Wrakingsverzoek in artikel 12 Sv-procedure strandt wegens tardieve indiening en gebrek aan vooringenomenheid

Gerechtshof Amsterdam 5 februari 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:3689

Gerechtshof Amsterdam verklaart wrakingsverzoek van verzoekster in een artikel 12 Sv-procedure ongegrond. Het verzoek is te laat ingediend: pas negen dagen na de zitting waarop de beweerde vooringenomenheid zou zijn gebleken. De gestelde wrakingsgronden, zoals het afwijzen van aanhouding en kritische vragen ter zitting, leveren geen partijdigheid op. Aanwezigheid van OM-stagiaires en de advocaat-generaal past binnen normale beklagprocedures en duidt niet op schijn van partijdigheid. Het hof acht het wrakingsmiddel misbruikt om de procedure te vertragen; dit is het derde ongegronde verzoek. Daarom wordt ook een wrakingsverbod opgelegd: verdere wrakingsverzoeken in deze zaak worden niet meer behandeld.

Context van de zaak

De zaak betreft een beklagprocedure ex artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering, ingesteld door een natuurlijke persoon (verzoekster) tegen een sepotbeslissing van het Openbaar Ministerie d.d. 6 oktober 2022. Verzoekster heeft aangifte gedaan van mishandeling en poging tot doodslag jegens een derde (beklaagde), waarna het OM besloot niet tot vervolging over te gaan. Hiertegen richt verzoekster zich in de vorm van een artikel 12 Sv-klacht.

In het kader van deze procedure zijn meerdere verzoeken tot aanhouding gedaan, deels toegewezen. Op 25 juli 2024 en 12 september 2024 zijn zittingen van de beklagkamer gepland geweest, waarbij verzoekster twee maal een wrakingsverzoek heeft ingediend. Beide verzoeken zijn bij afzonderlijke beslissingen ongegrond verklaard. De onderhavige beslissing betreft het derde wrakingsverzoek, gericht tegen de drie raadsheren van de beklagkamer die op 12 december 2024 zitting hielden in de hoofdzaak.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie is in de wrakingsprocedure vertegenwoordigd door mr. M. Steinmetz, advocaat-generaal bij het gerechtshof Amsterdam. Het OM verzet zich tegen de gegrondverklaring van het wrakingsverzoek en wijst erop dat er geen sprake is van schending van de rechterlijke onpartijdigheid. Bovendien wordt erop gewezen dat eerdere wrakingsverzoeken in dezelfde procedure ongegrond zijn verklaard, hetgeen de kans op misbruik van procesrecht vergroot.

Standpunt van de verdediging

Verzoekster stelt in haar schriftelijk wrakingsverzoek van 21 december 2024 en in haar nadere toelichting van 19 januari 2025 dat de betrokken raadsheren blijk hebben gegeven van vooringenomenheid. Zij voert daartoe onder meer aan dat:

  • haar verzoek tot aanhouding van de zitting op 12 december 2024 ten onrechte is afgewezen;

  • het verzoek tot bijwonen van de zitting per videoverbinding ten onrechte is afgewezen;

  • haar op de zitting is verweten dat zij niet aanwezig was;

  • haar is verweten dat zij pas geruime tijd na het incident aangifte heeft gedaan;

  • hoge ambtenaren van het Openbaar Ministerie steunbetuigingen hadden opgesteld en aanwezig waren bij de besloten zitting;

  • het verzoek tot het horen van tien getuigen is afgedaan op wijze die wijst op vooringenomenheid.

Oordeel van het gerechtshof

Het gerechtshof oordeelt allereerst dat het wrakingsverzoek tardief is ingediend. De feiten en omstandigheden waarop het verzoek is gebaseerd, dateren van de zitting van 12 december 2024. Verzoekster dient het verzoek pas op 21 december 2024 in. Een vertraging van negen dagen is in strijd met artikel 513 Sv, waarin is bepaald dat het verzoek moet worden gedaan zodra de wrakingsgronden bekend zijn. De door verzoekster aangedragen verklaring – onder meer late communicatie met haar advocaat – is onvoldoende om de termijnoverschrijding te rechtvaardigen. Desondanks besluit de wrakingskamer het verzoek inhoudelijk te behandelen, gelet op het voornemen tot het opleggen van een wrakingsverbod.

Inhoudelijk constateert de wrakingskamer dat de aangevoerde gronden onvoldoende zijn om te spreken van vooringenomenheid of de objectief gerechtvaardigde schijn daarvan. De processuele beslissingen (zoals het afwijzen van aanhouding en videoverbinding) zijn gemotiveerd genomen en binnen de beoordelingsvrijheid van de beklagkamer. Het stellen van kritische vragen tijdens de zitting over de aanwezigheid van verzoekster, het tijdsverloop bij het doen van aangifte en het nut van het horen van getuigen, wordt aangemerkt als onderdeel van het reguliere rechterlijk onderzoek. Hieruit blijkt geen partijdigheid.

Voorts wordt betwijfeld dat er sprake was van de aanwezigheid van ‘hoge ambtenaren’ van het Openbaar Ministerie. Slechts twee medewerkers/stagiaires van het ressortsparket waren aanwezig op grond van een bijzondere machtiging, evenals de advocaat-generaal. Hun aanwezigheid is in lijn met de gebruikelijke procedure in beklagzaken. De uitgebrachte adviezen namens de hoofdofficier en de advocaat-generaal gelden als zienswijzen van het OM en niet als ‘steunbetuigingen’ in de zin zoals door verzoekster betoogd.

Het gerechtshof overweegt dat het wrakingsmiddel door verzoekster inmiddels voor de derde maal is ingezet op soortgelijke gronden, zonder succes, hetgeen leidt tot onaanvaardbare vertraging in de procedure. Het hof acht dit misbruik van procesrecht.

Zij bepaalt dat een volgend verzoek tot wraking in deze zaak niet meer in behandeling zal worden genomen. Daarmee legt het hof een zogenoemd wrakingsverbod op, teneinde verdere procesobstructie te voorkomen.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^