worden geboekt, dat zij waarschijnlijk de onderhavige aangifte omzetbelasting over het derde kwartaal 2008 heeft “voorbereid en klaargezet” en dat zij denkt dat Holding 1 BV de verschuldigde omzetbelasting inzake de levering van de adres is vergeten aan te geven op 3 november 2008. Hoewel Holding 1 BV in het derde kwartaal van 2008 tijdelijk niet de beschikking had over een controller, mocht verdachte als bestuurder van Holding 1 BV aannemen dat getuige 1 de kennis en ervaring had om een correcte aangifte omzetbelasting voor te bereiden. Zij verzorgde immers al ruim twee jaar de fiscale compliance van Holding 1 BV op het moment dat zij de onderhavige aangifte omzetbelasting had klaargezet, zij heeft een hbo-opleiding genoten en haar werkzaamheden werden bovendien jaarlijks gecontroleerd door de externe accountant van Holding 1 BV. In het FIOD-dossier zijn ook geen aanwijzingen te vinden dat Holding 1 BV aan de behoorlijke taakvervulling van getuige 1 behoefde te twijfelen, dan wel dat Holding 1 BV niet voldoende zorg heeft betracht ten aanzien van de samenwerking met getuige 1. Doordat de nota van afrekening simpelweg verkeerd was geboekt, ging verdachte er op 3 november 2008 vanuit dat Holding 1 BV een correcte en volledige aangifte omzetbelasting over het derde kwartaal 2008 had ingediend. Ook ontwikkelingsbedrijf BV heeft die vergissing gemaakt. Strafrechtelijk kan die vergissing niet worden toegerekend aan Holding 1 BV. Het verzaken van afdoende controle door verdachte, voor zover daar al sprake van zou zijn, is onvoldoende om het vereiste opzet aan te nemen.

Door meerdere getuigen is verklaard dat de administratie van Holding 1 BV niet op orde was. Dit beeld is echter voornamelijk gebaseerd op de verklaringen van twee ontevreden ex-werknemers, wiens verklaringen zich bovendien beperken tot de administratie van Holding 1 BV in Frankrijk. Het beeld dat de fiscale compliance van Holding 1 BV niet op orde zou zijn wordt bovendien uitdrukkelijk genuanceerd door getuige 2 en het feit dat de externe registeraccountant de jaarrekening 2008 van Holding 1 BV heeft goedgekeurd. Er kan dus worden vastgesteld dat de administratie en fiscale compliance van Holding 1 BV in 2008 voldoende deugdelijk waren. Overigens heeft getuige 3, die als controller verantwoordelijk was voor de fiscale compliance van Holding 1 BV in de periode augustus tot en met oktober 2008, wederrechtelijk de administratie van Holding 1 BV ontvreemd, voordat de onderhavige aangifte moest worden ingediend. Als al wordt aangenomen dat de administratie en interne controle van Holding 1 BV voorafgaand aan het indienen van de onderhavige aangifte niet op orde waren, dan kan dit daarom Holding 1 BV noch verdachte strafrechtelijk worden toegerekend.

Er zijn geen gegevens waaruit de kwade intenties van verdachte kunnen worden vastgesteld. Aldus kan niet wettig en overtuigend worden bewezen, dat verdachte op 3 november 2008 willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de aangifte omzetbelasting van Holding 1 BV over het derde kwartaal 2008 onjuist of onvolledig was.

Feit 2

Verdachte moet integraal worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde en moet daarom ook van het onder 2 ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien niet kan worden bewezen dat de geldbedragen uit misdrijf afkomstig zijn.

Bewijsuitsluiting

Indien één of meerdere feiten bewezen worden en in dat verband de afgelegde verklaringen bij de FIOD van getuige 2, medewerker 1, getuige 3 of getuige 1 van belang worden geacht, moeten die verklaringen van het bewijs worden uitgesloten, omdat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv en bewijsuitsluiting noodzakelijk is ter verzekering van het recht van verdachte op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden. De getuigen zijn als voormalig werknemers van Holding 1 BV niet gewezen op het zwijgrecht dat Holding 1 BV als verdachte rechtspersoon toekwam. Volgens vaste rechtspraak is er in beginsel geen ruimte om een verklaring tot het bewijs te bezigen, als aan de verdachte de cautie niet is verleend. Die rechtspraak dient in deze zaak te worden toegepast, nu verdachte door het achterwege blijven van de cautie in zijn verdedigingsbelangen is geschaad. Holding 1 BV is immers niet behoed tegen ongewilde medewerking aan bewijsvergaring in het kader van strafbare feiten waarvoor verdachte als bestuurder van Holding 1 BV aansprakelijk wordt gehouden.

Het oordeel van de rechtbank

Feit 1 primair

Doen onjuiste aangifte omzetbelasting door Holding 1 BV

Uit de bewijsmiddelen in het dossier kan worden opgemaakt dat het geldbedrag dat Holding 1 BV van de notaris heeft ontvangen na de transactie met ontwikkelingsbedrijf BV op 1 juli 2008, in zijn geheel als omzet is geboekt. Reeds op 2 juli 2008 is dit kennelijk fout gegaan, nu in het door medewerker 1 aan verdachte gemailde overzicht van de financiën van Holding 1 BV, geen post ‘te betalen omzetbelasting’, of een vergelijkbare post, is opgenomen. De door Holding 1 BV ontvangen omzetbelasting zal vermoedelijk om die reden niet in de aangifte omzetbelasting over het derde kwartaal van 2008 zijn opgenomen.

Ingevolge artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht kunnen strafbare feiten worden begaan door rechtspersonen. De strafbaarheid van een rechtspersoon wordt vastgesteld aan de hand van drie vraagpunten:

  1. Is de rechtspersoon geadresseerde van de norm?
  2. Kan de verboden gedraging – die door een natuurlijk persoon is verricht – aan de rechtspersoon worden toegerekend?
  3. Kan het bestanddeel opzet of schuld worden bewezen?

De beantwoording van de vraag, of de verboden gedraging redelijkerwijs aan de rechtspersoon kan worden toegerekend, is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de (verboden) gedraging. Een belangrijk oriëntatiepunt bij de toerekening is of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon zal sprake kunnen zijn indien zich een of meer van de navolgende omstandigheden voordoen:

  • het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon;
  • de gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon;
  • de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf;
  • de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden of zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard.

Holding 1 BV was geadresseerde van de norm, te weten de verplichting om een correcte aangifte omzetbelasting te doen. Het doen van de aangifte omzetbelasting voor het derde kwartaal van 2008 valt bovendien binnen de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon, is de rechtspersoon dienstig geweest en de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden. Zodoende kan het doen van een onjuiste aangifte – hetgeen onder 1 ten laste is gelegde als opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen en valsheid in geschrift – aan de rechtspersoon worden toegerekend, mits opzet kan worden bewezen.

Naar het oordeel van de rechtbank kan worden bewezen dat Holding 1 BV voorwaardelijke opzet had op de ten laste gelegde feiten. Uit de verklaring van getuige 1 en de brief van controller getuige 2 kan worden opgemaakt dat de administratie van Holding 1 BV niet goed was georganiseerd. Dit kan bovendien objectief worden vastgesteld nu de in rekening gebracht omzetbelasting, die op de nota van afrekening duidelijk was aangegeven, niet goed in de administratie is verwerkt. Door onvoldoende zorgvuldig om te gaan met de administratie in het algemeen en de verwerking van de transactie met ontwikkelingsbedrijf BV in het bijzonder, heeft Holding 1 BV bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat zij in strijd met de waarheid een aangifte omzetbelasting over het derde kwartaal van 2008 zou indienen, waarin een te laag bedrag aan opgegeven omzetbelasting stond opgegeven.

Feitelijk leidinggeven

Indien een strafbaar feit wordt begaan door een rechtspersoon, kan ingevolge het tweede lid van artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht ook strafvervolging worden ingesteld, en kunnen ook straffen worden uitgesproken tegen hen die tot dat feit opdracht hebben gegeven en aan dat feit feitelijk leiding hebben gegeven.

Van feitelijk leidinggeven is sprake als voldaan wordt aan de volgende twee voorwaarden:

  1. Iemand moet maatregelen ter voorkoming van die gedraging achterwege laten, hoewel hij daartoe bevoegd en redelijkerwijs gehouden is. De bevoegdheid tot ingrijpen bestaat indien de verdachte feitelijke zeggenschap heeft over de gedraging die de rechtspersoon wordt geacht te hebben verricht. Een formele relatie met de rechtspersoon is daarvoor geen vereiste.
  2. Iemand moet bewust de aanmerkelijke kans aanvaarden dat de verboden gedraging zich zal voordoen, zodat hij die gedraging opzettelijk bevordert. Verdachte moet dus (voorwaardelijk) opzet op de verboden gedraging hebben. Schuld – verdachte had op de hoogte moeten zijn van de verboden gedraging – is onvoldoende.

Verdachte was ten tijde van de ten laste gelegde feiten middellijk bestuurder in de functie van directeur van Holding 1 BV, middellijk 100% aandeelhouder van Holding 1 BV en als enige vertegenwoordigingsbevoegd. Hij had feitelijke zeggenschap over de ten laste gelegde gedragingen van de rechtspersoon en was bevoegd in te grijpen. Op grond van de bewijsmiddelen kan voorts worden vastgesteld dat verdachte zich had moeten realiseren dat hij maatregelen moest nemen om te zorgen dat de aangifte omzetbelasting over het derde kwartaal van 2008 correct zou worden gedaan, door die aangifte omzetbelasting nauwkeurig te controleren. De rechtbank overweegt daartoe in het bijzonder dat verdachte zich reeds op 2 juli 2008, naar aanleiding van het door medewerker 1 naar hem gestuurde overzicht van de financiën van Holding 1 BV, had moeten realiseren dat er mogelijk iets fout was gegaan of zou gaan in de administratie van Holding 1 BV. Immers had hem op dat moment – slechts enkele dagen nadat hij de akte van levering en nota van afrekening met betrekking tot de transactie met ontwikkelingsbedrijf BV onder ogen had gekregen – moeten opvallen dat er door medewerker 1 geen reservering was gemaakt voor te betalen omzetbelasting. Uit de verklaring van verdachte blijkt bovendien dat transacties, waarbij door Holding 1 BV BTW in rekening werd gebracht, niet of nauwelijks voorkwamen. Hij had daarom extra alert moeten zijn op de correcte verwerking van deze transactie, zeker omdat er in die periode meerdere personeelswisselingen waren op de control-afdeling van Holding 1 BV. Op het moment dat de aangifte omzetbelasting aan verdachte werd voorgelegd ter controle, was er zelfs geen controller aanwezig op de control-afdeling; alleen getuige 1, de assistent-controller, was toen voor de Nederlandse tak van Holding 1 BV werkzaam. Gelet op het bijzondere karakter van de transactie met ontwikkelingsbedrijf BV en de aanwijzingen die verdachte al eerder gehad moet hebben gehad dat deze transactie niet goed was verwerkt in de administratie van Holding 1 BV, mocht verdachte er op dat moment niet van uitgaan dat de aan hem voorgelegde aangifte omzetbelasting correct was. Er is niet gebleken dat verdachte enige maatregel heeft genomen om te voorkomen dat een onjuiste aangifte opgesteld en ingediend zou worden. Gelet op het voorgaande was hij daartoe bevoegd en redelijkerwijs gehouden. Door deze aangifte bovendien evenmin zelf nauwkeurig te controleren, heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de verboden gedraging zich zou voordoen en dus voorwaardelijk opzet op de ten laste gelegde feiten gehad. Er kan dan ook worden bewezen dat hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de ten laste gelegde gedragingen.

Bewijsuitsluiting

De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging, dat de verklaringen van getuige 2, medewerker 1, getuige 3 en getuige 1 van het bewijs moeten worden uitgesloten, omdat zij als ex-werknemers van Holding 1 BV niet zijn gewezen op het aan de rechtspersoon toekomende zwijgrecht. Niet verdachte, maar Holding 1 BV is geadresseerde van dit zwijgrecht, dus aan schending van dit vormvoorschrift zal in de zaak van verdachte geen rechtsgevolg worden verbonden, aangezien geen sprake is van een jegens verdachte begaan vormverzuim. Ten overvloede merkt de rechtbank hierbij op dat door de verdediging onvoldoende is onderbouwd welk nadeel door het vormverzuim is veroorzaakt.

Feit 2

Hoewel bewezen is geacht dat Holding 1 BV en verdachte – als feitelijk leidinggevende van Holding 1 BV – zich schuldig hebben gemaakt aan strafbare feiten, door opzettelijk een onjuiste en valse aangifte omzetbelasting te doen, zal verdachte desondanks worden vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde witwassen en feitelijk leidinggeven aan witwassen door Holding 1 BV. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

De onder ten laste gelegde feitelijke gedragingen, te weten het (laten) overboeken van de ontvangen omzetbelasting en om laten zetten van dat geld in (Fortis) aandelen, hebben zich voorgedaan vóór de voltooiing van de bewezen geachte strafbare feiten op 3 november 2008. Op dat moment waren deze geldbedragen daarom nog niet afkomstig uit enig misdrijf en kon dan ook geen sprake zijn van witwasgedragingen.

Daarnaast is als feitelijke gedraging ten laste gelegd dat Holding 1 BV en verdachte de omzetbelasting hebben gebruikt of laten gebruiken. De rechtbank begrijpt deze termen in de context van de overige ten laste gelegde verfeitelijkte gedragingen en concludeert daarom dat ook deze gedragingen zich vóór 3 november 2008 hebben voorgedaan en dus geen veroordeling voor witwassen kunnen ondersteunen. Voor zover het Openbaar Ministerie met de zinsnede “en/of te (laten) gebruiken” feitelijk handelen van Holding 1 BV of verdachte van ná 3 november 2008 heeft beoogd ten laste te leggen, is onvoldoende duidelijk welke feitelijke handelingen zij hiermee heeft beoogd ten laste te leggen en zou de dagvaarding partieel nietig zijn.

Bewezenverklaring

  • Feitelijk leidinggeven aan opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, en
  • Feitelijk leidinggeven aan valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 20 maanden waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2jaar.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Epenaar vrijgesproken van oplichting bank, wel veroordeelding voor belastingfraude

Rechtbank Gelderland 1 maart 2016, ECLI:NL:RBGEL:2016:1111 De rechtbank heeft een 54 jarige Epenaar veroordeeld tot een werkstraf van 80 uur en een geldboete van € 10.000,- voor het doen van onjuiste aangifte inkomstenbelasting over 2007. Verdachte had als begunstigde van een Nederlands Antilliaanse Stichting Particulier Fonds het resultaat van een aandelentransactie moeten aangeven in box II als belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang. Verdachte is vrijgesproken van het stelselmatig oplichten van een bank door grootschalige fraude met incassocontracten.

Aanleiding onderzoek

Op 28 september 2011 heeft ABN AMRO Bank NV aangifte van oplichting gedaan tegen de verdachte en zijn broer medeverdachte (en tegen aan hen gelieerde vennootschappen). Door vermoedelijk frauduleus handelen bij het gebruik van incassocontracten, waarbij in de periode van januari 2007 tot en met januari 2010 in totaal 76.503 incasso’s ten laste van rekeningen bij de Postbank zijn uitgevoerd, welke incasso’s vrijwel allemaal weer zijn gestorneerd, is ABN AMRO volgens de aangifte tot een bedrag van ruim € 11 miljoen benadeeld.

Uit een boekencontrole door de Belastingdienst is daarnaast de verdenking ontstaan dat verdachte over 2007 een onjuiste aangifte inkomstenbelasting heeft gedaan.

In het tripartiete overleg van 3 september 2012 is besloten een strafrechtelijk onderzoek in te stellen.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1 primair (als medepleger) en 2 ten laste gelegde feiten. Ter zitting heeft de officier van justitie de bewijsmiddelen opgesomd en toegelicht aan de hand van haar schriftelijke requisitoir.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem onder 1 tenlastegelegde. Met betrekking tot het onder 2 tenlastelegde heeft de raadsman primair vrijspraak bepleit en subsidiair ontslag van alle rechtsvervolging. De raadsman heeft het standpunt van de verdediging ter zitting toegelicht aan de hand van zijn pleitnota.

Beoordeling door de rechtbank

Feit 1

Aan verdachte wordt verweten dat hij als medepleger of medeplichtige betrokken is geweest bij grootschalige incassofraude, waarbij ABN AMRO in een periode van drie jaar voor een aanzienlijk bedrag stelselmatig zou zijn opgelicht. In de tenlastelegging is een aantal feitelijke gedragingen omschreven, met name het bij herhaling, volgens een vast patroon, laten uitvoeren van incasso‑opdrachten met Automatisch Herhaald Aanbieden, waardoor de bank telkens zou zijn bewogen tot het afgeven van geldbedragen, die voor een deel zijn afgeroomd. Er is naar het oordeel van de rechtbank geen bewijs dat al bij het openen van de rekeningen bij ABN AMRO en het afsluiten van de incassocontracten (door verdachte) gehandeld werd op basis van een vooropgezet plan om de bank op deze manier op te lichten. Naar het oordeel van de rechtbank is voor een bewezenverklaring van zowel het primair als het subsidiair tenlastegelegde ten minste vereist dat kan worden vastgesteld dat verdachte wetenschap had van bedoelde feitelijke gedragingen en met name van het frauduleuze doel en karakter daarvan. Uit het dossier komt naar voren dat verdachte van bepaalde onderdelen wel op de hoogte was, zoals dat hij kennis had van de mede door hemzelf geopende rekeningen bij ABN AMRO en van de daarbij afgesloten incassocontracten alsook van de rekeningen die bij de Postbank waren geopend en die bij de incassofraude als tegenrekening een rol hebben gespeeld. De getuige, werkzaam bij administratiekantoor naam 1, heeft verklaard over de handelingen die er rond de incasso’s en in het bijzonder rond het herhaaldelijk insturen van incasso‑batches werden verricht. Zij heeft aangegeven dat zij die handelingen, vrijwel dagelijks, uitvoerde in opdracht van medeverdachte en dat diezelfde medeverdachte de incasso‑batches ook zelf instuurde. Volgens Karrenbelt heeft zij daarbij nooit met verdachte te maken gehad en deed verdachte de incasso’s zelf ook nooit. Eén van de getuigen meent zich te herinneren dat verdachte wel eens de incasso’s deed als de medeverdachte met vakantie was en een andere getuige vermoedt dat verdachte ook wel eens incasso‑opdrachten heeft ingestuurd. Overigens is er geen enkel bewijs voorhanden (waaruit zonder meer valt af te leiden) dat verdachte op de hoogte was van de door zijn broer ten aanzien van de rekeningen bij ABN AMRO in stand gehouden incassopraktijk, laat staan dat verdachte wetenschap had van het frauduleuze karakter daarvan. Alleen de medeverdachte belast verdachte in die zin dat hij heeft verklaard dat verdachte ook wel automatische incasso‑opdrachten heeft ingestuurd en dat verdachte van alles op de hoogte zou zijn geweest. Die verklaring maakt echter nog niet concreet wat dat alles dan zou zijn en of daaronder ook de wetenschap valt van de tenlastegelegde gedragingen waarmee ABN AMRO zou zijn opgelicht. Nu niet met de voor een bewezenverklaring vereiste zekerheid kan worden aangenomen dat verdachte kennis had van het doel van de vanaf de rekeningen bij ABN AMRO uitgevoerde incasso‑opdrachten en evenmin dat hij die opdrachten zelf heeft ingestuurd of anderszins daarbij betrokken was, kan het onder 1 tenlastegelegde noch in de vorm van medeplegen noch in de vorm van medeplichtigheid wettig en overtuigend bewezen worden verklaard. Van belang hierbij is ook dat door het ontbreken van kennis en actieve betrokkenheid van verdachte ook niet kan worden gezegd dat hij vanwege de samenwerking met zijn broer bewust de aanmerkelijke kans zou hebben aanvaard dat de rekeningen bij ABN AMRO voor de tenlastegelegde incassofraude gebruikt zouden worden, alsmede dat verdachte vanaf 31 augustus 2007 geen bestuurder meer was van bedrijf 1 en dat aannemelijk is geworden dat verdachte in elk geval in de periode daarna zich ook niet of nauwelijks meer heeft beziggehouden met horeca‑activiteiten van de bedrijf 1.

De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde.

Feit 2

Het onderzoek van de FIOD is voortgekomen uit een boekencontrole door de Belastingdienst, in het kader waarvan de Belastingdienst heeft kennisgenomen van een vaststellingsovereenkomst tussen verdachte en ABN AMRO van 5 juli 2010. Verdachte en zijn broer medeverdachte hebben om te voldoen aan de door ABN AMRO vereiste zekerheden een overzicht van hun onroerend goed waaronder onroerend goed op Bonaire overgelegd. Dit vastgoed werd gehouden door middel van een Nederlands Antilliaanse Stichting Particulier Fonds (SPF): stichting 1. stichting 1 was door middel van belangen in onder meer bedrijf 2 en bedrijf 3 eigenaar van het vastgoed. stichting 1 hield 2/3 van de aandelen in bedrijf 2 en 2/3 van de aandelen in bedrijf 3. De andere 1/3 van die aandelen werd gehouden door stichting 2. stichting 2 is te linken aan een derde persoon ( naam 3 ). Verdachte en zijn broer waren achterligger – economisch eigenaar of begunstigde – van stichting 1.

stichting 1 is op 25 augustus 2004 opgericht en volgens het handelsregister gevestigd op het adres Bonaire. Als bestuursleden staan ingeschreven: naam 3 en bedrijf 4 van naam 4.

In 2007 is de helft van de aandelen in bedrijf 2 en bedrijf 3 met winst verkocht. Vaststaat dat verdachte noch van zijn betrokkenheid bij stichting 1 als achterligger noch van het op die aandelentransactie behaalde resultaat aangifte heeft gedaan voor de inkomstenbelasting over 2007. Bij vraag 39 van het aangifteformulier wordt geïnformeerd naar betrokkenheid bij een trustvermogen of een daarmee te vergelijken doelvermogen (naar buitenlands recht), zoals een Antilliaanse Stichting Particulier Fonds, en wordt erop gewezen dat als daarvan sprake is het desbetreffende hokje moet worden aangekruist. De aangifte, gedateerd 27 maart 2009 en elektronisch gedaan in Apeldoorn, is in opdracht van verdachte opgemaakt door een boekhouder, die niet op de hoogte was van de betrokkenheid van verdachte bij stichting 1 of van het resultaat van de aandelentransactie.

Die boekhouder, naam 5, heeft verklaard dat hij niet heeft geweten van een trustvermogen of van andere belangen van verdachte op de Nederlandse Antillen. Van de term achterligger had hij ook niet eerder gehoord.

Een letter of intent en een daaraan gehechte verklaring van 6 februari 2007 houden in dat bedrijf 5 met stichting 1 en stichting 2 overeenkomt dat bedrijf 5 de helft van de aandelen in bedrijf 2 en bedrijf 3 verwerft. Ook is volgens dat document overeengekomen dat bedrijf 5 de vorderingen van stichting 1 en stichting 2 op bedrijf 2 en bedrijf 3 overneemt. De koopprijs is bepaald op $ 1.000.000,- waarop in mindering wordt gebracht de helft van de waarde van bedoelde vorderingen op bedrijf 2 en bedrijf 3. Betaling van de koopprijs zou als volgt plaatsvinden: 50% bij de akten van levering van de aandelen en 50% bij de start van een nader genoemd vastgoedproject. Een Overeenkomst en akte houdende aandelenoverdracht houden diezelfde afspraken in.

Op 8 februari 2007 heeft naam 6 van bedrijf 5 opdracht gegeven aan de Rabobank Rijssen Enter om een bedrag van $ 500.000,- over te maken aan bedrijf 6 in Epe op bankrekeningnummer o.v.v. ‘Voorschot aankoop aandelen bedrijf 3 en bedrijf 2 ’. Op 28 juni 2007 wordt een vergelijkbare betalingsopdracht gegeven o.v.v. ‘aankoop aandelen bedrijf 3 en bedrijf 2 ’.

naam 4 heeft verklaard dat de achterligger bepaalt wat er gebeurt en dat als de achterligger zegt dat er verkocht of gekocht moet worden, er verkocht of gekocht wordt, alsmede dat de achterligger kan beschikken over het inkomen en vermogen van de SPF. Verdachte en zijn broer waren in feite handelingsbevoegd voor de SPF. naam 4 was formeel wel tekenbevoegd maar in de praktijk zou hij niet mogen tekenen, omdat zijn managementcontract dat niet toeliet. Verdachte en zijn broer waren feitelijk beslissingsbevoegd voor stichting 1

Naar het oordeel van de rechtbank is stichting 1 transparant en konden verdachte en zijn broer over het inkomen en vermogen van stichting 1 beschikken als ware dat hun eigen inkomen en vermogen.

Naar het oordeel van de rechtbank had verdachte het vakje waarmee hij kenbaar kon maken dat hij als achterligger betrokken was bij een trust of een ander doelvermogen naar buitenlands recht zoals een Stichting Particulier Fonds naar Nederlands Antilliaans recht moeten aankruisen. Verdachte had dit uit de vraagstelling en de toelichting daarop ook moeten begrijpen. De omstandigheid dat verdachte geen bestuurder van stichting 1 is, kan niet tot een ander oordeel leiden. Met vraag 39 van de aangifte inkomstenbelasting wordt opgave verlangd van een gegeven waarvan kennisneming van belang kan zijn voor de heffing, zodat de Belastingdienst in de gelegenheid is nader onderzoek te doen en de juiste heffing te bepalen.

Omdat stichting 1 transparant is diende verdachte de winst van de verkoop van de aandelen in bedrijf 2 en bedrijf 3 op te geven in box II als belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang. Dat (een gedeelte van) de prijs van de aandelen in opdracht van verdachte en zijn broer is overgemaakt op een rekening van bedrijf 6, kan niet tot een ander oordeel leiden.

Verdachte heeft nagelaten informatie over stichting 1 te verstrekken aan degene die voor hem de aangifte inkomstenbelasting 2007 verzorgde. Door zo te handelen heeft hij, gegeven zijn betrokkenheid als achterligger bij de als transparant te beschouwen stichting 1 en gegeven het op de aandelentransactie behaalde resultaat, welbewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij een onvolledige en (daardoor) onjuiste aangifte inkomstenbelasting 2007 zou doen.

De rechtbank komt dan ook tot een bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde.

De Belastingdienst heeft het fiscale nadeel berekend op € 42.062,-.

Bewezenverklaring

Feit 2: Opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven.

Strafoplegging 

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 80 uur en een geldboete van € 10.000.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

EU schiet tekort in aanpak btw-fraude

De Europese Unie slaagt er nog onvoldoende in grensoverschrijdende btw-fraude te bestrijden. De bestaande instrumenten moeten worden versterkt en beter toegepast. Dat stelt de Europese Rekenkamer donderdag in een rapport.

De schatkisten van de EU-landen lopen jaarlijks naar schatting 40 miljard tot 60 miljard euro mis doordat criminele organisaties belasting ontwijken.

De EU heeft weliswaar een ''batterij’’ aan instrumenten, maar die worden volgens de rekenmeesters niet effectief ingezet. Ook schiet de samenwerking en gegevensuitwisseling tussen lidstaten tekort.

De rekenkamer adviseert de Europese instellingen wetgeving aan te nemen die de uitwisseling van relevante informatie tussen de lidstaten moet verbeteren. Ook zou het Europese antifraudebureau OLAF meer bevoegdheden moeten krijgen.

 

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling wegens meerdere jaren doen van opzettelijk onjuiste aangiften omzetbelasting

Rechtbank Overijssel 8 februari 2016, ECLI:NL:RBOVE:2016:420 Verdachte heeft gedurende meerdere jaren opzettelijk onjuiste aangiften gedaan voor de omzetbelasting zonder deze aangiften op een later moment te corrigeren middels een suppletieaangifte met als gevolg dat te weinig omzetbelasting is afgedragen.

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, en een taakstraf van 120 uren.

Verdenking

De verdenking komt er op neer dat verdachte als feitelijk leidinggever van de in de tenlastelegging genoemde vennootschappen:

  • feit 1: in de periode van 29 april 2009 tot en met 8 januari 2014 opzettelijk onjuiste aangiften omzetbelasting heeft gedaan;
  • feit 2: in de periode van 1 januari 2009 tot en met 27 november 2014, dan wel in de periode van 1 januari 2012 tot en met 27 november 2014, meermalen opzettelijk geen suppletie voor de omzetbelasting heeft gedaan.

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat op basis van betrouwbare getuigenverklaringen wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan. Ten aanzien van het gevoerde verweer dat er bij verdachte geen sprake is geweest van opzet heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld, dat er in ieder geval sprake was van voorwaardelijk opzet.

De verdediging heeft zich, kort weergegeven, op het standpunt gesteld dat de getuigen ook allemaal hun eigen belang hadden toen zijn hun verklaringen hebben afgelegd en dat de afgelegde verklaringen om die reden niet erg betrouwbaar kunnen zijn. Verder heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte geen opzet heeft gehad om onjuiste aangiften in te dienen. Verdachte heeft volgens de verdediging juist alles in het werk gesteld om een correcte administratie te voeren. Verdachte heeft volgens de verdediging niet willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat er onjuiste aangiften voor de omzetbelasting werden ingediend.

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

Vast staat dat verdachte enig aandeelhouder en bestuurder is van bedrijf 2 B.V. en dat deze holding enig aandeelhouder en bestuurder is van bedrijf 1 B.V.

Binnen de holding vindt echter geen economische activiteit plaats; de holding is louter eigenaar van het aan bedrijf 1 B.V. ter beschikking gestelde bedrijfspand. In het hiernavolgende zal de rechtbank zich dan ook slechts richten op de activiteiten van bedrijf 1 B.V. en verdachtes aandeel daarin.

Tevens staat niet ter discussie dat verdachte niet alleen formeel, maar ook feitelijke zeggenschap had over alle activiteiten van bedrijf 1 B.V.

Bij de FIOD is een melding binnengekomen inhoudende dat bedrijf 1 B.V. over de jaren 2009 t/m 2011 de omzetbelasting niet volledig zou hebben afgedragen. De FIOD heeft deze melding doorgegeven aan de Belastingdienst en de Belastingdienst heeft een boekenonderzoek ingesteld in welk onderzoek ook de jaren 2012 en 2013 zijn betrokken.Geconstateerd is dat over de hiervoor genoemde jaren onjuiste aangiften omzetbelasting zijn gedaan als gevolg waarvan een strafrechtelijk nadeel omzetbelasting is veroorzaakt van € 146.434,00.

De getuige 1, administrateur van verdachte in de periode 2008 t/m september 2009, heeft verklaard dat in het eerste kwartaal van 2009 € 10.000,00 bij de aangifte omzetbelasting is bijgeteld in verband met twijfel over de juistheid van de boekhouding. Volgens getuige 1 betaalde verdachte in verband met liquiditeitsproblemen in privé inkoopfacturen ten name van de vennootschap, waardoor deze niet geboekt werden maar er wel recht op voorbelasting bestond.

Over de periode 3e kwartaal 2009 t/m het 3e kwartaal 2012 zijn de aangiften omzetbelasting voor verdachte ingediend door de getuige 2, zelfstandig boekhouder. Getuige 2 heeft verklaard dat in 2009 met akkoord van verdachte bewust minder voorbelasting is aangegeven door met de btw te schuiven. Dit vond eveneens plaats in de jaren 2010, 2011 en 2012. Er zou voorts echter diverse keren bij verdachte op zijn aangedrongen een suppletieaangifte in te dienen.

Getuige 3, accountant en opsteller van de jaarrekeningen 2011 en 2012 van bedrijf 1 B.V. heeft verklaard dat bij de bespreking van de jaarrekeningen met verdachte is besproken dat er nog een suppletieaangifte van de omzetbelasting moest worden gedaan. Verdachte heeft bevestigd dat getuige 3 hem er op heeft gewezen dat er nog een suppletieaangifte gedaan moest worden.

Getuige 4, accountant AA, heeft verklaard dat verdachte tegen hem heeft gezegd heeft dat hij de suppletieaangiften niet wilde indienen omdat hij de cijfers niet vertrouwde.

Het vorenstaande, in onderling verband bezien en ondersteund door verscheidende schriftelijke aantekeningen, notities en e-mails zoals opgenomen in de bijlage bij dit vonnis, brengt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte er van meet af aan wetenschap van had dat de aangiften omzetbelasting niet correct waren gedaan. Over de in de bewezenverklaring genoemde kwartalen zijn steeds onjuiste (te lage) aangiften voor de omzetbelasting gedaan en is tevens ``opzettelijk niet voldaan aan de op bedrijf 1 B.V. (als onderdeel van een fiscale eenheid) rustende verplichting tot het doen van een suppletieaangifte ter zake de omzetbelasting. Dat verdachte namelijk ondanks voornoemde wetenschap niet is overgegaan tot de vereiste aangiften dan wel suppleties, omdat hij naar eigen zeggen wilde afwachten tot hij zekerheid had over de al dan niet correctheid van de gevoerde administratie binnen bedrijf 1 B.V. en daarmee niet bewust de onjuiste aangiften dan wel het achterwege laten van corrigerende inlichtingen zou hebben geaccordeerd, wordt weersproken door de wetenschap die bij verdachte bestond over de opgezette constructies teneinde de verschuldigde omzetbelasting niet, dan wel niet tijdig te hoeven betalen en het feit dat uit het dossier niet is gebleken dat de administratie inderdaad incorrect is gebleken en wel in die zin dat er te veel omzetbelasting is afgedragen. Dat verdachte telkenmale, in weerwil van de conclusies van zijn boekhouders en accountants, naar eigen zeggen meende dat de administratie niet betrouwbaar was en op grond van zijn “zesde zintuig” minder omzetbelasting afdroeg dan door zijn adviseurs berekend, sterkt de rechtbank in haar conclusie dat verdachte bewust de onjuiste aangiften omzetbelasting heeft gedaan c.q. willens en wetens het achterwege laten van suppletieaangiften heeft geaccordeerd in zijn rol van feitelijk leidinggevende van bedrijf 1 B.V.

Bewezenverklaring 

  • feit 1: opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit er toe strekt dat er te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon terwijl verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd.
  • feit 2: opzettelijk een feit begaan omschreven in artikel 68, eerste lid, onderdeel a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten het, als degene die ingevolge de belastingwet verplicht is tot het verstrekken van inlichtingen, gegevens of aanwijzingen, deze niet verstrekken, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en een taakstraf van 120 uur.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling wegens fiscale Fraude

Rechtbank Amsterdam 3 februari 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:796 Verdachte en zijn mededader(s) hebben zich gedurende een periode van ruim twee jaar schuldig gemaakt aan belastingfraude. Verdachte heeft met inschakeling van twee zogenaamde katvangers twee fictieve eenmanszaken opgericht en namens die fictieve ondernemingen telkens opzettelijk onjuiste aangiften voor de omzetbelasting ingediend. Ook heeft verdachte in zijn eigen aangiften voor de inkomstenbelasting onjuiste looninkomsten en te hoge loonheffing opgenomen. 

Voorvragen

Het standpunt van de verdediging

Het openbaar ministerie dient niet-ontvankelijk te worden verklaard, nu de redelijke termijn is overschreden terwijl hiervoor geen rechtvaardiging is. De mogelijkheden tot het voeren van een adequate verdediging zijn hierdoor aanzienlijk verminderd. Zo heeft de verdediging het verzoek gedaan tot het horen van getuige maar deze getuige is thans onvindbaar. Gelet op het belang van de verdediging bij het horen van voornoemde getuige en de mogelijkheid van het openbaar ministerie om deze getuige in een eerder stadium van de vervolging te horen, is sprake van een ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan zijn recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan.

Het standpunt van het openbaar ministerie

De overschrijding van de redelijke termijn dient te worden gecompenseerd in de strafmaat.

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte is op 18 augustus 2009 door de FIOD verhoord. Nu niet is gebleken dat vanwege de Nederlandse Staat jegens verdachte eerder een handeling is verricht waaraan hij in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem in deze zaak door het openbaar ministerie een strafvervolging zou worden ingesteld, zal de rechtbank deze datum als aanvangsdatum nemen.

Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van de verdachte en zijn raadsvrouw op het procesverloop, en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.

De rechtbank stelt vast dat de behandeling van de zaak niet binnen twee jaren nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen is afgerond. Het overzichtsproces-verbaal is afgesloten op 21 december 2009. In de jaren die volgden, heeft het onderzoek stilgelegen. Eerst op 4 juli 2015 heeft in deze zaak en de zaak tegen de medeverdachte een zogenoemde regiezitting plaatsgevonden. Tijdens deze zitting zijn door verdachte en de medeverdachte nog onderzoekswensen ingediend, te weten het verzoek tot het horen van getuige bij de rechter-commissaris. Vervolgens heeft op 20 januari 2016 de inhoudelijke behandeling van de zaken plaatsgevonden. Het onderhavige eindvonnis is op 3 februari 2016 gewezen.

Verdachte heeft, door het verzoek tot het horen van een getuige bij de rechter-commissaris, invloed uitgeoefend op het procesverloop in deze zaak. Zelfs als rekening wordt gehouden met deze omstandigheid, is echter sprake van een overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank stelt deze overschrijding vast op bijna vijf jaar.

Overschrijding van de redelijke termijn leidt niet tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de strafvervolging, ook niet in uitzonderlijke gevallen. Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden. Er is niet gebleken van zodanige omstandigheden dat in deze zaak van bovenbedoeld vaste jurisprudentie van de Hoge Raad moet worden afgeweken. Ondanks dat het openbaar ministerie de mogelijkheid heeft gehad in een eerder stadium van de vervolging getuige te horen, maakt deze omstandigheid niet dat sprake is van een ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan zijn recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan. Dit betekent dat het ontvankelijkheidsverweer wordt verworpen.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft de bewezenverklaring gevorderd van de aan verdachte ten laste gelegde feiten. De officier van justitie baseert haar standpunt op de in het dossier aanwezige processen-verbaal van verhoor van medeverdachte, processen-verbaal van verhoor van getuigen en de schriftelijk bescheiden die in de woningen van verdachte en medeverdachte zijn aangetroffen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft overeenkomstig de door haar overgelegde pleitaantekeningen vrijspraak bepleit ten aanzien van medeplegen van het opzettelijk indienen van onjuiste belastingaangiften, met uitzondering van de in de tenlastelegging opgenomen aangiften voor de inkomstenbelasting op naam van verdachte. De raadsvrouw heeft – kort gezegd – daartoe aangevoerd dat de rol van verdachte van onvoldoende gewicht is om hem als medepleger aan te merken, zodat verdachte dient te worden vrijgesproken. Ten aanzien van de aangiften ten name van naam 1 en ten name van naam 2 is onvoldoende bewijs voorhanden dat verdachte hierbij betrokken is geweest, aldus de raadsvrouw.

Het oordeel van de rechtbank

Door de FIOD is in januari 2007 onder de naam “persoon 1” een strafrechtelijk onderzoek gestart naar onjuiste aangiften voor de omzetbelasting over de maanden januari tot en met september 2006, die op naam van de eenmanszaak “eenmanszaak 1” bij de Belastingdienst zijn ingediend. Persoon 1, de eigenaresse van “eenmanszaak 1”, heeft bij de politie verklaard dat verdachte en medeverdachte betrokken zijn geweest bij het indienen van voornoemde aangiften.

De woningen van verdachte en medeverdachte zijn vervolgens door de FIOD doorzocht, waarbij diverse administratieve bescheiden en gegevens van derden zijn aangetroffen. Nader onderzoek heeft uitgewezen dat voornoemde stukken betrekking hebben op onjuiste aangiften voor de omzetbelasting die in de periode van 10 mei 2006 tot en met 4 mei 2007 ten name van verschillende eenmanszaken bij de Belastingdienst zijn ingediend. Deze onjuistheid hield in dat deze bedrijven – anders dan in genoemde aangiften vermeld- geen goederen en diensten hebben afgenomen van leveranciers en dus geen omzetbelasting aan leveranciers hebben betaald.

Ook zijn in de woning van verdachte administratieve bescheiden aangetroffen die betrekking hebben op in de periode van 26 juli 2005 tot en met 14 januari 2007 ingediende onjuiste aangiften voor de inkomstenbelasting. De in de aangiften aangegeven looninkomsten en loonheffing komen op deze aangiften niet overeen met de gegevens die hiervan bij de Belastingdienst bekend waren.

Niet in geschil is dat de in de tenlastelegging opgenomen aangiften onjuist zijn. Het resultaat is dat voornoemde belastingaangiften sloten op onjuiste terug te vragen bedragen, met het doel om de Belastingdienst te bewegen tot het ten onrechte uitkeren van belastinggeld.

Mede naar aanleiding van de door de officier van justitie en de raadsvrouw ter terechtzitting ingenomen standpunten, ziet de rechtbank zich voor de volgende vragen gesteld:

  • Had verdachte een rol bij het indienen van de onjuiste aangiften voor de omzetbelasting, en zo ja, welke?
  • Had verdachte een rol bij het indienen van de onjuiste aangiften voor de loonbelasting, en zo ja welke?

Feit 1

De rechtbank gaat bij de beoordeling van de bewezenverklaring van feit 1 uit van de in de tenlastelegging genoemde aangiften voor de omzetbelasting. De aangiften zijn ingediend ten name van natuurlijke personen, handelend onder de naam van verschillende eenmanszaken. Deze personen met hun eenmanszaken zullen afzonderlijk worden besproken.

Persoon 1 (handelend onder de naam “eenmanszaak 1”)

Persoon 1 heeft haar eenmanszaak “eenmanszaak 1” in 2006 ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Op naam van persoon 1 zijn over de maanden januari 2006 tot en met september 2006 bij de Belastingdienst aangiften voor de omzetbelasting gedaan. Het aangiftebiljet over de maanden januari tot en met april 2006 heeft de Belastingdienst ontvangen op 10 mei 2006. Naar aanleiding van de aangiften heeft de Belastingdienst een totaalbedrag van €18.697 op het rekeningnummer 1 ten name van eenmanszaak 1 gestort.

Binnen de eenmanszaak “eenmanszaak 1” hebben nooit bedrijfsactiviteiten plaatsgevonden. Persoon 1 heeft verklaard dat zij samen met, onder meer, verdachte en medeverdachte, de eenmanszaak heeft ingeschreven in de Kamer van Koophandel. Op verzoek van verdachte en medeverdachte heeft zij vervolgens het inschrijvingsbewijs aan hen gegeven. Daarna heeft persoon 1 in opdracht van verdachte en medeverdachte een zakelijke rekening geopend bij de Postbank, waarna zij de bankpas en pincode van deze bankrekening aan medeverdachte moest afgeven. Verdachte was hierbij aanwezig.

Ten aanzien van de ingediende onjuiste aangiften voor de omzetbelasting heeft persoon 1 verklaard dat zij nooit een aangifte heeft ingediend. medeverdachte en verdachte hebben tegen haar gezegd dat zij iemand hadden die voor “eenmanszaak 1” de aangiften kon indienen. Op verzoek van medeverdachte heeft persoon 1 haar sofinummer aan hem gegeven, zodat hij kon inloggen op de website van de Belastingdienst. Ook de bankafschriften van de zakelijke rekening heeft zij aan medeverdachte en verdachte gegeven. De teruggaven van de Belastingdienst heeft persoon 1 met overschrijvingskaarten overgeboekt naar haar privébankrekening. De gelden heeft zij vervolgens een dag later, in het bijzijn van medeverdachte en verdachte, contant opgenomen. Een gedeelte van de gelden heeft zij moeten afgeven aan medeverdachte en verdachte.

Bij de doorzoeking van de woning van verdachte aan de adres 2 te plaats is op zijn slaapkamer een Cd-rom aangetroffen met een scan van de bankpas met het rekeningnummer rekeningnummer 1 ten name van eenmanszaak 1. In de woning van medeverdachte is aangetroffen een origineel briefje met daarop geheime toegangscodes, behorend bij een zakelijke rekening van persoon 1.

Ten aanzien van de onjuiste ingediende aangiften heeft medeverdachte verklaard dat hij persoonlijke gegevens van persoon 1, onder meer haar sofinummer, aan een persoon genaamd “getuige” heeft gegeven. Deze getuige heeft de aangiften ingediend bij de Belastingdienst. medeverdachte heeft vervolgens van persoon 1 een gedeelte van het geldbedrag ontvangen dat naar aanleiding van de ingediende aangiften door de Belastingdienst op haar bankrekening was gestort.

Persoon 2 (handelend onder de naam “eenmanszaak 2”)

Persoon 2 heeft haar eenmanszaak “eenmanszaak 2” op 3 november 2006 ingeschreven in de Kamer van Koophandel. Op naam van persoon 2 is over de maanden januari 2007 tot en met maart 2007 aangifte voor de omzetbelasting gedaan. De aangifte is op 5 april 2007 bij de Belastingdienst ingediend. Naar aanleiding van de aangifte heeft de Belastingdienst €1.291 op de bankrekening van persoon 2 gestort.

Binnen de eenmanszaak “eenmanszaak 2” hebben nooit bedrijfsactiviteiten plaatsgevonden. Persoon 2 heeft verklaard dat zij het bedrijf in opdracht van een persoon genaamd “naam 4” en een vriend van naam 4 heeft ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Voor de oprichting van de eenmanszaak heeft zij ongeveer 2.500 euro ontvangen. Vervolgens moest zij van deze naam 4 een bankrekening openen en de pinpas en overige bankbescheiden aan hem overleggen. Ook heeft zij een kopie van haar paspoort aan naam 4 gegeven. Persoon 2 kon naam 4 bereiken op het telefoonnummer. persoon 2 heeft verdachte op een foto herkend als zijnde de voornoemde vriend van naam 4. verdachte werd door haar ook wel “de boekhouder” genoemd omdat, zo heeft zij verklaard, “hij alles deed”.

Ten aanzien van de ingediende onjuiste aangifte voor de omzetbelasting heeft persoon 2 verklaard dat naam 4 en verdachte tegen haar hebben gezegd dat zij geldbedragen van de Belastingdienst zouden ontvangen en dat zij een gedeelte van deze bedragen zou krijgen. Zij moest naam 4 of verdachte bellen wanneer zij papieren van de Belastingdienst toegestuurd had gekregen, waarna zij deze papieren kwam ophalen. Het geldbedrag dat naar aanleiding van de onjuiste ingediende aangifte door de Belastingdienst op de bankrekening van persoon 2 is gestort, heeft zij contant opgenomen en gebruikt.

Bij de doorzoeking van de woning van verdachte aan de adres 2 te plaats is een fotokopie van het paspoort en de pinpas van persoon 2 aangetroffen. Ook is aangetroffen een origineel bericht van de bank met daarop de pincode voor de zakelijke rekening van “eenmanszaak 2”. Voorts zijn originele brieven van de Belastingdienst aangetroffen die betrekking hebben op de eenmanszaak. In de contactenlijst van de telefoon van verdachte is de naam “naam 4” met het telefoonnummer aangetroffen.

Nadere overwegingen

Opzet

Uit de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden volgt dat ten name van de eenmanszaken “eenmanszaak 1” en “eenmanszaak 2” onjuiste aangiften voor de omzetbelasting zijn ingediend bij de Belastingdienst. De belastingplichtigen persoon 1 en persoon 2, zoals onder punt 5.2.1. vermeld, hebben immers verklaard dat binnen de eenmanszaken geen bedrijfsactiviteiten hebben plaatsgevonden. Hoewel niet kan worden vastgesteld wie de in de tenlastelegging vermelde onjuiste aangiften van voornoemde eenmanszaken feitelijk heeft ingediend, is aannemelijk dat ook als dit door medeverdachte of een andere persoon (bijvoorbeeld getuige ) is gedaan, dat alleen mogelijk was met behulp van de informatie, inschrijving bij de KvK, codes, bankrekeningnummers etc. zoals die door verdachte en medeverdachte van persoon 1 en persoon 2 verkregen waren. Het handelen van verdachte, zoals hierover door persoon 1 en persoon 2 is verklaard, in combinatie met het telefoonnummer van naam 4 in de contactlijst van verdachte, de aangetroffen bescheiden in de woningen, zoals persoonlijke gegevens van de aangifteplichtige, toegangscodes bij bankrekeningen en de officiële brieven van de Belastingdienst, kan, in onderling verband en samenhang bezien, worden aangemerkt als zo zeer gericht op de onjuistheid van de aangiften en de daarmee samenhangende belastingfraude dat het niet anders kan dat dat hij opzet op het (alleen of tezamen en in vereniging met anderen) doen van de onjuiste aangiften voor de omzetbelasting heeft gehad. verdachte heeft ook overigens geen verklaring willen geven met betrekking tot de in de tenlastelegging vermelde aangiften.

Medeplegen

De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het doen van de onjuiste aangiften. De werkwijze waarbij onderling moest worden afgestemd om alle vereiste gegevens voor de aangiftes te verkrijgen, kenmerkt zich door een bewuste en nauwe samenwerking. Voorafgaand en na afloop van de ingediende aangiften is sprake geweest van een zodanig nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte, zijn mededader(s) en belastingplichtigen, dat is voldaan aan de voorwaarden voor de strafbare vorm van samenwerking die als medeplegen kan worden gekwalificeerd.

verdachte heeft aan anderen gevraagd om eenmanszaken bij de Kamer van Koophandel in te schrijven. Binnen deze ondernemingen hebben geen bedrijfsactiviteiten plaatsgevonden. In het kader van de verplichte aangiften voor de omzetbelasting heeft verdachte vervolgens de persoonsgegevens van de belastingplichtigen, te weten de natuurlijke personen van de eenmanszaken, in ontvangst genomen. Daarna zijn deze gegevens door een derde verwerkt in een aangiftebiljet en ingediend bij de Belastingdienst. verdachte kwam vervolgens weer in actie nadat de Belastingdienst de teruggaven had uitgekeerd. Hij ging dan op pad om een gedeelte van de ontvangen gelden te incasseren. De werkwijze waarbij onderling moest worden afgestemd om alle vereiste gegevens voor de aangiften te verkrijgen, kenmerkt zich door een bewuste en nauwe samenwerking. verdachte heeft daarbij in het samenwerkingsverband een essentiële rol gespeeld. Zonder zijn bijdrage zouden de frauduleuze handelingen die hebben plaatsgevonden, immers niet mogelijk zijn geweest. Immers, het ter beschikking stellen en verkrijgen van die persoonsgegevens vormt een wezenlijk onderdeel van het ten laste gelegde fraudepatroon, nu zonder die gegevens de onterechte aangiften niet zouden kunnen worden ingediend en de beoogde bevoordeling niet kon worden bewerkstelligd. verdachte opzet was zowel gericht op het onjuist doen van aangiften, als op het medeplegen daarvan. De rol van verdachte laat zich dan ook niet als enkel medeplichtigheid kwalificeren.

Partiële vrijspraak

In het dossier bevinden zich onvoldoende aanknopingspunten om te kunnen vaststellen dat verdachte betrokken is geweest bij alle andere dan hierboven onder rubriek 5.2.1. vermelde onjuiste aangiften voor de omzetbelasting die bij de Belastingwet zijn ingediend. Gelet daarop wordt verdachte daarvan vrijgesproken.

Feit 2

Verdachte heeft in de periode van 26 juli 2005 tot en met 9 november 2006 aangiften voor de inkomstenbelasting over de jaren 2003, 2004 en 2005 bij de Belastingdienst ingediend. De aangifte over het jaar 2003 heeft de Belastingdienst ontvangen op 26 juli 2005.

Op de aangifte over het jaar 2003 is een bruto inkomen van €23.387 aangegeven, ontvangen uit werkzaamheden bij het uitzendbureau “Adecco”, waarop €5.271 loonheffing is ingehouden. Uit het Belastingdienstsysteem waarin de loongegevens zijn opgenomen blijkt dat verdachte in voornoemd jaar een WAO/AWW-uitkering heeft ontvangen van €11.428, waarop €2.005 loonheffing is ingehouden. Deze uitkering staat niet vermeld op de ingediende aangifte en looninkomsten bij het uitzendbureau “Adecco” zijn bij de Belastingdienst niet bekend.

Op de aangifte over het jaar 2004 is een bruto inkomen van €23.546 aangegeven, ontvangen uit werkzaamheden bij het uitzendbureau “Randstad”, waarop €7.135 loonheffing is ingehouden. Uit het Belastingdienstsysteem waarin de loongegevens zijn opgenomen blijkt dat verdachte in voornoemd jaar een WAO/AWW-uitkering heeft ontvangen van €11.512, waarop €2.015 loonheffing is ingehouden. Deze uitkering staat niet vermeld op de ingediende aangifte en looninkomsten bij het uitzendbureau “Randstad” zijn bij de Belastingdienst niet bekend.

Op de aangifte over het jaar 2005 is een bruto inkomen van €21.136 en €7.462 aangegeven, ontvangen uit werkzaamheden bij “Randstad Nederland B.V.” en het uitzendbureau “Adecco”, waarop €5.295 en €3.548 loonheffing is ingehouden. Uit het Belastingdienstsysteem waarin de loongegevens zijn opgenomen blijkt dat verdachte in voornoemd jaar een WAO/AWW-uitkering heeft ontvangen van €11.514, waarop €2.045 loonheffing is ingehouden. Deze uitkering staat niet vermeld op de ingediende aangifte en looninkomsten bij het uitzendbureau “Adecco” zijn bij de Belastingdienst niet bekend.

De Belastingdienst heeft naar aanleiding van de aangiften voor de inkomstenbelasting een totaalbedrag van €14.707 uitbetaald. De teruggaven van de aangiften voor de inkomstenbelasting over de jaren 2003 en 2005 zijn gestort op het rekeningnummer 2 ten name van persoon 3. De teruggaaf van de aangifte voor de inkomstenbelasting over het jaar 2004 is uitbetaald op de bankrekening van verdachte.

Nadere overwegingen

Verdachte

De rechtbank acht – met de officier van justitie en de verdediging – bewezen dat verdachte telkens opzettelijk onjuist een onvolledig aangifte inkomstenbelasting heeft gedaan door onjuiste bedragen aan looninkomsten en loonheffing te vermelden op zijn aangiften voor de inkomstenbelasting. Hierdoor is een te laag bedrag aan verschuldigde inkomstenbelasting aangegeven.

Partiële vrijspraak

verdachte wordt vrijgesproken van alle andere aangiften voor de inkomstenbelasting dan hierboven onder rubriek 5.3.1 vermeld.

De rechtbank stelt voorop dat de wettelijke aangifteplicht bedoeld in artikel 69 lid 2 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen rust op degene aan wie het betreffende aangiftebiljet is uitgereikt en niet ook op degene die namens de adressaat de aangifte feitelijk heeft gedaan. Gelet daarop zal overtreding van artikel 69, lid 2 Awr alleen kunnen worden begaan door de aangifteplichtige en niet door degene die voor de aangifteplichtige uitvoering geeft aan het doen van aangifte.

verdachte zou strafbaar zijn, indien hij tezamen en in verenging met de belastingplichtigen onjuiste aangiften heeft gedaan. Dit is echter niet gebleken. De belastingplichtigen zijn door de FIOD als getuigen gehoord. Zij hebben allen verklaard dat zij niet op de hoogte waren van de op hun naam ingediende aangiften voor de inkomstenbelasting bij de Belastingdienst. Uit het dossier is verder ook niet gebleken van enige betrokkenheid van deze belastingplichtigen bij de ingediende onjuiste aangiften. Verder hebben zij verklaard, ook nadat door verbalisanten een foto van verdachte is getoond, hem niet te (her)kennen. Dat betekent dat niet bewezen kan worden dat de belastingplichtigen opzet hadden op het doen van onjuiste aangifte (vlg. HR 6 december 2005, ECLI:NL:2005:AU2246). Van medeplegen is dus geen sprake. Nu verdachte niet als (mede)dader van de tenlastegelegde overtreding van artikel 69, lid 2 Awr kan worden aangemerkt, dient hij daarvan te worden vrijgesproken.

Conclusie

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte tezamen en in vereniging met een ander(en) of alleen, onjuiste aangiften bij de Belastingdienst heeft ingediend. Deze onjuiste belastingaangiften hebben ertoe gestrekt dat te weinig belasting werd geheven in de zin van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

Door de Belastingdienst is berekend dat zij een fiscaal nadeel heeft geleden van €58.878.

Bewezenverklaring 

  • Feit 1: medeplegen van het opzettelijk een bij de belastingdienst voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd
  • Feit 2: het opzettelijk een bij de belastingdienst voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd

Strafoplegging

Taakstraf van 100 uur.

Het bewezenverklaarde levert benadelingsbedrag op van 60.000 euro. Volgens de LOVS oriëntatiepunten fraude is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in beginsel op zijn plaats. Wegens de forse overschrijding van de redelijke termijn met 5 jaar is dit echter niet meer opportuun en zal worden volstaan met een taakstraf. Dat deze taakstraf lager is dan geëist hangt samen met de gedeeltelijke vrijspraak.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly and PDF ^

Conclusie A-G in Italmoda BTW carrouselfraude-zaak

Parket bij de Hoge Raad 1 februari 2016, ECLI:NL:PHR:2016:28 Belanghebbende, een vennootschap onder firma, heeft in Nederland en in Duitsland van andere ondernemers goederen (computeronderdelen) aangekocht en deze doorverkocht aan afnemers in Italië. Belanghebbende noch de afnemers van de goederen hebben in Italië aangifte gedaan voor intracommunautaire verwervingen. De Italiaanse belastingdienst heeft btw in verband met de intracommunautaire verwervingen van de Italiaanse afnemers nageheven en aftrek daarvan geweigerd, aangezien sprake was van fraude. De firmanten van belanghebbende zijn in Italië strafrechtelijk vervolgd voor btw-fraude.

In HR BNB 2013/96 heeft de Hoge Raad prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ) inzake (het weigeren van) de aftrek van voorbelasting, de toepassing van het nultarief dan wel de teruggaaf van btw in verband met de nummerverwervingen bij intracommunautaire btw-fraude. In het arrest Schoenimport ‘Italmoda’ Mariano Previti (hierna: Italmoda) heeft het HvJ deze prejudiciële vragen beantwoord. Hof Amsterdam oordeelde (anders dan rechtbank Haarlem) eerder dat het niet gerechtvaardigd is af te wijken van de normale regeling van btw-heffing, onder meer omdat de verschuldigde btw in Italië is nageven en de fraude ook enkel in Italië heeft plaatsgevonden. Het Hof liet in het midden wat belanghebbendes betrokkenheid bij de fraude was.

Het HvJ is duidelijk een andere mening toegedaan. Het HvJ oordeelt dat de Zesde richtlijn zo moet worden uitgelegd dat het aan de nationale autoriteiten en rechterlijke instanties ‘staat’ een belastingplichtige die fraudeerde dan wel wist of had moeten weten dat hij met zijn handelingen deelnam aan btw-fraude ‘in het kader van een keten van leveringen’, het nultarief, de aftrek van voorbelasting of de teruggaaf van btw in verband met de nummerverwervingen te weigeren. Dat geldt ook, aldus het HvJ, indien de nationale wet niet voorziet in bepalingen van die strekking. Daarbij is niet van belang dat de fraude louter in Italië heeft plaatsgevonden.

A-G Ettema start haar conclusie met een beschrijving van de wijze waarop de in geding zijnde btw-fraude plaatsvindt. Een intracommunautaire levering waarop het nultarief wordt toegepast is daarbij een essentieel onderdeel.

Voorts gaat de A-G in op de reikwijdte van de Zesde richtlijn (en de Btw-richtlijn) en op de vraag hoe het arrest Italmoda zicht verhoudt tot de vaste leer dat een richtlijn niet rechtstreeks ten nadele van de justitiabele kan werken. Zij komt tot de conclusie dat het HvJ ‘goede trouw’ ziet als voorwaarde voor de toepassing van het recht op aftrek, het nultarief en de teruggaaf in verband met de nummerverwervingen.

De A-G vervolgt haar conclusie met een uiteenzetting van de reeds gewezen arresten van de Hoge Raad en het HvJ op het gebied van fraude en constateert wat betreft de laatstbedoelde jurisprudentie een ogenschijnlijke verschuiving van de consequenties die het HvJ verbindt aan fraude. In onder meer de arresten FIRIN en Kittel oordeelde het HvJ nog dat in geval van fraude niet is voldaan aan de voorwaarden van een economische activiteit en dat om die reden het recht op aftrek moet worden geweigerd. Het HvJ oordeelt in Italmoda dat als gevolg van fraude niet wordt voldaan aan de voorwaarden voor het recht op aftrek, de toepassing van het nultarief en de teruggaaf. De A-G noemt als mogelijke reden voor deze omslag dat er fraude-situaties denkbaar zijn, waarbij btw-opbrengsten worden misgelopen, niet omdat aftrek wordt geclaimd maar omdat het nultarief wordt toegepast. Als in dergelijke situaties wordt geoordeeld dat geen sprake is van een economische activiteit, kan in die schakel geen btw worden nageheven. Dat acht het HvJ kennelijk onwenselijk. Het weigeren van het nultarief leidt in zo’n situatie wel tot heffing.

Een ander belangrijk punt uit de jurisprudentie van het HvJ dat de A-G aanstipt is dat bij fraude – in tegenstelling tot misbruik van recht – per handeling moet worden beoordeeld of de betrokken ondernemer weet had of had moeten hebben van fraude. A-G Ettema merkt op dat de cumulatie van belastingheffing die als gevolg hiervan kan optreden, het HvJ niet lijkt te deren. Zij acht een dubbele weigering van de onderhavige rechten per handeling van de belastingplichtige, waarvoor belanghebbende vreest, echter niet toegestaan.

Als laatste gaat de A-G in op de vraag of het weigeren van het recht op aftrek, het nultarief en de teruggaaf in verband met de nummerverwervingen kan worden beschouwd als een strafrechtelijke sanctie in de zin van artikel 49 van het Handvest en artikel 7 van het EVRM en op de vraag of het HvJ bevoegd is hierover een oordeel te vellen. De A-G leidt uit Italmoda af dat het enkelvoudig weigeren van een van genoemde rechten geen strafrechtelijke sanctie is en dat voor deze maatregel dus geen basis in de nationale wet is vereist. Voorts concludeert A-G Ettema dat uit vaste rechtspraak van het HvJ volgt dat het HvJ zich wel degelijk bevoegd acht te oordelen over de toepassing van grondrechten in situaties waarop het Unierecht ziet.

A-G Ettema sluit af met de conclusie dat het middel van de staatssecretaris van Financiën (kort samengevat inhoudende dat het Hof aan de jurisprudentie van het HvJ een te beperkte werking heeft toegekend) is gegrond en dat verwijzing moet volgen om te onderzoeken of belanghebbende wist of had moeten weten dat zij met de handelingen waarvoor zij aanspraak heeft gemaakt op het recht op aftrek, het nultarief en de teruggaaf, heeft deelgenomen aan btw-fraude in het kader van een keten van leveringen.

Lees hier de volledige conclusie.

 

Print Friendly and PDF ^

'Bom onder inkeerregeling onschadelijk gemaakt'

De inkeerregeling blijft de gemoederen bezig houden. Is het geen groepsaanvraag voor (voormalig) rekeninghouders bij de Zwitserse UBS-Bank, dan is het wel het debit- en creditcardproject. Het aanpakken van zwartspaarders lijkt inmiddels wel een ‘prosecutors darling'. Is er een grens en zo ja, waar ligt die? Lees verder:

 

Print Friendly and PDF ^