Veroordeling wegens meerdere jaren doen van opzettelijk onjuiste aangiften omzetbelasting

Rechtbank Overijssel 8 februari 2016, ECLI:NL:RBOVE:2016:420 Verdachte heeft gedurende meerdere jaren opzettelijk onjuiste aangiften gedaan voor de omzetbelasting zonder deze aangiften op een later moment te corrigeren middels een suppletieaangifte met als gevolg dat te weinig omzetbelasting is afgedragen.

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, en een taakstraf van 120 uren.

Verdenking

De verdenking komt er op neer dat verdachte als feitelijk leidinggever van de in de tenlastelegging genoemde vennootschappen:

  • feit 1: in de periode van 29 april 2009 tot en met 8 januari 2014 opzettelijk onjuiste aangiften omzetbelasting heeft gedaan;
  • feit 2: in de periode van 1 januari 2009 tot en met 27 november 2014, dan wel in de periode van 1 januari 2012 tot en met 27 november 2014, meermalen opzettelijk geen suppletie voor de omzetbelasting heeft gedaan.

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat op basis van betrouwbare getuigenverklaringen wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan. Ten aanzien van het gevoerde verweer dat er bij verdachte geen sprake is geweest van opzet heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld, dat er in ieder geval sprake was van voorwaardelijk opzet.

De verdediging heeft zich, kort weergegeven, op het standpunt gesteld dat de getuigen ook allemaal hun eigen belang hadden toen zijn hun verklaringen hebben afgelegd en dat de afgelegde verklaringen om die reden niet erg betrouwbaar kunnen zijn. Verder heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte geen opzet heeft gehad om onjuiste aangiften in te dienen. Verdachte heeft volgens de verdediging juist alles in het werk gesteld om een correcte administratie te voeren. Verdachte heeft volgens de verdediging niet willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat er onjuiste aangiften voor de omzetbelasting werden ingediend.

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

Vast staat dat verdachte enig aandeelhouder en bestuurder is van bedrijf 2 B.V. en dat deze holding enig aandeelhouder en bestuurder is van bedrijf 1 B.V.

Binnen de holding vindt echter geen economische activiteit plaats; de holding is louter eigenaar van het aan bedrijf 1 B.V. ter beschikking gestelde bedrijfspand. In het hiernavolgende zal de rechtbank zich dan ook slechts richten op de activiteiten van bedrijf 1 B.V. en verdachtes aandeel daarin.

Tevens staat niet ter discussie dat verdachte niet alleen formeel, maar ook feitelijke zeggenschap had over alle activiteiten van bedrijf 1 B.V.

Bij de FIOD is een melding binnengekomen inhoudende dat bedrijf 1 B.V. over de jaren 2009 t/m 2011 de omzetbelasting niet volledig zou hebben afgedragen. De FIOD heeft deze melding doorgegeven aan de Belastingdienst en de Belastingdienst heeft een boekenonderzoek ingesteld in welk onderzoek ook de jaren 2012 en 2013 zijn betrokken.Geconstateerd is dat over de hiervoor genoemde jaren onjuiste aangiften omzetbelasting zijn gedaan als gevolg waarvan een strafrechtelijk nadeel omzetbelasting is veroorzaakt van € 146.434,00.

De getuige 1, administrateur van verdachte in de periode 2008 t/m september 2009, heeft verklaard dat in het eerste kwartaal van 2009 € 10.000,00 bij de aangifte omzetbelasting is bijgeteld in verband met twijfel over de juistheid van de boekhouding. Volgens getuige 1 betaalde verdachte in verband met liquiditeitsproblemen in privé inkoopfacturen ten name van de vennootschap, waardoor deze niet geboekt werden maar er wel recht op voorbelasting bestond.

Over de periode 3e kwartaal 2009 t/m het 3e kwartaal 2012 zijn de aangiften omzetbelasting voor verdachte ingediend door de getuige 2, zelfstandig boekhouder. Getuige 2 heeft verklaard dat in 2009 met akkoord van verdachte bewust minder voorbelasting is aangegeven door met de btw te schuiven. Dit vond eveneens plaats in de jaren 2010, 2011 en 2012. Er zou voorts echter diverse keren bij verdachte op zijn aangedrongen een suppletieaangifte in te dienen.

Getuige 3, accountant en opsteller van de jaarrekeningen 2011 en 2012 van bedrijf 1 B.V. heeft verklaard dat bij de bespreking van de jaarrekeningen met verdachte is besproken dat er nog een suppletieaangifte van de omzetbelasting moest worden gedaan. Verdachte heeft bevestigd dat getuige 3 hem er op heeft gewezen dat er nog een suppletieaangifte gedaan moest worden.

Getuige 4, accountant AA, heeft verklaard dat verdachte tegen hem heeft gezegd heeft dat hij de suppletieaangiften niet wilde indienen omdat hij de cijfers niet vertrouwde.

Het vorenstaande, in onderling verband bezien en ondersteund door verscheidende schriftelijke aantekeningen, notities en e-mails zoals opgenomen in de bijlage bij dit vonnis, brengt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte er van meet af aan wetenschap van had dat de aangiften omzetbelasting niet correct waren gedaan. Over de in de bewezenverklaring genoemde kwartalen zijn steeds onjuiste (te lage) aangiften voor de omzetbelasting gedaan en is tevens ``opzettelijk niet voldaan aan de op bedrijf 1 B.V. (als onderdeel van een fiscale eenheid) rustende verplichting tot het doen van een suppletieaangifte ter zake de omzetbelasting. Dat verdachte namelijk ondanks voornoemde wetenschap niet is overgegaan tot de vereiste aangiften dan wel suppleties, omdat hij naar eigen zeggen wilde afwachten tot hij zekerheid had over de al dan niet correctheid van de gevoerde administratie binnen bedrijf 1 B.V. en daarmee niet bewust de onjuiste aangiften dan wel het achterwege laten van corrigerende inlichtingen zou hebben geaccordeerd, wordt weersproken door de wetenschap die bij verdachte bestond over de opgezette constructies teneinde de verschuldigde omzetbelasting niet, dan wel niet tijdig te hoeven betalen en het feit dat uit het dossier niet is gebleken dat de administratie inderdaad incorrect is gebleken en wel in die zin dat er te veel omzetbelasting is afgedragen. Dat verdachte telkenmale, in weerwil van de conclusies van zijn boekhouders en accountants, naar eigen zeggen meende dat de administratie niet betrouwbaar was en op grond van zijn “zesde zintuig” minder omzetbelasting afdroeg dan door zijn adviseurs berekend, sterkt de rechtbank in haar conclusie dat verdachte bewust de onjuiste aangiften omzetbelasting heeft gedaan c.q. willens en wetens het achterwege laten van suppletieaangiften heeft geaccordeerd in zijn rol van feitelijk leidinggevende van bedrijf 1 B.V.

Bewezenverklaring 

  • feit 1: opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit er toe strekt dat er te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon terwijl verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd.
  • feit 2: opzettelijk een feit begaan omschreven in artikel 68, eerste lid, onderdeel a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten het, als degene die ingevolge de belastingwet verplicht is tot het verstrekken van inlichtingen, gegevens of aanwijzingen, deze niet verstrekken, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en een taakstraf van 120 uur.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF