Column: (ex)UBS-spaarders deze week voor finale keuze, berusten of in beroep?

Door mr. V.S. (Vanessa) Huygen van Dyck-Jagersma (Jaeger Advocaten-belastingkundigen)

Deze week sluit de beroepstermijn tegen de voorgenomen uitwisseling van UBS-gegevens door de Zwitserse fiscus aan Nederland. Uitwisseling voor andere doeleinden dan belastingheffing is op dit moment nog niet mogelijk. Maar het is de vraag wat er gebeurt als de buitenlandse druk verder wordt opgevoerd.

Ook in Zwitserland blijft de dreigende uitwisseling van gegevens van Zwitserland aan Nederland een hot item. Het is volgens Swissblawg het eerste groepsverzoek dat door de Zwitserse fiscus is toegewezen, sinds het verzoek van de USA in 2013 over Julius Baer.

Gemotiveerd beroep

De termijn voor (alle) UBS-spaarders die zijn aangeschreven sluit als gevolg van de publicatie in het Bundesblatt van 27 oktober en de daar achterliggende (niet gepubliceerde) ‘eindbesluiten’ van 28 oktober na 30 dagen. Die termijn eindigt dus aanstaande vrijdag 27 november 2015. Om informatieverstrekking te voorkomen moet dan uiterlijk óf gemotiveerd beroep zijn ingesteld tegen het groepsverzoek/phishing expedition, óf aan de Zwitserse fiscus worden bericht dat in Nederland gebruik is gemaakt van de inkeerregeling. Dit zou nog als tijdige vrijwillige verbetering moeten gelden.

Primeur

De ‘grootste blogsite voor Zwitsers ondernemingsrecht’ schrijft verder dat het Nederlandse verzoek de eerste is op basis van de nieuwe wet van 2014, die eist dat een groepsverzoek ter afbakening van een ‘fishing expeditie’ ten minste moet bevatten ‘een gedetailleerde beschrijving van de groep en van de aan het verzoek ten grondslag liggende feiten en omstandigheden’. De Zwitserse fiscus heeft de door Nederland gegeven "gedetailleerde beschrijving van de groep" in dit geval als voldoende beoordeeld.

Omschrijving groep beperkt tot ‘efficiënt minimum’

Met gevoel voor understatement voegt Swissblawg daaraan toe dat de ‘beperking’ van de groepsomschrijving ‘tot een efficiënt minimum is beperkt’: alle (oud)UBS-klanten die op verzoek niet hebben aangetoond dat zij in Nederland aan de belastingwet hebben voldaan, vallen in de prijzen. Het doet er niet toe of de rekening inmiddels is opgeheven. Maar dat iemand een Zwitserse bankrekening heeft (of had) en niet reageert op deze verzoeken van de UBS, betekent natuurlijk niet automatisch dat iemand ook zwartspaarder is.

Nog geen informatieuitwisseling voor ‘fiscale delicten’*

Een ander heikel punt dat er mogelijk aan zit te komen, is de uitwisseling van gegevens voor een ander doel dan de heffing zelf. Op dit moment is het nog zo dat gegevens die Nederland van de Zwitserse fiscus verkrijgt, verdragsrechtelijk alleen voor belastingheffing mogen worden gebruikt. Dus niet voor strafrechtelijke vervolging van belastingfraude of het opleggen van een fiscale boete.

Verbod op uitwisseling voor fiscale fraude

Voorlopig is het bankgeheim nog in tact als het verzoek is gericht op informatie voor bestraffingsdoeleinden. De Neue Zürcher Zeitung (NZZ) schrijft dat ‘hoewel het bankgeheim niet meer zo onaantastbaar is als een non’, het ook zeker nog geen dode letter is. Dit ondervond Duitsland recent op een rechtshulpverzoek in een fiscale strafzaak. De Zwitserse rechter oordeelde dat het ontbrak aan vereiste dubbele strafbaarheid in Zwitserland en Duitsland. Dit is een voorwaarde waaraan moet zijn voldaan voordat Zwitserland mag afwijken van het verbod op rechtshulpverlening in fiscale strafzaken.

Einde fiscaal bankgeheim in zicht?

Het voorstel om de wet op dit punt aan te passen, is al sinds 2009 aanhangig. Het voorstel heeft als doel om voor rechtshulpverzoeken het onderscheid tussen belastingontduiking en belastingfraude op te heffen. De uitwerking hiervan laat echter nog steeds op zich wachten. Eerst zou het wachten zijn op de herziening van het Zwitserse wetboek voor strafvordering en de nieuwe witwasvoorschriften. Vervolgens wordt nu eerst een referendum gehouden over de vraag of het bankgeheim juist in de Zwitserse grondwet zal worden opgenomen.

Het politieke verzet tegen uitbreiding van buitenlandse rechtshulp is waarschijnlijk gegroeid met de nieuwe machtsverhoudingen in het parlement, zo schrijft de NNZ. Het is echter maar de vraag wat er zal gebeuren als de buitenlandse druk verder wordt opgevoerd.

 

(*bron vanaf hier: eigen vertaling artikel NZZ 16 november 2015, Rechtshilfe bei Steuerdelikten: Bankgeheimnis bietet nach wie vor Schutz)

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling voormalig oncoloog tot onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 18 maanden wegens het doen van onjuiste aangiften IB en gewoontewitwassen

Rechtbank Amsterdam 25 november 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:8340 Verdachte werkte in de jaren tachtig en negentig als hoogleraar en afdelingshoofd Interne Oncologie bij zowel de Daniel den Hoed Kliniek als het Academisch Ziekenhuis Rotterdam (thans Erasmus Medisch Centrum). Daarbij ontving hij in zijn hoedanigheid als afdelingshoofd betalingen van de farmaceutische industrie met wie hij contracten sloot om nieuwe medicijnen te testen. De hoogte van deze vergoeding verschilde per contract. Deze betalingen, die – bij gebrek aan contra-indicaties – als inkomsten kunnen worden aangemerkt, werden niet op een van de Nederlandse bankrekeningen van verdachte gestort, maar op Luxemburgse bankrekeningen. Verdachte heeft de saldi van deze Luxemburgse bankrekeningen – en dus het ontvangen inkomen en vermogen – nooit opgegeven in zijn aangiften inkomstenbelasting. De betalingen heeft hij ontvangen van 1986 tot 2005.

Er zijn geen gegevens van de Luxemburgse bankrekeningen bekend van vóór 2002. Vast staat dat er op 31 december 2002 in totaal €2.246.067 op de Luxemburgse bankrekeningen van verdachte stond. Nu verdachte het in Luxemburg ontvangen geld deels heeft gebruikt om te beleggen, is niet meer nauwkeurig te achterhalen welk deel van dit geld rechtstreeks afkomstig is van betalingen door de farmaceutische industrie en welk deel het resultaat is van vermogensaanwas door rendement en beleggingen.

In totaal heeft verdachte in de jaren 2003 tot en met 2013 €2.209.750 contant opgenomen van de Luxemburgse bankrekeningen en €908.331,61 aan deze bankrekeningen onttrokken middels betalingen met zijn creditcard(s). In totaal heeft verdachte in de periode van 2003 tot en met 2013 dus €3.118.081,61 onttrokken aan de Luxemburgse bankrekeningen. Verdachte heeft de Luxemburgse bankrekeningen in 2013 opgeheven, omdat hij begrepen had dat het Luxemburgse bankgeheim zou worden opgegeven. Daartoe heeft hij in 2013 drie keer contant geld opgehaald in Luxemburg en op de plek van het reservewiel (in de achterbak zijn auto) vervoerd naar Nederland. Een aanzienlijk deel van dit geld heeft hij bewaard in de ruimte van de mechanische ventilatie van zijn woning aan de adres .

Verdachte heeft in deze periode contant geld gegeven aan zijn kinderen naam 1 en naam 2 om in hun levensonderhoud te voorzien. Van dat geld betaalden zij ook huur aan verdachte voor de woningen waarin zij verbleven en die aan verdachte toebehoorden. Daarnaast gaf verdachte ook contant geld aan naam 3 mede voor het doen van betalingen namens hem of het overmaken van geld naar zijn bankrekening(en). Ook naam 2 heeft betalingen namens verdachte gedaan. In deze periode heeft verdachte geen geld van zijn Nederlandse bankrekeningen gebruikt voor het doen van boodschappen of het doen van aankopen in kledingwinkels en/of drogisterijen, geen geld van zijn Nederlandse bankrekeningen gebruikt voor het betalen in restaurants of hotels en heeft hij zijn Nederlandse bankrekeningen nauwelijks gebruikt voor het betalen van vaste lasten. Ten slotte heeft verdachte in deze periode ook in totaal €26.250 op zijn Rabobank-betaalrekening en €118.350 op zijn ABN AMRO-betaalrekening gestort.

Tijdens een doorzoeking van de woning van verdachte op 10 juni 2014 is in totaal €785.165 in de woning van verdachte aangetroffen. Het merendeel van dit geld bevond zich in meergenoemde ruimte van het mechanische ventilatiesysteem van de woning. Daarnaast bevond zich ook een aanzienlijk geldbedrag in een envelop in een kastje.

Verdenking

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan

  1. Gewoontewitwassen in de periode van 10 juni 2002 t/m heden, al dan niet tezamen en in vereniging met (een) ander(en), voor een totaalbedrag van €5.280.000 of €3.267.000, door van die geldbedragen de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing te verbergen en/of te verhullen, dan wel verborgen of verhuld hebben wie de rechthebbende(n) op die geldbedragen was/waren, en/of wie die geldbedragen voorhanden heeft/hebben gehad, en/of die geldbedragen hebben verworven en/of voorhanden gehad en/of overdragen en/of omgezet en/of van die geldbedragengebruik gemaakt, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat die geldbedragen afkomstig waren uit enig(e) misdrij(f)(ven);
  2. Het doen van onjuiste of onvolledige aangiften inkomstenbelasting in de periode van 1 januari 2003 tot en met 14 maart 2014 in Amsterdam en/of Apeldoorn, althans in Nederland, over de jaren 2003 tot en met 2013, terwijl dat er telkens toe strekte, dat te weinig belasting werd geheven.

Standpunt OM

Onjuiste aangiften inkomstenbelasting

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 ten laste gelegde bewezen kan worden verklaard, nu uit het dossier blijkt dat de aangiften inkomstenbelasting onjuist waren en verdachte dat feit heeft bekend.

Gewoontewitwassen

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 ten laste gelegde gewoontewitwassen kan worden bewezen.

Standpunt verdediging

Onjuiste aangiften inkomstenbelasting

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 ten laste gelegde bewezen kan worden verklaard, nu verdachte dat feit heeft bekend.

Gewoontewitwassen

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde gewoontewitwassen. Zij heeft daartoe, zakelijk weergegeven, onder meer het volgende aangevoerd.

(Laten) storten van bedragen op (Luxemburgse) bankrekeningen

Het geld dat is gestort op de Luxemburgse bankrekeningen was ten tijde van de stortingen nog niet van misdrijf afkomstig. Pas daarna werd het deel dat had moeten worden afgedragen aan de Nederlandse Belastingdienst ‘crimineel’. Het (laten) storten op de Luxemburgse bankrekening van verdachte kan dus niet worden gekwalificeerd als witwashandeling. Bovendien hebben nagenoeg alle stortingen zich voorgedaan voor de ten laste gelegde periode en de inwerkingtreding van het witwasdelict. Ook daarom kan dit deel van de tenlastelegging niet worden bewezen.

Beleggen in effecten / storten beleggersrekening

De Hoge Raad heeft meermalen in zijn witwasjurisprudentie aangegeven dat slechts tot een bewezenverklaring kan worden gekomen van het enkele ‘verwerven’ of ‘voorhanden hebben’ van voorwerpen afkomstig uit eigen misdrijf als kan worden afgeleid dat een verdachte tevens gedragingen heeft verricht die (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp. Als er sprake is van ‘overdragen’, ‘gebruik maken’ of ‘omzetten’ van door eigen misdrijf verkregen voorwerpen, terwijl dat plaatsvindt onder omstandigheden die niet wezenlijk verschillen van gevallen waarin een verdachte die voorwerpen verwerft of voorhanden heeft, dan moeten die gedragingen ook een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van die voorwerpen gericht karakter hebben.

Door geld volledig transparant te storten van de ene naar de andere bankrekening, werd het vermogen van verdachte slechts van de ‘vestzak naar de broekzak’ verplaatst. Het overmaken van het geld naar de beleggersrekening van verdachte kan daarom niet als witwassen worden gekwalificeerd.

Omzetten giraal in chartaal geld

Door het geld chartaal op te nemen, heeft verdachte niet de werkelijke aard of herkomst van het geld getracht te verhullen. Ook hier is sprake van een ‘vestzak-broekzak constructie’ en is dus geen sprake van ‘omzetten’, maar slechts van het voorhanden hebben van geldbedragen uit eigen misdrijf. De Hoge Raad heeft in de omgekeerde situatie geoordeeld dat met het storten van chartaal geld op een bankrekening geen sprake is van gedragingen die ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van de geldbedragen. Ook deze handelingen van verdachte kunnen dus niet worden gekwalificeerd als witwassen.

Vervoeren geld uit Luxemburg

Ook hier is sprake van een ‘vestzak-broekzak constructie’ en dus slechts van het voorhanden hebben van geldbedragen uit eigen misdrijf. Er is geen sprake van een op verhulling gerichte handeling. De omstandigheid dat verdachte het geld in een bergruimte voor een reservewiel had gestopt, levert geen verhullend aspect op, nu de Hoge Raad meermaals heeft aangegeven dat het op ongebruikelijke plaatsen bewaren van voorwerpen onvoldoende is om te komen tot een bewezenverklaring van ‘verbergen’ of ‘verhullen’. Het verstoppen van het geld door verdachte zag niet op het verbergen of verhullen van de herkomst van het geldbedrag. Het is immers verre van ongebruikelijk om waardevolle spullen niet in het zicht te laten. Ook deze handelingen kunnen dus niet worden gekwalificeerd als witwassen.

Verstoppen contant geld in woning

De Hoge Raad heeft meermaals aangegeven dat het op ongebruikelijke plaatsen bewaren van voorwerpen onvoldoende is om te komen tot een bewezenverklaring van ‘verbergen’ of ‘verhullen’. Nu niet bewezen kan worden verklaard dat verdachte het geld heeft verstopt om de herkomst van het geldbedrag te verbergen of te verhullen, kan ook deze handeling niet als witwassen worden gekwalificeerd.

Stortingen op eigen bankrekening

De Hoge Raad heeft geoordeeld dat door geld deels in porties op een bankrekening te storten, geen sprake is van gedragingen die ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van de geldbedragen. In het licht van de ‘vestzak-broekzak constructie’ is dus geen sprake van ‘omzetten’, maar slechts van het voorhanden hebben van voorwerpen uit eigen misdrijf.

Overboeken geld van bankrekeningen meerderjarige kinderen en vriendin

Het overboeken van geld naar een bankrekening van een andere persoon is een witwashandeling, mits dit geld uit eigen misdrijf betreft. De transacties aan de kinderen en vriendin van verdachte zijn echter niet voldaan uit het Luxemburgs vermogen, maar vanaf zijn Nederlandse bankrekening. Verdachte ontving als medisch specialist een riant salaris en na zijn pensionering een goed pensioen. Er is dus sprake van een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand als volslagen onaannemelijk aan te merken herkomst van het geld, zodat niet kan worden bewezen dat het overgemaakte geld van enig misdrijf afkomstig was.

Er is ook geen sprake van vermenging van vermogens, nu het bedrag dat verdachte aan de Belastingdienst had moeten afdragen nagenoeg volledig verstopt lag in zijn ventilatiesysteem en verder tot op de cent nauwkeurig kan worden geïndividualiseerd welk bedrag in de ten laste gelegde periode is ‘zwartgewassen’ en welk geld de status ‘legaal’ heeft behouden. De Hoge Raad heeft ten aanzien van vermenging van vermogens als uitgangspunt genomen dat pas als betalingen gedeeltelijk uit opbrengst van een misdrijf zijn gefinancierd en gedeeltelijk uit ander, legaal geld, kan worden gezegd dat die betalingen – mede – uit enig misdrijf afkomstig zijn.

Overboeken geld van bankrekeningen minderjarige kinderen

Fiscaal gezien bestaat er geen onderscheid tussen de bankrekeningen van verdachte en zijn minderjarige kinderen. Voor deze overboekingen geldt dus ook dat er sprake was van een ‘vestzak-broekzak constructie’ en dat er dus geen sprake is van een witwashandeling.

Overboeken geld van en naar eigen bankrekeningen

Ook voor deze overboekingen geldt dat er sprake was van een ‘vestzak-broekzak constructie’ en dat er dus geen sprake is van een witwashandeling.

Geld aanwenden ten behoeve van zichzelf

Het merendeel van de consumptieve betalingen die verdachte in de periode van 1 januari 2007 tot en met 14 maart 2014 heeft gedaan, zijn niet gedaan door middel van contante betalingen of met de Luxemburgse creditcard. Deze betalingen zullen dus zijn gedaan uit zijn salaris dan wel pensioen, zodat niet kan worden bewezen dat de betalingen zijn verricht met geld afkomstig uit enig misdrijf.

In ieder geval kan niet worden bewezen dat de bestedingen op moeilijk traceerbare wijze zouden zijn geschied, omdat het contant of met creditcard betalen van facturen niet als zodanig kan worden gekwalificeerd.

Fiscale nadeel

Enkel het ‘zwartgewassen’ bedrag aan ontdoken belasting kan worden gekwalificeerd als afkomstig uit enig misdrijf. Ongeacht de omvang van het fiscale nadeel, kan er in elk geval nooit meer zijn witgewassen dan verdachte op 10 juni 2002 aan verzwegen vermogen voorhanden had op zijn Luxemburgse bank- en beleggingsrekeningen. Omdat enkel de niet afgedragen inkomstenbelasting afkomstig kan zijn uit enig misdrijf, kan het belastingnadeel niet hoger zijn dan 60% van dat bedrag, te weten €1.320.000. Dit zou echter het geval zijn als de schattingen en de extrapolaties van de belastinginspecteur juist zouden zijn en dat is niet het geval. De belastinginspecteur heeft echter de onbelaste koersstijgingen en beleggingen van verdachte buiten beschouwing gelaten en onterecht de gemiddelde uitgaven die verdachte heeft gedaan in de periode 2002 tot en met 2013 geëxtrapoleerd naar de periode van 1986 tot en met 2001. Gelet op de berekeningen van de verdachte kan er in de periode van 1986 tot en met 2001 maximaal €87.177 per jaar door verdachte zijn verdiend en is het maximale fiscale nadeel – en dus maximale bedrag dat verdachte kan hebben witgewassen – dus slechts €871.770

Oordeel rechtbank

Onjuiste aangiften inkomstenbelasting

De rechtbank acht bewezen dat verdachte in de periode van 1 januari 2003 tot en met 14 maart 2014 telkens opzettelijk onjuist en onvolledig aangifte inkomstenbelasting heeft gedaan door niet te vermelden dat hij inkomsten ontving op zijn Luxemburgse bankrekeningen uit hoofde van zijn Nederlandse werkzaamheden en dat hij uit dat vermogen rendement genoot (mede als gevolg van beleggingen). Hierdoor is een te laag bedrag aan verschuldigde inkomstenbelasting aangegeven.

Gewoontewitwassen

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich in de periode van 10 juni 2002 tot 10 juni 2014 schuldig heeft gemaakt aan gewoontewitwassen.

Vermenging

De Hoge Raad heeft bepaald dat als een vermogensbestanddeel met een criminele herkomst zich binnen het na vermenging gevormde vermogen niet meer laat individualiseren, het geval zich kan voordoen dat het vermogen – en nadien elke betaling daaruit – wordt aangemerkt als (middellijk) gedeeltelijk van misdrijf afkomstig in de zin van de witwasbepalingen. Daarbij heeft de Hoge Raad voorts overwogen dat in situaties waarin het gaat om vermogen dat gedeeltelijk en/of middellijk van misdrijf afkomstig is, een onbegrensde wetstoepassing niet in alle gevallen strookt met de bedoeling van de wetgever en dat moet worden aangenomen dat bepaald gedrag onder omstandigheden niet als witwassen kan worden gekwalificeerd. Daarbij kan in de beoordeling worden betrokken of sprake is van:

  • een geringe waarde van het van misdrijf afkomstige vermogensbestanddeel dat met een op legale wijze verkregen vermogen vermengd is geraakt, al dan niet in verhouding tot de omvang van het op legale wijze verkregen deel;
  • een groot tijdsverloop tussen het moment waarop het van misdrijf afkomstige vermogensbestanddeel is vermengd met het legale vermogen en het tijdstip waarop het verwijt van witwassen betrekking heeft;
  • een groot aantal of bijzondere veranderingen in dat vermogen in de tussentijd;
  • een incidenteel karakter van de vermenging van het van misdrijf afkomstige vermogensbestanddeel met het legale vermogen.

In dit geval staat vast dat verdachte een deel van dit geld had moeten afdragen aan de Belastingdienst, als hij in de jaren 1986 tot en met 2001 – en daarna – juiste aangiften inkomstenbelasting had ingediend. Dit deel is dus van misdrijf afkomstig. Thans laat zich – mede doordat verdachte dit geld heeft belegd en dus rendement heeft genoten alsmede omdat er geen bankgegevens zijn van voor 2002 – niet meer individualiseren welk deel van dit geld aan inkomstenbelasting had moeten worden afgedragen. In het kader van het witwassen heeft dit tot gevolg dat het gehele vermogen van verdachte, dat in december 2002 op zijn Luxemburgse bankrekeningen stond en in de jaren daarna (contant of middels creditcard) van die bankrekeningen is opgenomen, dient te worden aangemerkt als deels van misdrijf afkomstig: het van misdrijf afkomstige vermogensbestanddeel had een aanzienlijke waarde en de vermenging van de van misdrijf afkomstige vermogensbestanddelen met het legale vermogen had geen incidenteel karakter. Immers vanaf 1986 is de vermenging opgetreden, tussen 1986 en 2002 hebben een groot aantal betalingen vanuit de farmaceutische industrie plaatsgevonden en voorts zijn wijzigingen in het vermogen opgetreden door de beleggingsportfolio van verdachte. De omstandigheid dat het fiscaal nadeel als gevolg van het doen van onjuiste aangiften inkomstenbelasting mogelijk lager is dan het bedrag dat verdachte vanaf 2002 aan zijn Luxemburgse bankrekeningen heeft onttrokken, doet aan het voorgaande niet af.

(Laten) storten van bedragen op (Luxemburgse) bankrekeningen

Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het (laten) storten van geldbedragen op de Luxemburgse bankrekeningen van verdachte en/of Fondation BION op zichzelf niet kan worden gekwalificeerd als een witwashandeling. Op het moment dat deze geldbedragen op deze bankrekeningen werden gestort, had dit geld nog geen criminele herkomst. Pas daarna – op het moment dat verdachte de ontvangst van deze geldbedragen niet opgaf in zijn aangiften inkomstenbelasting – kreeg het deel van dit geld dat verdachte aan de Belastingdienst had moeten afdragen een criminele herkomst. Verdachte zal dus partieel worden vrijgesproken van dit deel van de tenlastelegging.

Beleggen in effecten / storten beleggingsrekening

De rechtbank is van oordeel dat het beleggen van de in Luxemburg ontvangen geldbedragen (door deze over te boeken naar een beleggingsrekening) evenmin kan worden gekwalificeerd als een witwashandeling.

De Hoge Raad heeft in zijn witwasjurisprudentie meermalen aangegeven dat slechts tot een bewezenverklaring kan worden gekomen van het enkele ‘verwerven’ of ‘voorhanden hebben’ van voorwerpen afkomstig uit eigen misdrijf, indien kan worden afgeleid dat de verdachte daarnaast tevens gedragingen heeft verricht die (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp. Deze regel heeft in beginsel geen betrekking op het ‘overdragen’, ‘gebruik maken van’ of ‘omzetten’ van dat voorwerp, tenzij dat plaatsvindt onder omstandigheden die niet wezenlijk verschillen van gevallen waarin een verdachte een bepaald misdrijf heeft begaan en die daarmee de door dat misdrijf verkregen voorwerpen verwerft of voorhanden heeft.

In dit geval is deze uitzonderingssituatie aan de orde. Weliswaar heeft verdachte gebruik gemaakt van geldbedragen die afkomstig waren van enig misdrijf en die geldbedragen omgezet (in beleggingsproducten), maar naar het oordeel van de rechtbank kan met betrekking tot deze handelingen van verdachte niet worden gesteld dat zij (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat geld. Het storten van geld van een rekening-courant op een beleggingsrekening of andersom kan niet worden aangemerkt als verbergen of verhullen. Deze geldbedragen zijn immers constant in Luxemburg – buiten het zicht van de Belastingdienst – gebleven en de criminele herkomst van deze geldbedragen zou ook evident zijn geweest als zicht was gekregen op deze beleggingsrekening of beleggingen. Verdachte zal dus partieel worden vrijgesproken van dit deel van de tenlastelegging.

Overige ten laste gelegde witwashandelingen

De rechtbank verwerpt de verweren van de verdediging, voor zover zij heeft betoogd dat ook ten aanzien van de overige ten laste gelegde witwashandelingen niet kan worden bewezen dat er sprake is geweest van een verhullingshandeling. Hoewel van individuele handelingen, zoals het vervoeren van geldbedragen in een auto op de plek van het reservewiel of het bewaren van geldbedragen in de ruimte van een mechanisch ventilatiesysteem, niet noodzakelijk een verhullende werking uitgaat, kunnen deze handelingen in onderlinge samenhang bezien wel worden gekwalificeerd als witwassen. Verdachte heeft, nadat hij het geld contant – en dus buiten zijn Nederlandse bankrekeningen om – had opgenomen en naar Nederland had vervoerd, dit geld in zijn woning verborgen. Vervolgens heeft hij dit contante geld aan anderen, te weten zijn kinderen naam 1 , naam 2 en naam 4 en een vriendin naam 3 , gegeven en hen daarmee giraal betalingen voor hem of aan hem laten doen. Door deze combinatie van handelingen heeft hij aan het zicht van de autoriteiten onttrokken dat hij betalingen deed met illegaal vermogen en/of gepoogd dat vermogen een legale titel te geven. Ook heeft hij een deel van het contant in Luxemburg opgenomen geld direct op zijn eigen bankrekeningen gestort.

Anders dan door de verdediging is betoogd, kan wel worden bewezen dat de geldbedragen die verdachte contant aan zijn kinderen en naam 3 heeft gegeven ten minste deels afkomstig waren van zijn Luxemburgse bankrekeningen. Dit heeft verdachte immers zelf verklaard. Uit de verklaring van verdachte blijkt bovendien dat van het door hem gebruikte contante geld niet meer individualiseerbaar is, welk deel daarvan afkomstig is van zijn Luxemburgse bankrekeningen en welk deel van zijn Nederlandse bankrekeningen. Ook het contante vermogen dat verdachte vanaf 2002 in Nederland voorhanden heeft gehad, kan, als gevolg van vermenging, dus worden aangemerkt als gedeeltelijk van misdrijf afkomstig.

Anders dan door de officier van justitie betoogd, acht de rechtbank echter niet bewezen dat het gehele Nederlandse vermogen van verdachte door vermenging gedeeltelijk van misdrijf afkomstig is geworden. Zoals hiervoor is overwogen, kan worden bewezen dat een deel van het criminele, contante vermogen van verdachte uiteindelijk – al dan niet via anderen – op zijn bankrekeningen terecht is gekomen. Nu uit het dossier blijkt hoeveel geld verdachte contant van de Luxemburgse bankrekeningen heeft opgenomen, hoeveel hij zelf op zijn bankrekening heeft gestort en hoeveel geld er in de ten laste gelegde periode door zijn kinderen en naam 3 op zijn bankrekening is overgemaakt, is nog wel voldoende individualiseerbaar welk deel van (dat deel van) het vermogen van verdachte van misdrijf afkomstig is en welk deel een legale herkomst heeft.

Geld aanwenden ten behoeve van zichzelf

Hoewel bewezen kan worden dat verdachte (in ieder geval) naam 2 en naam 3 betalingen voor hem heeft laten doen, waarvoor hij het contant geld gaf, en zelf regelmatig contante uitgaven heeft gedaan, is de rechtbank van oordeel dat de zinsnede ‘op moeilijk traceerbare wijze’ op grond daarvan niet kan worden bewezen. Verdachte zal dus partieel worden vrijgesproken van dit deel van de tenlastelegging.

Strafmaatverweren

Voldoen belastingschulden

Verdachte heeft de opgelegde navorderingsaanslagen inkomstenbelasting over de jaren 2002 tot en met 2013 inclusief rente voldaan. Dat moet matigend werken op de strafmaat.

Coöperatieve houding

Verdachte heeft vanaf het moment dat de FIOD zijn woning doorzocht, al zijn medewerking verleend. Hij heeft zelfs het door hem aangewezen ventilatiekanaal opengeschroefd. De vaststelling van het verschuldigde bedrag aan inkomstenbelasting kon ook plaatsvinden omdat verdachte volledig openheid van zaken heeft gegeven en onverplicht alle relevante bescheiden van zijn bank- en effectenrekening in Luxemburg heeft verstrekt. Dit moet een matigend effect hebben bij de strafoplegging.

Nadeel witwassen

Bij de berekening van het nadeel in deze zaak, moet het nadeel ten gevolge van het witwassen niet naast het overlappende nadeel uit het fiscale misdrijf meegenomen worden.

Uit antwoord van de Staatssecretaris van Justitie (mede namens de Staatssecretaris van Financiën) blijkt dat bij louter fiscale fraude niet strafrechtelijk zal worden vervolgd voor witwassen als gebruik is gemaakt van de inkeerregeling. Hoewel verdachte niet kwalificeert als een tijdige inkeerder, is wel evident dat hij vrijwillig alle relevante bankstukken, inlichtingen, gegevens en aanwijzingen heeft verstrekt aan de Belastingdienst en de officier van justitie. Indien wordt bedacht dat naar aanleiding van het beleid om na inkeer witwassen niet aan te pakken, de Nederlandse fiscus op grote schaal ‘witwast’, past het niet om verdachte hiervoor wel zwaar te straffen.

Ten slotte moet, gelet op het Europese arrest Camilleri, een wettelijke bepaling niet alleen duidelijk zijn, maar ook toegankelijk en voorzienbaar. Dit geldt zowel voor de definitie van het strafbare feit als de straf die daarop is gesteld. Het ontbreken van deze voorzienbaarheid is de laatste reden om niet aanvullend op de strafoplegging voor de fiscale misdrijven ook een straf op te leggen voor het ten laste gelegde witwassen.

Mocht ook tot strafoplegging van witwassen worden gekomen, dan dient te worden meegenomen dat het bedrag dat verdachte op 10 juni 2002 onder zich had en dat kan worden bestempeld als uit enig misdrijf afkomstig maximaal €871.770. – is geweest.

Strafoplegging fiscaal misdrijf boete 50%

Gezien de omstandigheden van deze zaak, zou een boete aan verdachte moeten worden opgelegd. In dat geval moet rekening worden gehouden met het voor zwartspaarders geldende boetebeleid, waarbij aan belastingplichtigen die – nadat zij tegen de lamp zijn gelopen – volledige openheid van zaken geven, slechts een boete van 50% van het maximale boetebedrag wordt opgelegd. Hoewel dit boetebeleid bestemd is voor het geval de onderhavige vergrijpen bestuursrechtelijk zouden zijn afgedaan, is dit beleid te beschouwen als het bestuursrechtelijke sequeel van artikel 44a van het Wetboek van Strafrecht, waarin als grond voor strafvermindering het afleggen van een verklaring die een belangrijke bijdrage vormt voor de opsporing of vervolging van misdrijven wordt genoemd.

Impact strafrechtelijke vervolging / te late inkeer / leeftijd verdachte

Deze zaak betreft in de kern slechts een te late inkeerzaak. Het was dan ook een zeer onprettige verrassing dat verdachte op de voorpagina van de Telegraaf als ‘graaiende dokter’ werd gepresenteerd, waarbij werd verwezen naar een paginagrote en stemming makende publicatie. De journaliste die de verdediging benaderde, gaf aan van het Openbaar Ministerie alle ins en outs van de zaak, inclusief de volledige personalia van verdachte, te hebben ontvangen. Door de door het Openbaar Ministerie ingezette mediahype is dus publiekelijk karaktermoord gepleegd. Omdat het Openbaar Ministerie hier actief aan heeft bijgedragen, dient deze zaak te worden afgedaan met een schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel, althans dient deze actie sterk matigend op een op te leggen straf te werken.

Er is vanuit maatschappelijk perspectief ook geen enkele noodzaak om verdachte te bestraffen door middel van het opleggen van een gevangenisstraf. Als de overheid inkeerders immers nagenoeg straffeloos schoon schip laat maken, bestaat er vanuit de samenleving kennelijk geen behoefte om inkeerders anders te bestraffen dan in de portemonnee.

Het achterliggende doel van het door het Openbaar Ministerie met veel bombarie in de media presenteren van deze zaak is een politieke. Daardoor worden niet ingekeerde Nederlanders bang gemaakt. Hoewel dat doel wel begrijpelijk is, neemt dat niet weg dat deze zaak al maanden geleden buitengerechtelijk had kunnen zijn afgedaan. Dit zou de lichamelijke en geestelijke gezondheid van verdachte aanzienlijk beter hebben gedaan. Gezien alle strafmatigende aspecten in deze zaak, was er alle reden om te spreken van een uitzonderingsgeval en de zaak administratiefrechtelijk, door middel van oplegging van een vergrijpboete, af te doen. Er moet alsnog conform die afdoeningsmogelijkheid worden geoordeeld en geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf worden opgelegd. Zeker nu het opleggen van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf ertoe zou leiden dat de laatste vitale levensjaren van de bijna 70 jarige verdachte zullen worden ontnomen. Dat zou een disproportionele straf zijn voor een verder keurige en coöperatieve verlate inkeerder.

Bewezenverklaring

  • Feit 1: Gewoontewitwassen.
  • Feit 2: Opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 18 maanden.

Verdachte heeft zich vanaf 1986 tot en met 2013 schuldig gemaakt aan belastingfraude door op geen enkel moment in zijn aangiften inkomstenbelasting op te geven dat hij in Luxemburg inkomsten genoot of had genoten uit Nederlandse werkzaamheden en als gevolg daarvan vermogen bezat in Luxemburg. Verdachte heeft welbewust gekozen om te (blijven) frauderen, zelfs na het invoeren van de inkeerregeling.

Verdachte heeft daarnaast zijn door belastingontduiking verkregen vermogen witgewassen.

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel van de Justitiële Documentatie van verdachte waaruit blijkt dat hij niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld. De rechtbank merkt evenwel op dat verdachte feitelijk vanaf 1986 jaarlijks recidiveerde door telkens opnieuw een onjuiste aangifte inkomstenbelasting te doen en ondanks meerdere mogelijkheden daartoe nooit vrijwillig is ingekeerd. Het is louter aan het ingrijpen van de FIOD en het Openbaar Ministerie te danken dat het frauduleuze handelen van verdachte is beëindigd. De rechtbank zal echter in strafmatigende zin rekening houden met de coöperatieve houding van verdachte na de doorzoeking op 10 juni 2014. Verdachte heeft toen vrijwillig een groot aantal documenten met betrekking tot zijn Luxemburgse bankrekeningen ter beschikking gesteld en daarmee een aanzienlijk deel van het in het dossier aanwezige bewijs tegen zichzelf aangeleverd.

Anders dan door de verdediging betoogd, zal de rechtbank de media-aandacht voor de zaak tegen verdachte niet strafmatigend meewegen. De media-aandacht die aan deze zaak is gegeven, is naar het oordeel van de rechtbank inherent aan de verantwoordelijke, voorbeeldfunctie die de verdachte heeft bekleed, zeker gelet op het kwalijke karakter van het bewezenverklaarde feit. Ook de omstandigheid dat uit het dossier zou zijn gelekt naar de media, werkt niet strafmatigend, nu niet kan worden vastgesteld door wie is gelekt. Ten slotte heeft ook de omstandigheid dat er beslagen liggen op (een groot deel van) het vermogen van verdachte, geen strafmatigend effect, nu dat een direct en logisch gevolg is van het frauduleuze handelen van verdachte en hij dat dus aan zichzelf te wijten heeft.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling wegens Belastingfraude. Verwerping beroep op vervolging in Spanje voor dezelfde feiten.

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 27 oktober 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:4379 Verdachte heeft een autobedrijf in Spanje. De inkoop vindt plaats via Spaanse (rechts)personen. Verdachte gaat namens deze Spaanse (rechts)personen naar een Nederlands autobedrijf om auto’s in te kopen en over te brengen naar Spanje. Verdachte overlegt aan het Nederlandse autobedrijf volmachten van de Spaanse (rechts)personen. Het Nederlandse autobedrijf levert de auto’s aan de Spaanse (rechts)personen tegen het tarief van nihil voor de omzetbelasting (ECLI:NL:GHSHE:2012:BX0077). Bestuurders van het Nederlandse autobedrijf zijn strafrechtelijk vervolgd voor het doen van onjuiste aangiften omzetbelasting, omdat zij ten onrechte het tarief van nihil zouden hebben toegepast. Deze bestuurders zijn vrijgesproken (ECLI:NL:GHSHE:2013:4472).

De Spaanse (rechts)personen voldoen in Spanje geen invoerrechten ter zake van de invoer en geen omzetbelasting ter zake van de intra-unie verwerving. Uit onderzoek blijkt dat verdachte bij deze Spaanse (rechts)personen niet bekend is en dat zij de volmachten niet hebben gegeven. Verdachte wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf één jaar met een proeftijd van twee jaar en een taakstraf van 240 uur wegens valsheid in geschrifte.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet tot strafvervolging ter zake van het ten laste gelegde had mogen overgaan omdat de verdachte thans in Spanje wordt vervolgd voor dezelfde feiten (procedure nummer [[nummer]] ). De tenlastelegging in Spanje betreft naast strafbare feiten tegen de Spaanse fiscus met betrekking tot de BTW die [buitenlandse onderneming verdachte] verschuldigd was over de boekjaren 2005, 2006 en 2007 ook voortgezette valsheid in geschrift ten aanzien van handelsdocumenten, zoals volmachten, aldus de raadsman. Gelet op de daarbij in Spanje betrokken rechtspersonen, verdachten en voertuigen in de periode 2005-2007 is sprake van hetzelfde feitencomplex. Voorts is de vervolging van de verdachte in Spanje eerder gestart, te weten op 12 september 2007.

Het hof overweegt als volgt.

Nu het in de onderhavige zaak gaat om omzetbelasting (Hof van Justitie EU 26 februari 2013, C-617/10, ECLI:EU:C:2013:105) is tevens artikel 50 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van belang, welk artikel luidt:

Niemand wordt opnieuw berecht of gestraft in een strafrechtelijke procedure voor een strafbaar feit waarvoor hij in de Unie reeds onherroepelijk is vrijgesproken of veroordeeld overeenkomstig de wet.

Uitgaande van vorenstaande bepalingen is het hof van oordeel dat eerst kan worden gesproken van een dubbele vervolging wanneer er sprake is van een in kracht van gewijsde gegane uitspraak, hetgeen impliceert dat wiens zaak eenmaal definitief is afgedaan, ter zake van hetzelfde feit niet opnieuw in rechte mag worden betrokken. Het hof is van oordeel dat in casu aan dit vereiste niet is voldaan. Voor zover het hof al op basis van de overgelegde stukken uit het Spaanse onderzoek zou kunnen vaststellen dat sprake is van het zelfde feitencomplex, is in elk geval duidelijk dat de zaak nog niet is afgedaan met een onherroepelijke einduitspraak.

De stelling van de raadsman dat het onderzoek in Spanje eerder een aanvang heeft genomen, en dat het openbaar ministerie het onderzoek derhalve aan Spanje had moeten overlaten, mist feitelijke grondslag. Immers, de vervolging heeft in Nederland reeds in 2006 een aanvang genomen.

Het hof verwerpt mitsdien het verweer en acht het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Column Nederlandse zwartspaarders deel 2: Groepsverzoek, mag dat toch?

Door Vanessa Huygen van Dyck-Jagersma (Jaeger advocaten-belastingkundigen)

Naar aanleiding van mijn eerdere column ‘Nederlandse zwartspaarders in Zwitserland onder druk: bangmakerij?’ kreeg ik verschillende reacties. Enkelen merkten op dat dat ‘groepsvragen’ door Nederland aan Zwitserland misschien toch mogelijk zijn, ondanks dat dit (nog) niet in het verdrag is opgenomen. Dit standpunt wordt gebaseerd op de gewijzigde toelichting op informatie-uitwisseling in het modelverdrag. In deze wijziging wordt het begrip groepsverzoeken geïntroduceerd – maar ook direct beperkt. Bovendien blijft staan dat het verdrag Nederland-Zwitserland daarna niet is aangepast. Mijn conclusie blijft daarom dat de informatie die nu gevraagd is over de UBS niet door Zwitserland hoeft te worden verstrekt.

In de toelichting worden voorbeelden gegeven van groepsverzoeken die onvoldoende zijn. Bijvoorbeeld onvoldoende specifiek is:

  • een vraag naar een groep van Nederlandse belastingbetalers in Zwitserland met de mogelijkheid dat zij in Nederland hun vermogen niet hebben opgegeven;
  • diezelfde vraag, met als opmerking dat de betreffende bank erom bekend staat veel Nederlandse zwartspaarders te hebben.

Deze informatie hoeft door de aangezochte Staat (bijvoorbeeld Zwitserland) dus niet te worden gegeven. Dit soort verzoeken kwalificeren als fishing expeditie (of ‘sleepnetverzoek’).

Wat doet Zwitserland?

Toch stuurt Zwitserland nu aan de UBS-spaarders met een Zwitserse gemachtigde – en kondigt voor de anderen een ‘anonieme publicatie’ in het Bundesblatt aan – een ‘eindbesluit’, waarin wordt vermeld dat:

  • volgens de Zwitserse fiscus aan de vereisten voor informatieverzoeken is voldaan;
  • dat het verzoek van Nederland kan worden uitgevoerd voor de periode 1 februari 2013 tot 31 december 2014;
  • dat de gegevens al door de UBS aan de Zwitserse fiscus zijn verstrekt;
  • dat de betrokkene hiertegen beroep kan aantekenen.

Het is afwachten wat er uiteindelijk gaat gebeuren – gaat Zwitserland echt (en direct) informatie geven van personen die niet reageren? Of zullen eerst de – massaal hiertegen ingestelde – beroepen van Nederlanders worden afgewacht? Tegen het eindbesluit kunnen alle bevraagde spaarders binnen 30 dagen in beroep bij de Zwitserse rechtbank. Daarbij moeten wel alle kaarten op tafel worden gelegd: alle redenen waarom de betrokkene het niet eens is met verstrekking aan Nederland moeten direct in het beroepschrift worden vermeld.

 

 

Print Friendly and PDF ^

Sluit een objectief of een subjectief pleitbaar standpunt opzet uit?

In een ruim honderd pagina’s tellende uitspraak heeft de belastingkamer van het Gerechtshof Amsterdam op 8 oktober 2015 een uitspraak waarin verschillende interessante onderwerpen aan de orde zijn gesteld. Het geeft een heldere uiteenzetting over het leerstuk van de op de zaak betrekking hebbende stukken, het criterium van ‘het nieuwe feit’ wordt uitgebreid onder de loep genomen, het leerstuk van fraus legis is een belangrijk onderwerp en last but not least komt het pleitbare standpunt uitvoerig aan de orde. In deze bijdrage wordt stilgestaan bij het pleitbaar standpunt en opzet. Lees verder:

 

Print Friendly and PDF ^

Vervolgingsuitsluitingsgrond van artikel 69 lid 4 AWR & vervolgen voor een fiscaal delict terwijl sprake is van artikel 225 Sr

Op basis van de vervolgingsuitsluitingsgrond van artikel 69 lid 4 AWR mag een verdachte – indien een delict kan worden gekwalificeerd als bedoeld in artikel 69, eerste en tweede lid, AWR – niet (ook) worden vervolgd voor valsheid in geschrifte als bedoeld in artikel 225, tweede lid, Sr. Dergelijke vervolgingen komen desalniettemin in de praktijk met enige regelmaat voor. De omgekeerde situatie – vervolgen voor een fiscaal delict terwijl (wellicht) sprake is van artikel 225 Sr – doet zich echter ook voor. Dit blijkt uit een arrest van de Hoge Raad van 6 oktober 2015.

Lees verder:

Print Friendly and PDF ^

Column: Van Weerelt en de civiele dwangsom, (nog) een lange weg te gaan!

Door Andrea Faber (BeuneFaber Advocaten-Belastingkundigen)

De informatieplicht versus het zwijgrecht. Hoewel volgens sommigen een gelopen race na de uitspraak van het Europees Hof van de Rechten van de Mens in de zaak Van Weerelt versus Nederland[1], lijkt, in mijn ogen, ten aanzien van dit vraagstuk maar geen definitief uitsluitsel te komen. Voor mij is het een uitspraak van de categorie dat meer vragen oproept dan het (mede gelet op de niet-ontvankelijkverklaring) beantwoordt.

In 2008 belandde een CD-Rom met de namen van begunstigden van Liechtensteinse Stiftungen in de handen van de Duitse fiscus. Voor zover het inwoners van Nederland betrof werden de gegevens door het Finanzamt aan de Nederlandse belastingdienst verstrekt. Belanghebbende was begunstigde van een Liechtensteinse Stiftung tot deze Stiftung op 3 november 2000 werd geliquideerd. In 2009 stuurde de Inspecteur belanghebbende een brief met daarin onder meer het verzoek informatie te verstrekken ten aanzien van zijn betrokkenheid bij de Stiftung. Belanghebbende ontkende zijn betrokkenheid niet maar antwoordde dat hij geen documenten meer van de Stiftung had en dat hij alleen maar ruwe herinneringen had. De Inspecteur vond dit niet geloofwaardig en legde ambtshalve aanslagen met 100% vergrijpboeten op. Tegen deze aanslagen en boetes werd bezwaar ingesteld. Op het moment dat het Europees Hof dit arrest wees stonden deze aanslagen nog niet onherroepelijk vast.

Kort na de oplegging van de aanslagen spande de Belastingdienst een kort geding aan tegen belanghebbende met als doel belanghebbende informatie te doen laten verstrekken op straffe van een dwangsom, gevolgd door (een) informatiebeschikking(en). De voorzieningenrechter kende het verzoek van de Belastingdienst toe. Uiteindelijk heeft dat geleid tot het arrest d.d. 12 juli 2013[2] waarin de Hoge Raad oordeelde dat de Belastingdienst een belastingplichtige ook langs de civiele weg kan opdragen te voldoen aan de informatieplicht van artikel 47 AWR op straffe van een dwangsom, ongeacht of het wilsonafhankelijk dan wel wilsafhankelijk materiaal betreft. Ingeval van wilsafhankelijk materiaal echter onder de voorwaarde dat het materiaal alleen wordt gebruikt voor de belastingheffing en dus niet voor strafrechtelijke vervolging dan wel beboeting.

Verzoek aan het EHRM

Daarop besloot belanghebbende de zaak aan het Europees Hof van de Rechten van de Mens (hierna: het Hof) voor te leggen. Die klacht luidde dat de verplichting informatie te verstrekken op straffe van een dwangsom terwijl de belastingdienst al substantiële boetes had opgelegd, in strijd is met het nemo-teneturbeginsel. Subsidiair klaagde belanghebbende over het feit dat er geen wettelijke waarborgen bestaan tegen het gebruik van informatie dat op deze wijze is verkregen. Het antwoord van het Hof was echter kort: beide klachten werden niet-ontvankelijk verklaard. Gelet op de belangen (en niet alleen die van belanghebbende) een zeer teleurstellende uitspraak.

Ten aanzien van de primaire klacht oordeelde het Hof dat de Belastingdienst bevoegd was in het kader van de belastingheffing informatie van belanghebbende af te dwingen dat niet op een andere wijze kon worden verkregen dan van belanghebbende zelf. Van een onherroepelijk oordeel ten aanzien van enige “criminal charge” in de vorm van boetes dan wel van strafrechtelijke vervolging, was echter in onderhavig geval nog geen sprake. Voorts was er voor het Hof geen reden aan te nemen dat in toekomstige procedures niet aan de voorwaarden van artikel 6 EVRM zou worden voldaan. Onder deze omstandigheden zijn de arresten J.B., Shannon en Chambaz niet van toepassing, aldus het Hof.

Ten aanzien van de subsidiaire klacht was het Hof kort. Volgens het Hof had de Hoge Raad deze lacune in de wet erkend en daarop een regel in het leven geroepen die kan doorgaan als wettelijke waarborg. Voorts zag het Hof niet in dat de rechten van belanghebbende die voortvloeien uit het EVRM, niet adequaat werden beschermd. Er was namelijk nog geen sprake van een onherroepelijke uitspraak ten aanzien van het gebruik van onder dwang verkregen informatie van belanghebbende dat als basis voor de vaststelling van de “criminal charge” heeft gediend.

Om kort te gaan, belanghebbende heeft volgens het Hof in dit stadium van de procedure nog niets “tastbaars” in de zin van een definitieve uitspraak die belanghebbende treft in zijn grondrechten en mitsdien geen belang dat noopt tot een uitspraak van het Hof op de door belanghebbende aangedragen gronden. Het is spijtig dat het Hof tot dit oordeel is gekomen, aangezien de beantwoording van de voorgelegde vragen menig fiscaal geëngageerd persoon bezig houdt. Het is dan ook slechts een kwestie van tijd voordat deze vraag opnieuw aan het Hof wordt voorgelegd en er wel duidelijkheid wordt c.q. zal moeten worden geschapen. Zowel de uitspraak van de Hoge Raad als die van het Hof laten immers voldoende ruimte voor discussie.

Heffingsbelang

In de uitspraak herhaalt het Hof dat de Belastingdienst bevoegd is informatie van belanghebbende af te dwingen dat niet op een andere wijze dan van belanghebbende verkregen kan worden, “for the purpose of levying taxes and interest in accordance with the applicable tax legislation”. De gevraagde gegevens moeten dus van belang zijn voor de belastingheffing ingevolge de betreffende belastingwetten. Oftewel, er moet een heffingsbelang zijn. Artikel 47 AWR schrijft immers enkel voor dat desgevraagd de gegevens en inlichtingen verstrekt dienen te worden “welke voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn”. In mijn ogen staat niet zonder meer vast dat dat ten aanzien van de documenten van de Stiftung het geval is. Immers heeft het stichtingsbestuur zèlf bepaald dat niet wordt voldaan aan het informatieverzoek vanwege de schending van de geheimhoudingsplicht. Daaruit zou kunnen worden afgeleid dat bij oprichting van de Stiftung alle beheersrechten zijn overgedragen aan het stichtingsbestuur. Was dat niet het geval geweest, dan had belanghebbende immers het stichtingsbestuur opdracht kunnen geven de stukken te verstrekken. En als sprake is van overdracht van alle beheersbevoegdheden ten aanzien van vermogen aan een derde partij, kan worden gesproken van een volledig afgescheiden vermogen. Het staat naar mijn mening dus ook niet zonder meer vast dat er een heffingsbelang is. Overigens, uit de arresten van de Hoge Raad d.d. 12 juli 2013 en 24 april jl.[3] kan worden afgeleid dat ook de Hoge Raad van mening is dat er een heffingsbelang moet zijn. Immers verwijst de Hoge Raad naar artikel 47 AWR, waarin het heffingsbelang is geïncorporeerd, en concludeert dat de belastingplichtige onder last van een dwangsom kan worden veroordeeld al het materiaal te verschaffen dat van belang kan zijn voor een juiste belastingheffing. De Staat moet alleen wel aannemelijk te maken dat de betrokkene de gegevens en inlichtingen daadwerkelijk kan verstrekken. Het kort geding mag dus niet worden gebruikt als ‘fishing expedition’.

Interessant is vervolgens de vraag welke rechter het heffingsbelang moet beoordelen: de rechter die de verplichting oplegt om de stukken te verstrekken onder last van een dwangsom, de rechter in het executiegeschil, de belastingrechter of misschien wel de strafrechter? Ik heb niet de indruk dat de voorzieningenrechter deze toets überhaupt aanlegt, hetgeen op zijn minst mag worden verwacht gelet op de impact van een beslissing gegevens te verstrekken op straffe van een hoge dwangsom. De vraag is echter of de voorzieningenrechter c.q. civiele rechter voor het bepalen van het heffingsbelang voldoende “fiscaal is uitgerust”. Hoewel mogelijk in mindere mate, geldt dat ook voor de strafrechter. Waarbij overigens opgemerkt wordt dat het heffingsbelang, dat mijns inziens in elke stand van het geding getoetst dient te worden, uiteraard verder gaat dan alleen het materiële belang.

Hebben we de vraag van het heffingsbelang gehad, dan dient zich, zoals gebruikelijk, weer een nieuwe vraag aan. Zo heeft de Inspecteur in de zaak van belanghebbende ook informatiebeschikkingen uitgevaardigd. Zou definitief vast komen te staan dat er een heffingsbelang is en dat belanghebbende gehouden is de dwangsommen te voldoen omdat hij niet aan artikel 47 AWR heeft voldaan, en de belastingrechter stelt eveneens vervolgens vast dat niet is voldaan aan de inlichtingenplicht van artikel 47 AWR met omkering van de bewijslast als gevolg, zou men zich kunnen afvragen of dit in strijd is met het ne bis in idem-beginsel. De vraag is dan of de dwangsom als boete in de zin van artikel 6 EVRM kwalificeert. Evenmin een eenduidig te beantwoorden vraag, gelet op het feit dat het Hof de dwangsom als “penalty payments” betitelt. Kortom, de strijd is nog lang niet gestreden. Er is nog een lange weg te gaan!

 

[1] EHRM d.d. 9 juli 2015, Van Weerelt vs. De Nederlandse Staat, nr. 784/14

[2] Hoge Raad 12 juli 2013, 12/01880, ECLI:NL:HR:2013:BZ3640

[3] Daaronder Hoge Raad d.d. 24 april 2015, nr. 14/02414, ECLI:NL:HR:2015:1129.

 

 

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling wegens opdracht en feitelijk leiding geven aan het opzettelijk indienen van valse belastingaangiften OB tnv rechtspersoon die alleen voor het plegen van fraude was opgericht

Rechtbank Amsterdam 23 september 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:6624 In de ten tenlastegelegde periode zijn ten name van bedrijf 1 CV onjuiste belastingaangiften omzetbelasting ingediend. Hoewel de inhoud van de aangiften dit wel doet vermoeden, hebben binnen bedrijf 1 CV (vrijwel) geen bedrijfsactiviteiten plaatsgevonden. Dit betekent dat de rechtspersoon feitelijk geen goederen en diensten heeft afgenomen van leveranciers en in het kader daarvan dus geen omzetbelasting aan leveranciers heeft betaald. Zowel de facturen waarin wordt voorgewend dat bedrijf 1 CV aankopen verricht als de facturen waarin wordt voorgewend dat bedrijf 1 CV verkopen verricht aan ICT-bedrijven in Finland zijn vals, evenals de bijbehorende bankafschriften en vervoersbewijzen.

In de belastingaangiften voor de omzetbelasting is dan ook telkens een te hoog en fictief bedrag aan voorbelasting vermeld. Het resultaat hiervan is dat de aangiften sloten op te hoge terug te vragen bedragen, met het doel om de Belastingdienst te bewegen tot het ten onrechte uitkeren van belastinggeld. Dit strekte ertoe dat te weinig belasting werd geheven in de zin van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. (vlg. ECLI:NL:RBAMS:2010:2543 en ECLI:NL:RBUTR:2012:BW0949)

Strafbaarheid van bedrijf 1 CV

Voor het vaststellen van de strafbaarheid van bedrijf 1 CV is nodig het toerekenen aan de rechtspersoon van de strafbare gedragingen en het opzet daarop. Vaststaat dat de vervalsing van de facturen en de indiening van de aangiften zijn verricht op naam van bedrijf 1 CV. De genoemde strafbare gedragingen zijn verricht in de sfeer van bedrijf 1 CV en kunnen in redelijkheid aan de rechtspersoon worden toegerekend. Omdat ten behoeve van de rechtspersoon opzettelijk een onjuiste administratie ter beschikking is gesteld, welke ten grondslag heeft gelegen aan de ingediende belastingaangiften, kan ook het opzet op de strafbare gedragingen aan de rechtspersoon worden toegerekend. Dit betekent dat bedrijf 1 CV kan worden aangemerkt als dader van het doen van onjuiste belastingaangiften voor de omzetbelasting.

Strafbaarheid van verdachte als opdrachtgever en feitelijk leidinggever

Voor de beoordeling van de vraag of verdachte als opdrachtgever en/of feitelijk leidinggever strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gehouden voor de strafbare gedragingen van bedrijf 1 CV, is relevant of hij van die gedragingen op de hoogte is geweest en mogelijkheid heeft gehad om deze te beëindigen.

Op basis van het dossier, waaronder de bekennende verklaring van verdachte, kan worden bewezen dat ten tijde van het doen van de onjuiste belastingaangiften de feitelijke positie van verdachte dusdanig was, dat hij als opdrachtgever en feitelijk leidinggever van de aan bedrijf 1 CV toegerekende strafbare gedragingen moet worden aangemerkt. Hierbij heeft de rechtbank onder meer in ogenschouw genomen de betrokkenheid van verdachte bij i) het opzettelijk opmaken van valse facturen en valse bankbescheiden, ii) het telkens ter beschikking stellen van een onjuiste administratie aan de administrateur voor het doen van belastingaangifte en iii) het ter beschikking stellen van die valse geschriften en onjuiste administratie voor het boekenonderzoek door de Belastingdienst, alsmede zijn wetenschap over het strafbare karakter van deze handelingen. Verdachte heeft niet alleen, hoewel daartoe bevoegd en redelijkerwijs gehouden, maatregelen ter voorkoming van de strafbare gedragingen van de rechtspersoon achterwege gelaten, maar deze gedragingen juist willens en wetens verricht.

De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat het ten laste gelegde feit kan worden bewezen.

Bewezenverklaring

Feitelijk leiding geven aan het opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

Gevangenisstraf van 24 maanden.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Column: Zwartspaarders met rekening in Zwitserland voelen de druk toenemen

Door mr. V.S. (Vanessa) Huygen van Dyck-Jagersma (Jaeger Advocaten-belastingkundigen)

De Nederlandse fiscus vraagt aan Zwitserse banken informatie over (bijna) alle Nederlandse zwartspaarders. Nu zijn zogenaamde ‘groepsvragen’ gesteld aan de UBS. Zelfs als die vragen te ruim zijn gesteld en Zwitserland ze daarom niet gaat beantwoorden, bestaat een risico dat informatie over de zwartspaarder via een omweg toch op het bordje van de fiscus terecht komt. Van buitenlandse (niet Zwitserse) spaarders kunnen namelijk naam en toenaam in het Bundesblatt worden gepubliceerd. Is er dan echt geen andere uitweg meer mogelijk dan zo snel mogelijk alsnog inkeren?

Fiscus vraagt informatie aan Zwitserland en dreigt zwartspaarders

De Nederlandse Belastingdienst heeft over een grote groep spaarders aan de Zwitserse UBS informatie gevraagd. De Belastingdienst weet niet over wie het gaat. De gevraagde informatie betreft iedereen die meer dan €1.500 heeft of heeft gehad. Dat is dus extreem ruim en ruikt naar een fishing expeditie: te vaag. Nederland baseert dit verzoek op een Verdrag met Zwitserland over fiscale gegevensuitwisseling uit 2011. Maar in dat verdrag is niets over groepsverzoeken geregeld.

Op basis van het Verdrag kan informatie over met name genoemde personen worden verkregen over banksaldi vanaf 1 maart 2010. Nederland stelt bijvoorbeeld vragen op basis van informatie uit FIOD-onderzoek naar betalingen met buitenlandse bankkaarten (‘zwarte’ creditcards en debetcards). Dit kan bovendien leiden tot een witwasvervolging en vergaande voordeelsontneming.

De fiscus dreigt dat wie niet alsnog zichzelf ‘vrijwillig’ meldt, een boete van 300% boven het hoofd hangt. Zolang de naam van een individuele zwartspaarder nog niet bij de Belastingdienst bekend is - althans hij of zij dat nog niet hoeft te weten – is in principe inkeer nog mogelijk.

Mag dat?

Maar mag Nederland deze informatie (verdragsrechtelijk) wel vragen? In 2014 is het met terugwerkende kracht vanaf 1 februari 2013 op grond van de Zwitserse wet over ‘internationale Amtshilfe in Steuersachen’ mogelijk voor buitenlandse fiscale autoriteiten om een ‘groepsverzoek’ te doen aan Zwitserse banken. Een nadere Zwitserse regeling bepaalt dat het wel om een ‘gedetailleerd omschreven’ groep moet gaan. Daarvóór was alleen een individueel informatieverzoek mogelijk over geïdentificeerde personen. Qua periode zou de als ‘groepsverzoek’ gevraagde informatie dus kunnen worden verstrekt.

Een groepsverzoek zou dan echter wel in ieder geval de volgende informatie moeten bevatten:

  • een gedetailleerde beschrijving van de groep;
  • een gedetailleerde beschrijving van de feiten en omstandigheden op basis waarvan het verzoek wordt gedaan;
  • een duidelijke en bewijsbare veronderstelling dat de spaarders binnen de groep hun vermogen niet in hun Nederlandse belastingaangifte hebben opgegeven.

Geldt niet voor Nederland

Hoewel de Zwitserse wet het dus mogelijk maakt om groepsverzoeken te doen, is dit niet mogelijk op basis van het verdrag met Nederland. In dat verdrag is uitsluitend nog geregeld dat individuele informatieverzoeken kunnen worden gedaan. Een nieuw verdrag of aanvullend protocol van ná Zwitserse wetswijziging is niet gesloten. Pas na invoering, vermoedelijk per 2018, van de overeenkomst tussen Zwitserland en de Europese Unie, gaat de nieuwe mogelijkheid om groepsverzoeken ook voor Nederland gelden. 

Vissen mag niet

Zwitserland hoeft informatie niet te verstrekken als het verzoek te ruim is en daarom als ‘hengelen’ (fishing) wordt aangemerkt. De Zwitserse wet bepaalt uitdrukkelijk dat een informatieverzoek dat fishing inhoudt (‘Beweisausforschung’) niet wordt ingewilligd. Vissend ontvangt de Nederlandse fiscus dus geen informatie.

Maar waar ligt de grens tussen een ‘groepsverzoek’ en vissen? Voor het antwoord daarop kan worden gekeken waar Nederland – op dit moment – verdragsrechtelijk recht op heeft:

  • wel op informatie op verzoek,
  • niet op spontane informatieuitwisseling.

Als het verzoek zodanig ruim wordt geformuleerd dat eigenlijk wordt gevraagd: geef ons ‘spontaan’ gegevens over alle Nederlandse zwartspaarders, dan is een grens bereikt.

De door Nederland gevraagde informatie is zodanig breed dat – als een groepsverzoek wel mogelijk was geweest – dit zou moeten afstuiten op het visverbod. Nederland vraagt informatie over iedereen die:

  • een rekening had bij de UBS;
  • ergens in de jaren 2013-2014 meer dan € 1.500 op zijn rekening heeft gehad;
  • in Nederland woonde;
  • een brief heeft gehad van de UBS met de mededeling dat de rekening gesloten zal worden tenzij het vermogen netjes is opgegeven;
  • en daarop niet heeft gereageerd.

Oftewel: alle resterende zwartspaarders.

Publicatie in Zwitserse staatsblad dreigt?

De UBS heeft zijn rekeninghouders eerst zelf benaderd. De Belastingdienst wacht die informatie af. De Zwitserse overheid heeft vervolgens besloten dat die procedure openbaar moet worden gemaakt: dat kan leiden tot het met naam en toenaam vermelden van de individuele Nederlandse spaarders in de Zwitserse staatsblad (Bundesblatt). Dat zou niet voor het eerst zijn.

De Zwitserse autoriteiten hebben nu de spaarders geïnformeerd dat over hen informatie is gevraagd. Spaarders kunnen met een formuliertje ermee instemmen dat de gegevens over hen aan de Nederlandse Belastingdienst wordt verstrekt.

Catch-22?

Publicatie is zogenaamd niet bedoeld om mensen te plagen, maar om de betrokkenen in staat te stellen bezwaar te maken tegen informatieverstrekking aan Nederland. Dat is onnodig voor degenen van wie het adres bekend is. Wie niet in Zwitserland woont kan via publicatie in het Bundesblatt erop gewezen worden dat hij of zij bezwaar kan maken tegen informatieverstrekking. Maar dan weet ook de Nederlandse fiscus met naam en toenaam om wie het gaat.

Die publicatie in het Bundesblatt zal echter alleen plaatsvinden als de zwartspaarder én geen gemachtigde heeft in Zwitserland, én bovendien niet op andere manier niet bereikt kan worden door de Zwitserse autoriteiten. De betreffende zwartspaarders hebben een brief gehad van de UBS, dus kennelijk zijn ze in ieder geval voor de UBS vindbaar. De UBS vraagt ze hierin om alsnog een gemachtigde te kiezen of een actueel adres in Zwitserland door te geven. Dit zal een risico op publicatie uitsluiten. De UBS waarschuwt dat als niet op zijn brief wordt gereageerd, rekening moet worden gehouden met publicatie ‘op anonieme basis’.

Alleen uitstel, geen afstel

De UBS zou ontkennen dat het zwartspaarders gaat verklikken aan de fiscus. Wie niets doet, zal ‘alleen maar’ zijn rekening opgeheven zien per eind 2015: dan raakt de spaarder zijn geld kwijt.

De Europese Unie en Zwitserland hebben bovendien in mei van dit jaar een overeenkomst gesloten over het automatisch uitwisseling uiterlijk per 2018. Zwitserland gaat vanaf dan automatisch, dus zonder verzoek, gegevens uitwisselen over spaarders. Deze afspraken gaan volgens de huidige stand van zaken tot één jaar terug. De informatie die in dat kader gaat worden uitgewisseld gaat dus over de periode vanaf 2017. Als de rekening er in 2017 nog steeds is, dan ligt die informatie in ieder geval alsnog bij de Nederlandse Belastingdienst ‘op straat’.

De door de Nederlandse Belastingdienst aan de UBS gevraagde informatie lijkt veel te ruim en te vaag. De kans is zeer reëel dat het informatieverstrekking als vissen zal worden aangemerkt en om die reden uiteindelijk niet aan Nederland zal worden verstrekt. Het risico van openbare publicatie in het Bundesblatt is misschien wel groter maar kan worden voorkomen door tijdig een gemachtigde in Zwitserland aan te wijzen. Maar uiteindelijk zal Zwitserland vanaf in ieder geval 2017 automatisch gegevens gaan uitwisselen en lijkt op termijn inkeer - of ontdekking door de fiscus - onontkoombaar. 

 

 

Print Friendly and PDF ^

HR herhaalt overwegingen mbt fiscale administratie-en bewaarplicht (art. 52 AWR)

Hoge Raad 6 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2920 Ten laste van de verdachte is onder A, B en C telkens bewezenverklaard dat verdachte in de periode van 1 april 2005 tot en met 14 april 2006 geen administratie heeft gevoerd overeenkomstig de daaraan bij of krachtens de Belastingwet gestelde eisen, terwijl hij daartoe ingevolge de Belastingwet, te weten art. 52 AWR, verplicht was.

Feit A behelst het niet opnemen, en/of verwerken, en/of voorhanden hebben van (kopie-)verkoopfacturen in de bedrijfsadministratie. Feit B en C zien op het opnemen en/of verwerken en/of voorhanden hebben van (kopie-)inkoopfacturen en (kopie-) vrachtbrieven waarop in strijd met de waarheid een ander dan verdachte als geadresseerde en/of inkoper en/of ontvanger van goederen staat vermeld.

Verdachte is bij arrest van 10 september 2013 door het Gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeeld tot negen maanden gevangenisstraf.Middel

Het derde middel is gericht tegen de bewezenverklaring onder B en C en klaagt dat het oordeel van het Hof dat de verdachte niet een administratie overeenkomstig de daaraan bij of krachtens de Belastingwet gestelde eisen heeft gevoerd, onjuist is, althans dat dat oordeel ontoereikend is gemotiveerd.

Beoordeling Hoge Raad

Het Hof heeft het onder B en C bewezenverklaarde gekwalificeerd als het "misdrijf voorzien bij artikel 68, tweede lid en onder d, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en strafbaar gesteld in artikel 69, eerste lid, van die wet, zoals die bepalingen luidden ten tijde van de bewezenverklaarde tijdstippen".

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 22 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR8030, geoordeeld dat van de aan de fiscale administratieplicht als bedoeld in art. 52 AWR gekoppelde bewaarplicht onjuiste of valse stukken niet zijn uitgezonderd. In het licht van dit arrest getuigt het oordeel van het Hof dat de verdachte door het opnemen en/of verwerken en/of voorhanden hebben in de administratie van in strijd met de waarheid opgemaakte (kopie-) inkoopfacturen en vrachtbrieven niet een administratie overeenkomstig de bij of krachtens de Belastingwet gestelde eisen heeft gevoerd, van een onjuiste rechtsopvatting.

Het middel slaagt.

De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak en wijst de zaak terug naar het Gerechtshof 's-Hertogenbosch, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Conclusie AG

In de toelichting op het middel wordt gewezen op een uitspraak van de Hoge Raad van 22 februari 2005 (ECLI:NL:HR:2005:AR8030) welke inhoudt, voor zover van belang:

“3.6. Blijkens de wetsgeschiedenis heeft de wetgever bij het regelen van de fiscale administratieplicht en van de daaraan gekoppelde bewaarplicht het oog gehad op het vastleggen en bewaren van gegevens betreffende de vermogenstoestand van de administratieplichtige als bedoeld in art. 52 AWR en van al hetgeen zijn bedrijf, beroep of werkzaamheid betreft, voorzover daaruit van het bestaan van rechten en verplichtingen van de administratieplichtige alsmede van voor de belastingheffing overigens van belang zijnde feiten kan blijken. Uit de wetsgeschiedenis blijkt voorts dat de bewaarplicht zich niet alleen uitstrekt tot gegevens die voor de belastingheffing van de administratieplichtige zelf van belang kunnen zijn, maar ook tot gegevens die van belang kunnen zijn voor de belastingheffing van derden. Van die bewaarplicht zijn onjuiste of valse stukken als waarvan hier sprake is, niet uitgezonderd. (…)”

De Hoge Raad heeft hierin uitdrukkelijk overwogen dat ook onjuiste of valse stukken onder de bewaarplicht van art. 52 AWR vallen, hetgeen meebrengt dat het opnemen daarvan in de administratie in overeenstemming is met een ‘krachtens de Belastingwet gestelde eis’. Gelet daarop wordt in het middel terecht geklaagd over het oordeel van het hof dat het door verdachte opnemen van genoemde valse documenten in de bedrijfsadministratie het strafbare feit oplevert van het niet voldoen aan de administratieplicht. Daaraan heeft hij immers wel voldaan. Wel heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift doordat hij gebruik heeft gemaakt van valse documenten als bedoeld in arr. 225 lid 2 Sr, maar dat is niet ten laste gelegd.

Het middel slaagt.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^