Veroordeling wegens fiscale Fraude

Rechtbank Amsterdam 3 februari 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:796 Verdachte en zijn mededader(s) hebben zich gedurende een periode van ruim twee jaar schuldig gemaakt aan belastingfraude. Verdachte heeft met inschakeling van twee zogenaamde katvangers twee fictieve eenmanszaken opgericht en namens die fictieve ondernemingen telkens opzettelijk onjuiste aangiften voor de omzetbelasting ingediend. Ook heeft verdachte in zijn eigen aangiften voor de inkomstenbelasting onjuiste looninkomsten en te hoge loonheffing opgenomen. 

Voorvragen

Het standpunt van de verdediging

Het openbaar ministerie dient niet-ontvankelijk te worden verklaard, nu de redelijke termijn is overschreden terwijl hiervoor geen rechtvaardiging is. De mogelijkheden tot het voeren van een adequate verdediging zijn hierdoor aanzienlijk verminderd. Zo heeft de verdediging het verzoek gedaan tot het horen van getuige maar deze getuige is thans onvindbaar. Gelet op het belang van de verdediging bij het horen van voornoemde getuige en de mogelijkheid van het openbaar ministerie om deze getuige in een eerder stadium van de vervolging te horen, is sprake van een ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan zijn recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan.

Het standpunt van het openbaar ministerie

De overschrijding van de redelijke termijn dient te worden gecompenseerd in de strafmaat.

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte is op 18 augustus 2009 door de FIOD verhoord. Nu niet is gebleken dat vanwege de Nederlandse Staat jegens verdachte eerder een handeling is verricht waaraan hij in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem in deze zaak door het openbaar ministerie een strafvervolging zou worden ingesteld, zal de rechtbank deze datum als aanvangsdatum nemen.

Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van de verdachte en zijn raadsvrouw op het procesverloop, en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.

De rechtbank stelt vast dat de behandeling van de zaak niet binnen twee jaren nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen is afgerond. Het overzichtsproces-verbaal is afgesloten op 21 december 2009. In de jaren die volgden, heeft het onderzoek stilgelegen. Eerst op 4 juli 2015 heeft in deze zaak en de zaak tegen de medeverdachte een zogenoemde regiezitting plaatsgevonden. Tijdens deze zitting zijn door verdachte en de medeverdachte nog onderzoekswensen ingediend, te weten het verzoek tot het horen van getuige bij de rechter-commissaris. Vervolgens heeft op 20 januari 2016 de inhoudelijke behandeling van de zaken plaatsgevonden. Het onderhavige eindvonnis is op 3 februari 2016 gewezen.

Verdachte heeft, door het verzoek tot het horen van een getuige bij de rechter-commissaris, invloed uitgeoefend op het procesverloop in deze zaak. Zelfs als rekening wordt gehouden met deze omstandigheid, is echter sprake van een overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank stelt deze overschrijding vast op bijna vijf jaar.

Overschrijding van de redelijke termijn leidt niet tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de strafvervolging, ook niet in uitzonderlijke gevallen. Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden. Er is niet gebleken van zodanige omstandigheden dat in deze zaak van bovenbedoeld vaste jurisprudentie van de Hoge Raad moet worden afgeweken. Ondanks dat het openbaar ministerie de mogelijkheid heeft gehad in een eerder stadium van de vervolging getuige te horen, maakt deze omstandigheid niet dat sprake is van een ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan zijn recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan. Dit betekent dat het ontvankelijkheidsverweer wordt verworpen.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft de bewezenverklaring gevorderd van de aan verdachte ten laste gelegde feiten. De officier van justitie baseert haar standpunt op de in het dossier aanwezige processen-verbaal van verhoor van medeverdachte, processen-verbaal van verhoor van getuigen en de schriftelijk bescheiden die in de woningen van verdachte en medeverdachte zijn aangetroffen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft overeenkomstig de door haar overgelegde pleitaantekeningen vrijspraak bepleit ten aanzien van medeplegen van het opzettelijk indienen van onjuiste belastingaangiften, met uitzondering van de in de tenlastelegging opgenomen aangiften voor de inkomstenbelasting op naam van verdachte. De raadsvrouw heeft – kort gezegd – daartoe aangevoerd dat de rol van verdachte van onvoldoende gewicht is om hem als medepleger aan te merken, zodat verdachte dient te worden vrijgesproken. Ten aanzien van de aangiften ten name van naam 1 en ten name van naam 2 is onvoldoende bewijs voorhanden dat verdachte hierbij betrokken is geweest, aldus de raadsvrouw.

Het oordeel van de rechtbank

Door de FIOD is in januari 2007 onder de naam “persoon 1” een strafrechtelijk onderzoek gestart naar onjuiste aangiften voor de omzetbelasting over de maanden januari tot en met september 2006, die op naam van de eenmanszaak “eenmanszaak 1” bij de Belastingdienst zijn ingediend. Persoon 1, de eigenaresse van “eenmanszaak 1”, heeft bij de politie verklaard dat verdachte en medeverdachte betrokken zijn geweest bij het indienen van voornoemde aangiften.

De woningen van verdachte en medeverdachte zijn vervolgens door de FIOD doorzocht, waarbij diverse administratieve bescheiden en gegevens van derden zijn aangetroffen. Nader onderzoek heeft uitgewezen dat voornoemde stukken betrekking hebben op onjuiste aangiften voor de omzetbelasting die in de periode van 10 mei 2006 tot en met 4 mei 2007 ten name van verschillende eenmanszaken bij de Belastingdienst zijn ingediend. Deze onjuistheid hield in dat deze bedrijven – anders dan in genoemde aangiften vermeld- geen goederen en diensten hebben afgenomen van leveranciers en dus geen omzetbelasting aan leveranciers hebben betaald.

Ook zijn in de woning van verdachte administratieve bescheiden aangetroffen die betrekking hebben op in de periode van 26 juli 2005 tot en met 14 januari 2007 ingediende onjuiste aangiften voor de inkomstenbelasting. De in de aangiften aangegeven looninkomsten en loonheffing komen op deze aangiften niet overeen met de gegevens die hiervan bij de Belastingdienst bekend waren.

Niet in geschil is dat de in de tenlastelegging opgenomen aangiften onjuist zijn. Het resultaat is dat voornoemde belastingaangiften sloten op onjuiste terug te vragen bedragen, met het doel om de Belastingdienst te bewegen tot het ten onrechte uitkeren van belastinggeld.

Mede naar aanleiding van de door de officier van justitie en de raadsvrouw ter terechtzitting ingenomen standpunten, ziet de rechtbank zich voor de volgende vragen gesteld:

  • Had verdachte een rol bij het indienen van de onjuiste aangiften voor de omzetbelasting, en zo ja, welke?
  • Had verdachte een rol bij het indienen van de onjuiste aangiften voor de loonbelasting, en zo ja welke?

Feit 1

De rechtbank gaat bij de beoordeling van de bewezenverklaring van feit 1 uit van de in de tenlastelegging genoemde aangiften voor de omzetbelasting. De aangiften zijn ingediend ten name van natuurlijke personen, handelend onder de naam van verschillende eenmanszaken. Deze personen met hun eenmanszaken zullen afzonderlijk worden besproken.

Persoon 1 (handelend onder de naam “eenmanszaak 1”)

Persoon 1 heeft haar eenmanszaak “eenmanszaak 1” in 2006 ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Op naam van persoon 1 zijn over de maanden januari 2006 tot en met september 2006 bij de Belastingdienst aangiften voor de omzetbelasting gedaan. Het aangiftebiljet over de maanden januari tot en met april 2006 heeft de Belastingdienst ontvangen op 10 mei 2006. Naar aanleiding van de aangiften heeft de Belastingdienst een totaalbedrag van €18.697 op het rekeningnummer 1 ten name van eenmanszaak 1 gestort.

Binnen de eenmanszaak “eenmanszaak 1” hebben nooit bedrijfsactiviteiten plaatsgevonden. Persoon 1 heeft verklaard dat zij samen met, onder meer, verdachte en medeverdachte, de eenmanszaak heeft ingeschreven in de Kamer van Koophandel. Op verzoek van verdachte en medeverdachte heeft zij vervolgens het inschrijvingsbewijs aan hen gegeven. Daarna heeft persoon 1 in opdracht van verdachte en medeverdachte een zakelijke rekening geopend bij de Postbank, waarna zij de bankpas en pincode van deze bankrekening aan medeverdachte moest afgeven. Verdachte was hierbij aanwezig.

Ten aanzien van de ingediende onjuiste aangiften voor de omzetbelasting heeft persoon 1 verklaard dat zij nooit een aangifte heeft ingediend. medeverdachte en verdachte hebben tegen haar gezegd dat zij iemand hadden die voor “eenmanszaak 1” de aangiften kon indienen. Op verzoek van medeverdachte heeft persoon 1 haar sofinummer aan hem gegeven, zodat hij kon inloggen op de website van de Belastingdienst. Ook de bankafschriften van de zakelijke rekening heeft zij aan medeverdachte en verdachte gegeven. De teruggaven van de Belastingdienst heeft persoon 1 met overschrijvingskaarten overgeboekt naar haar privébankrekening. De gelden heeft zij vervolgens een dag later, in het bijzijn van medeverdachte en verdachte, contant opgenomen. Een gedeelte van de gelden heeft zij moeten afgeven aan medeverdachte en verdachte.

Bij de doorzoeking van de woning van verdachte aan de adres 2 te plaats is op zijn slaapkamer een Cd-rom aangetroffen met een scan van de bankpas met het rekeningnummer rekeningnummer 1 ten name van eenmanszaak 1. In de woning van medeverdachte is aangetroffen een origineel briefje met daarop geheime toegangscodes, behorend bij een zakelijke rekening van persoon 1.

Ten aanzien van de onjuiste ingediende aangiften heeft medeverdachte verklaard dat hij persoonlijke gegevens van persoon 1, onder meer haar sofinummer, aan een persoon genaamd “getuige” heeft gegeven. Deze getuige heeft de aangiften ingediend bij de Belastingdienst. medeverdachte heeft vervolgens van persoon 1 een gedeelte van het geldbedrag ontvangen dat naar aanleiding van de ingediende aangiften door de Belastingdienst op haar bankrekening was gestort.

Persoon 2 (handelend onder de naam “eenmanszaak 2”)

Persoon 2 heeft haar eenmanszaak “eenmanszaak 2” op 3 november 2006 ingeschreven in de Kamer van Koophandel. Op naam van persoon 2 is over de maanden januari 2007 tot en met maart 2007 aangifte voor de omzetbelasting gedaan. De aangifte is op 5 april 2007 bij de Belastingdienst ingediend. Naar aanleiding van de aangifte heeft de Belastingdienst €1.291 op de bankrekening van persoon 2 gestort.

Binnen de eenmanszaak “eenmanszaak 2” hebben nooit bedrijfsactiviteiten plaatsgevonden. Persoon 2 heeft verklaard dat zij het bedrijf in opdracht van een persoon genaamd “naam 4” en een vriend van naam 4 heeft ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Voor de oprichting van de eenmanszaak heeft zij ongeveer 2.500 euro ontvangen. Vervolgens moest zij van deze naam 4 een bankrekening openen en de pinpas en overige bankbescheiden aan hem overleggen. Ook heeft zij een kopie van haar paspoort aan naam 4 gegeven. Persoon 2 kon naam 4 bereiken op het telefoonnummer. persoon 2 heeft verdachte op een foto herkend als zijnde de voornoemde vriend van naam 4. verdachte werd door haar ook wel “de boekhouder” genoemd omdat, zo heeft zij verklaard, “hij alles deed”.

Ten aanzien van de ingediende onjuiste aangifte voor de omzetbelasting heeft persoon 2 verklaard dat naam 4 en verdachte tegen haar hebben gezegd dat zij geldbedragen van de Belastingdienst zouden ontvangen en dat zij een gedeelte van deze bedragen zou krijgen. Zij moest naam 4 of verdachte bellen wanneer zij papieren van de Belastingdienst toegestuurd had gekregen, waarna zij deze papieren kwam ophalen. Het geldbedrag dat naar aanleiding van de onjuiste ingediende aangifte door de Belastingdienst op de bankrekening van persoon 2 is gestort, heeft zij contant opgenomen en gebruikt.

Bij de doorzoeking van de woning van verdachte aan de adres 2 te plaats is een fotokopie van het paspoort en de pinpas van persoon 2 aangetroffen. Ook is aangetroffen een origineel bericht van de bank met daarop de pincode voor de zakelijke rekening van “eenmanszaak 2”. Voorts zijn originele brieven van de Belastingdienst aangetroffen die betrekking hebben op de eenmanszaak. In de contactenlijst van de telefoon van verdachte is de naam “naam 4” met het telefoonnummer aangetroffen.

Nadere overwegingen

Opzet

Uit de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden volgt dat ten name van de eenmanszaken “eenmanszaak 1” en “eenmanszaak 2” onjuiste aangiften voor de omzetbelasting zijn ingediend bij de Belastingdienst. De belastingplichtigen persoon 1 en persoon 2, zoals onder punt 5.2.1. vermeld, hebben immers verklaard dat binnen de eenmanszaken geen bedrijfsactiviteiten hebben plaatsgevonden. Hoewel niet kan worden vastgesteld wie de in de tenlastelegging vermelde onjuiste aangiften van voornoemde eenmanszaken feitelijk heeft ingediend, is aannemelijk dat ook als dit door medeverdachte of een andere persoon (bijvoorbeeld getuige ) is gedaan, dat alleen mogelijk was met behulp van de informatie, inschrijving bij de KvK, codes, bankrekeningnummers etc. zoals die door verdachte en medeverdachte van persoon 1 en persoon 2 verkregen waren. Het handelen van verdachte, zoals hierover door persoon 1 en persoon 2 is verklaard, in combinatie met het telefoonnummer van naam 4 in de contactlijst van verdachte, de aangetroffen bescheiden in de woningen, zoals persoonlijke gegevens van de aangifteplichtige, toegangscodes bij bankrekeningen en de officiële brieven van de Belastingdienst, kan, in onderling verband en samenhang bezien, worden aangemerkt als zo zeer gericht op de onjuistheid van de aangiften en de daarmee samenhangende belastingfraude dat het niet anders kan dat dat hij opzet op het (alleen of tezamen en in vereniging met anderen) doen van de onjuiste aangiften voor de omzetbelasting heeft gehad. verdachte heeft ook overigens geen verklaring willen geven met betrekking tot de in de tenlastelegging vermelde aangiften.

Medeplegen

De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het doen van de onjuiste aangiften. De werkwijze waarbij onderling moest worden afgestemd om alle vereiste gegevens voor de aangiftes te verkrijgen, kenmerkt zich door een bewuste en nauwe samenwerking. Voorafgaand en na afloop van de ingediende aangiften is sprake geweest van een zodanig nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte, zijn mededader(s) en belastingplichtigen, dat is voldaan aan de voorwaarden voor de strafbare vorm van samenwerking die als medeplegen kan worden gekwalificeerd.

verdachte heeft aan anderen gevraagd om eenmanszaken bij de Kamer van Koophandel in te schrijven. Binnen deze ondernemingen hebben geen bedrijfsactiviteiten plaatsgevonden. In het kader van de verplichte aangiften voor de omzetbelasting heeft verdachte vervolgens de persoonsgegevens van de belastingplichtigen, te weten de natuurlijke personen van de eenmanszaken, in ontvangst genomen. Daarna zijn deze gegevens door een derde verwerkt in een aangiftebiljet en ingediend bij de Belastingdienst. verdachte kwam vervolgens weer in actie nadat de Belastingdienst de teruggaven had uitgekeerd. Hij ging dan op pad om een gedeelte van de ontvangen gelden te incasseren. De werkwijze waarbij onderling moest worden afgestemd om alle vereiste gegevens voor de aangiften te verkrijgen, kenmerkt zich door een bewuste en nauwe samenwerking. verdachte heeft daarbij in het samenwerkingsverband een essentiële rol gespeeld. Zonder zijn bijdrage zouden de frauduleuze handelingen die hebben plaatsgevonden, immers niet mogelijk zijn geweest. Immers, het ter beschikking stellen en verkrijgen van die persoonsgegevens vormt een wezenlijk onderdeel van het ten laste gelegde fraudepatroon, nu zonder die gegevens de onterechte aangiften niet zouden kunnen worden ingediend en de beoogde bevoordeling niet kon worden bewerkstelligd. verdachte opzet was zowel gericht op het onjuist doen van aangiften, als op het medeplegen daarvan. De rol van verdachte laat zich dan ook niet als enkel medeplichtigheid kwalificeren.

Partiële vrijspraak

In het dossier bevinden zich onvoldoende aanknopingspunten om te kunnen vaststellen dat verdachte betrokken is geweest bij alle andere dan hierboven onder rubriek 5.2.1. vermelde onjuiste aangiften voor de omzetbelasting die bij de Belastingwet zijn ingediend. Gelet daarop wordt verdachte daarvan vrijgesproken.

Feit 2

Verdachte heeft in de periode van 26 juli 2005 tot en met 9 november 2006 aangiften voor de inkomstenbelasting over de jaren 2003, 2004 en 2005 bij de Belastingdienst ingediend. De aangifte over het jaar 2003 heeft de Belastingdienst ontvangen op 26 juli 2005.

Op de aangifte over het jaar 2003 is een bruto inkomen van €23.387 aangegeven, ontvangen uit werkzaamheden bij het uitzendbureau “Adecco”, waarop €5.271 loonheffing is ingehouden. Uit het Belastingdienstsysteem waarin de loongegevens zijn opgenomen blijkt dat verdachte in voornoemd jaar een WAO/AWW-uitkering heeft ontvangen van €11.428, waarop €2.005 loonheffing is ingehouden. Deze uitkering staat niet vermeld op de ingediende aangifte en looninkomsten bij het uitzendbureau “Adecco” zijn bij de Belastingdienst niet bekend.

Op de aangifte over het jaar 2004 is een bruto inkomen van €23.546 aangegeven, ontvangen uit werkzaamheden bij het uitzendbureau “Randstad”, waarop €7.135 loonheffing is ingehouden. Uit het Belastingdienstsysteem waarin de loongegevens zijn opgenomen blijkt dat verdachte in voornoemd jaar een WAO/AWW-uitkering heeft ontvangen van €11.512, waarop €2.015 loonheffing is ingehouden. Deze uitkering staat niet vermeld op de ingediende aangifte en looninkomsten bij het uitzendbureau “Randstad” zijn bij de Belastingdienst niet bekend.

Op de aangifte over het jaar 2005 is een bruto inkomen van €21.136 en €7.462 aangegeven, ontvangen uit werkzaamheden bij “Randstad Nederland B.V.” en het uitzendbureau “Adecco”, waarop €5.295 en €3.548 loonheffing is ingehouden. Uit het Belastingdienstsysteem waarin de loongegevens zijn opgenomen blijkt dat verdachte in voornoemd jaar een WAO/AWW-uitkering heeft ontvangen van €11.514, waarop €2.045 loonheffing is ingehouden. Deze uitkering staat niet vermeld op de ingediende aangifte en looninkomsten bij het uitzendbureau “Adecco” zijn bij de Belastingdienst niet bekend.

De Belastingdienst heeft naar aanleiding van de aangiften voor de inkomstenbelasting een totaalbedrag van €14.707 uitbetaald. De teruggaven van de aangiften voor de inkomstenbelasting over de jaren 2003 en 2005 zijn gestort op het rekeningnummer 2 ten name van persoon 3. De teruggaaf van de aangifte voor de inkomstenbelasting over het jaar 2004 is uitbetaald op de bankrekening van verdachte.

Nadere overwegingen

Verdachte

De rechtbank acht – met de officier van justitie en de verdediging – bewezen dat verdachte telkens opzettelijk onjuist een onvolledig aangifte inkomstenbelasting heeft gedaan door onjuiste bedragen aan looninkomsten en loonheffing te vermelden op zijn aangiften voor de inkomstenbelasting. Hierdoor is een te laag bedrag aan verschuldigde inkomstenbelasting aangegeven.

Partiële vrijspraak

verdachte wordt vrijgesproken van alle andere aangiften voor de inkomstenbelasting dan hierboven onder rubriek 5.3.1 vermeld.

De rechtbank stelt voorop dat de wettelijke aangifteplicht bedoeld in artikel 69 lid 2 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen rust op degene aan wie het betreffende aangiftebiljet is uitgereikt en niet ook op degene die namens de adressaat de aangifte feitelijk heeft gedaan. Gelet daarop zal overtreding van artikel 69, lid 2 Awr alleen kunnen worden begaan door de aangifteplichtige en niet door degene die voor de aangifteplichtige uitvoering geeft aan het doen van aangifte.

verdachte zou strafbaar zijn, indien hij tezamen en in verenging met de belastingplichtigen onjuiste aangiften heeft gedaan. Dit is echter niet gebleken. De belastingplichtigen zijn door de FIOD als getuigen gehoord. Zij hebben allen verklaard dat zij niet op de hoogte waren van de op hun naam ingediende aangiften voor de inkomstenbelasting bij de Belastingdienst. Uit het dossier is verder ook niet gebleken van enige betrokkenheid van deze belastingplichtigen bij de ingediende onjuiste aangiften. Verder hebben zij verklaard, ook nadat door verbalisanten een foto van verdachte is getoond, hem niet te (her)kennen. Dat betekent dat niet bewezen kan worden dat de belastingplichtigen opzet hadden op het doen van onjuiste aangifte (vlg. HR 6 december 2005, ECLI:NL:2005:AU2246). Van medeplegen is dus geen sprake. Nu verdachte niet als (mede)dader van de tenlastegelegde overtreding van artikel 69, lid 2 Awr kan worden aangemerkt, dient hij daarvan te worden vrijgesproken.

Conclusie

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte tezamen en in vereniging met een ander(en) of alleen, onjuiste aangiften bij de Belastingdienst heeft ingediend. Deze onjuiste belastingaangiften hebben ertoe gestrekt dat te weinig belasting werd geheven in de zin van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

Door de Belastingdienst is berekend dat zij een fiscaal nadeel heeft geleden van €58.878.

Bewezenverklaring 

  • Feit 1: medeplegen van het opzettelijk een bij de belastingdienst voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd
  • Feit 2: het opzettelijk een bij de belastingdienst voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd

Strafoplegging

Taakstraf van 100 uur.

Het bewezenverklaarde levert benadelingsbedrag op van 60.000 euro. Volgens de LOVS oriëntatiepunten fraude is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in beginsel op zijn plaats. Wegens de forse overschrijding van de redelijke termijn met 5 jaar is dit echter niet meer opportuun en zal worden volstaan met een taakstraf. Dat deze taakstraf lager is dan geëist hangt samen met de gedeeltelijke vrijspraak.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly and PDF