Rechterlijke ongehoorzaamheid?
/Rechtbank bepaalt strafmaat op grond van eigen algemene uitgangspunten in plaats van de geldende (LOVS) oriëntatiepunten.[1]
mr. Leo Nuis[2]
Schiphol II uitspraak
Op 2 december 2025 wees de rechtbank Noord-Holland vonnis in een zaak tegen een verdachte die op 27 mei 2025 op Schiphol bijna 5 kilo cocaïne had ingevoerd vanuit Colombia en legde hem een gevangenisstraf op van 24 maanden.[3]
De rechtbank overweegt dat zij zich bij het bepalen van de straf voor drugskoeriers vrijwel steeds de geldende oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) als uitgangspunt heeft gehanteerd. Daarin is voor de in-/uitvoer van harddrugs bij een hoeveelheid van 4000 tot 5000 gram bij de categorie ‘standaard’ een gevangenisstraf voor de duur van 36 tot 38 maanden als oriëntatiepunt geformuleerd.
De oriëntatiepunten voor straftoemeting[4] zijn door het LOVS in overleg, na consultatie en in samenwerking met de strafrechters van de rechtbanken en de gerechtshoven ontwikkeld voor vaak voorkomende delicten en sluiten aan bij de bestaande praktijk. Zij worden op voorstel van de Commissie Rechtseenheid vervolgens door het LOVS vastgesteld. Na vaststelling worden zij gepubliceerd op de website www.rechtspraak.nl Zij bieden de rechter een handvat en de mogelijkheid om zich op te oriënteren bij het bepalen van de op te leggen straf. Een gerecht kan het initiatief nemen een gesignaleerde, gewijzigde zienswijze aan te kaarten bij de Commissie Rechtseenheid die op haar beurt het landelijk gevoelen daaromtrent kan peilen en eventueel een voorstel kan doen aan het LOVS. Een aanpassing van de oriëntatiepunten kan daar dan op volgen. Het doel van het LOVS is bevordering van de rechtseenheid, rechtszekerheid, deskundigheid en verbetering van werkprocessen. De Commissie Rechtseenheid evalueert ook zelf periodiek of de oriëntatiepunten nog voldoende aansluiten bij de praktijk of dat hierin wijzigingen moeten worden aangebracht. Op zich binden de oriëntatiepunten de individuele strafrechter in een concrete strafzaak niet. Aan de strafrechter komt van oudsher al een grote mate van sanctie- / straf- toemetingsvrijheid toe. Die vrijheid staat vrijwel nooit ter discussie en mag als vast uitgangspunt worden beschouwd.
De rechtbank onderschrijft in haar vonnis de generale preventie die van de straf moet uitgaan om potentiële nieuwe daders zoveel mogelijk van in-/uitvoer van harddrugs te weerhouden. De rechtbank is daarbij van oordeel dat er al enige tijd een disbalans bestaat tussen de hoogte van gevangenisstraffen die worden opgelegd aan op de luchthaven aangehouden drugskoeriers, en de hoogte van gevangenisstraffen die worden opgelegd aan verdachten die zich hebben beziggehouden met (de organisatie van) vervaardiging, handel, in- en/of uitvoer van (zeer) grote hoeveelheden harddrugs. In tegenstelling tot deze laatste groep, zo redeneert de rechtbank, hebben de koeriers die via Schiphol reizen een relatief kleine hoeveelheid drugs bij zich en is hun aandeel in de smokkel in de regel beperkt tot het enkele vervoer ervan. Desondanks worden deze drugskoeriers verhoudingsgewijs aanmerkelijk zwaarder gestraft dan verdachten die worden berecht voor smokkel van, al dan niet in georganiseerd verband, grote hoeveelheden drugs. Deze disbalans is, volgens de rechtbank, in de afgelopen jaren verder vergroot door tussen het openbaar ministerie en de verdediging gemaakte procesafspraken, die als het afdoeningsvoorstel wordt gevolgd doorgaans leidt tot een aanzienlijk lagere straf dan zonder de gemaakte proces- afspraken zou zijn opgelegd. Hierin ziet de rechtbank aanleiding de straffen voor drugskoeriers te matigen. De rechtbank formuleert tot slot (voorlopige) algemene uitgangspunten en pretendeert hiermee te komen tot meer maatwerk bij de bestraffing van drugskoeriers, omdat het in veel gevallen gaat om verdachten die kwetsbaar zijn door hun slechte persoonlijke omstandigheden en die (mede) onder invloed daarvan tot het plegen van hun misdrijf zijn gekomen. Er wordt telkens gesproken over de categorie drugskoeriers die via Schiphol reizen met een relatief kleine hoeveelheid drugs. De eigen uitgangspunten beperken zich overigens niet tot de kleinere hoeveelheden (voor zover 5 kg daar al onder gebracht kan worden) maar lopen zelfs op tot maar liefst 20 kilo harddrugs.
In haar vonnis constateert de rechtbank voorts dat het door de verdediging aangevoerde (niet onderbouwde) scenario ten aanzien van de vermeende bedreiging en dwang (om drugs te vervoeren naar Nederland omdat hij -de verdachte- onverzekerd heeft gereden en onder die omstandigheid een ongeluk heeft gehad ten gevolge waarvan hij mogelijk iets verschuldigd zou zijn) onvoldoende aannemelijk is geworden. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om hier in het voordeel van de verdachte rekening mee te houden. Ook de overige persoonlijke omstandigheden (minderjarige kinderen in Colombia) zijn naar het oordeel van de rechtbank niet van dusdanig bijzondere aard dat zij reden ziet daar in de straftoemeting in het voordeel van de verdachte gevolgen aan te verbinden.
Ondermijning rechtseenheid?
De vraag die hier naar mijn mening moet worden beantwoord is of een rechtbank in algemene zin haar eigen uitgangspunten mag formuleren die niet in de pas lopen met de landelijk geldende oriëntatiepunten, waarmee zij de rechtseenheid en de rechtszekerheid op het gebied van de straftoemeting ondermijnt?
Schoep en Schuyt wierpen in 2005 al de vraag op of het wenselijk is dat naast landelijke oriëntatiepunten ook lokale (blijven) bestaan. Zij merkten daarbij op dat in elk geval in die situaties wel gemotiveerd moet worden waarom een bepaalde rechtbank standaard afwijkt van het landelijke oriëntatiepunt.[5]
Zeker nu er in de besproken zaak behalve dat het gaat om een drugskoerier die op Schiphol is geland in wezen om een standaard zaak gaat in de zin van de oriëntatiepunten van het LOVS (rechtbank overweegt zelf dat er geen omstandigheden zijn om bij het opleggen van de straf rekening mee te houden). De kwalificatie “maatwerk” is hier dan ook niet echt op zijn plaats en biedt geen basis om af te wijken van de landelijke oriëntatiepunten. Ook het feit dat het hier ‘’slechts’’ ging om vervoer maakt het niet anders. In deze zaak gaat het namelijk om het binnen het grondgebied van Nederland brengen en dat wordt nu eenmaal als invoer gekwalificeerd; hetgeen ook door de rechtbank in die zin bewezen is verklaard. Het lijkt een beetje op een aanloop naar het hanteren van een mildere straf met het oog op een in haar -de rechtbank- ogen minder ernstig feit (wetgever heeft op invoer in artikel 2 sub A van de Opiumwet een maximum straf gesteld van 12 jaren en op vervoeren in artikel 2 sub B van de Opiumwet een straf van 8 jaren.
De concrete omstandigheden van het specifieke geval kunnen door de rechter altijd verdisconteerd worden in de straf zoals ik hierboven al beschreef en daarvan staan er ook een aantal als straf verlichtend in de oriëntatiepunten vermeld); daarvoor is niet nodig een aparte, van de landelijke oriëntatie punten afwijkende eigen uitgangspunt te formuleren; dat doet afbreuk aan het zorgvuldig tot stand gekomen uniforme, landelijke sanctioneringsbeleid en staat haaks op de beoogde consistente straftoemeting.[6] Die haar legitimatie juist vindt in een min of meer langdurige en consistente straftoemeting door de rechtbanken en gerechtshoven.[7] Lensing constateert dat van lokale lijstjes van gerechten voor de straftoemeting in de loop der jaren een groei is ontstaan naar landelijke oriëntatiepunten. Dat is winst, zo stelt hij.[8] Opnieuw lokale lijstjes invoeren doet afbreuk aan de beoogde rechtseenheid en rechtszekerheid.
Ik vind het zinvol om even terug te gaan in de tijd naar een vergelijkbare kwestie inzake de berechting van schipholzaken en de daarbij gehanteerde eigen richtlijnen van de rechtbank.
Schiphol I -zaak
Op 20 juni 2007 wees de rechtbank Haarlem vonnis[9] in een strafzaak tegen een bolletjesslikker die 758 gram cocaïne had ingevoerd. De officier van justitie eiste 2 jaren gevangenisstraf. De rechtbank volgde haar eigen op 1 september 2003 vastgestelde oriëntatiepunten straftoemeting en legde een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden op en een taakstraf van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis. In hoger beroep legde het hof bij arrest van 24 juli 2007[10] na een eis van de advocaat-generaal van 2 jaren, een gevangenisstraf op voor de duur van 6 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Het hof beriep zich daarbij op de uitzondering die in de oriëntatiepunten werd gemaakt voor Schipholzaken.
In de LOVS- oriëntatiepunten voor drugskoeriers (LOVS: 10-12-2004) werd toen namelijk een voorbehoud gemaakt voor Schipholzaken. Mede door de enorme toestroom van drugskoerier sinds 2003 werden 100% controles op Schiphol uitgevoerd met de bedoeling die toestroom terug te dringen.[11] Aan de luchthaven werd in dit opzicht een bijzondere positie toegekend. De rechtbank Haarlem hanteerde eigen uitgangspunten bij de berechting van deze (enorme) stroom drugskoeriers die ten gevolge van deze wijze van controleren werden opgepakt. Capaciteitsproblemen in de opvolgende (executie) fase werden daarbij ook meegewogen. Voor de invoer van drugs (door pakezels/bolletjesslikkers) werd daarbij aandacht besteed aan de volgende factoren: armoede (gerelateerd aan het land van herkomst), overwicht van de organisatie (bij voorbeeld eerst verstrekken van lening en die vervolgens op te eisen door gebruik te maken van de jeugd, ouderdom of naïviteit van betrokkene) en/of persoonlijke sociale omstandigheden, zoals de operatie van een familielid, de zorg (vaak als alleenstaande ouder) voor kinderen. De straffen die werden opgelegd waren in het algemeen beduidend lager (ongeveer een derde minder) en dan ook nog eens voor een substantieel deel in voorwaardelijke vorm; ook behoorden al dan niet in combinatie met een (geheel of deels) voorwaardelijke gevangenisstraf, taakstraffen tot de opgelegde sanctiemogelijkheden.[12]
Binnen het gerechtshof Amsterdam hield zich sinds 2004 een commissie actief bezig met het spanningsveld tussen de landelijke en Haarlemse oriëntatiepunten voor drugskoeriers. De uitzondering voor de Schipholzaken en daarmee het verschil in rechtseenheid tussen drugskoeriers (bolletjesslikkers) die op Schiphol en die elders in het land worden aangehouden, stond ter discussie.
In zijn arrest van 22 december 2008 overweegt het gerechtshof Amsterdam dat de situatie op Schiphol zodanig is gewijzigd dat van een toestroom van drugskoeriers die eerder een afwijkend standpunt ten aanzien van de straftoemeting rechtvaardigde geen sprake meer is en dat het hof voor deze zaak aansluiting zoekt bij de LOVS-oriëntatiepunten straftoemeting en deze toepassen op drugskoeriers die op of na 4 november 2008 terecht staan.[13]
Deze uitspraken zijn overeenkomstig het door de strafsector van het gerechtshof Amsterdam ingenomen standpunt omwille van de rechtseenheid de LOVS-oriëntatiepunten te hanteren.[14]
Ook de Commissie Rechtseenheid ziet aanleiding de uitzondering voor Schipholzaken nu daarvoor geen rechtvaardiging meer bestaat, te schrappen.[15]
De Hoge Raad heeft op 29 maart 2011 arrest gewezen in een zaak aangaande invoer van 4013,7 gram cocaïne op 23 augustus 2008 te Schiphol.[16] De rechtbank Haarlem heeft de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd van 25 maanden. Het openbaar ministerie is in hoger beroep gegaan en de advocaat-generaal heeft 36 maanden gevorderd. Het hof volgt de advocaat-generaal hierin. In cassatie volgt verwerping van het beroep en vermindering van de opgelegde gevangenisstraf tot 34 maanden vanwege schending van de redelijke termijn.
Gepretendeerde disbalans
De rechtbank Noord-Holland noemt in onderhavige zaak twee oorzaken voor de door haar gesignaleerde disbalans tussen de hoogte van gevangenisstraffen die worden opgelegd aan de op de luchthaven aangehouden drugskoeriers, te weten:
a) de hoogte van gevangenisstraffen die aan verdachten die zich hebben bezig gehouden met aanzienlijk grotere partijen drugs. De gepretendeerde disbalans is niet nader geadstrueerd; dat is jammer. Welke richtlijn of oriëntatiepunten ook worden geraadpleegd de uiteindelijk gehanteerde strafmaat is toegespitst op concrete omstandigheden van het specifieke geval en daarbij heeft de rechter een bepalende stem en hij zal dienen te motiveren hoe hij tot het opleggen van die straf is gekomen. De landelijke oriëntatiepunten kunnen hem daarbij helpen. Op voorhand kan er dus geen sprake zijn van een (niet nader onderbouwde) disbalans.
b) het maken van procesafspraken tussen het openbaar ministerie en de verdediging waaraan uiteindelijk de rechter zijn goedkeuring hecht. Doorgaans leidt dit volgens de rechtbank tot een aanzienlijk lagere straf dan zonder de gemaakte procesafspraken zou zijn opgelegd.
In deze ontwikkelingen (a+b) ziet de rechtbank aanleiding om de straffen voor de drugskoeriers die op de luchthaven Schiphol worden aangehouden te matigen. De rechtbank formuleert haar uitgangspun- ten oplopend tot een gewicht van 20 kilo; niet echt meer een geringe hoeveelheid.
Aard van procesafspraken (kort) nader beschouwd
Procesafspraken in de vorm van een afdoeningsvoorstel leiden tot het opleggen van een lagere straf dan zonder afspraken is niet zo vreemd. Het gaat hier om een categorie zaken sui generis; het zijn op zichzelf staande zaken die zich moeilijk met andere zaken laten vergelijken vanwege het uitzonderlijke vaak complexe karakter, waarvan de (primaire) onderzoeksresultaten aanleiding geven tot het doen van naderonderzoek zoals horen van getuigen in binnen en buitenland enz.. Inmiddels is een werkbaar model vormgegeven waarin de belangen van verdachte zijn geëerbiedigd en de zelfstandige positie van de rechter, die het afdoeningsvoorstel kan toetsen mede op basis van wederkerigheid gemaakte afspraken tussen het openbaar ministerie en de verdediging over verloop van de strafprocedure en/of de afdoening van de strafzaak.[17] De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 27 september 2022[18], aandachtspunten geformuleerd die de strafrechter bij beoordeling van de procesafspraken in acht moet nemen. Een en ander past ook in het doel van de wetgever om zo veel mogelijk te bevorderen dat een adequate justitiële reactie kan worden gegeven op het strafbare gedrag, en dat onjuiste justitiële beslissingen zo veel mogelijk worden voorkomen.[19]
Het streven is er op gericht te komen tot bevorderen van de kwaliteit en effectiviteit van het onderzoek ter zitting doordat de inhoudelijke behandeling kan worden toegespitst op hetgeen het openbaar ministerie en de verdediging verdeeld houdt. Dit leidt tot een beter gestroomlijnde procesgang zonder afbreuk te doen aan de daarbij vereiste zorgvuldigheid. Het maken van procesafspraken leidt ook tot het efficiënter en sneller afdoen van strafzaken. Wanneer tussen het openbaar ministerie en de verdediging overeenstemming wordt bereikt onder meer over het achterwege laten van bepaalde (tijdrovende) onderzoekswensen, afzien van het aanwenden van rechtsmiddelen, het niet voeren van (bewijs)verweren (in een overigens grosso modo bewijsbare zaak) en de door de officier van justitie te eisen en naar verwachting door de rechter op te leggen straf zal uiteindelijk de rechter in alle vrijheid tot een oordeel komen.
Wezenlijk van belang is de tijdwinst die aldus geboekt kan worden binnen een strafrechtelijk veld waar bij politie, openbaar ministerie en de zittende magistratuur een groot gebrek aan capaciteit is. Zaken blijven veel te lang liggen is een dagelijkse constatering op zittingen en dan ligt strafkorting vanwege schending van de redelijke termijn waarbinnen berechting dient plaats te vinden, in het verschiet. De (zittings)ruimte die vrijkomt kan benut worden om (ook) andere zaken aan te brengen en dat verlicht op zich de structurele capaciteitsdruk op het (hele) justitiële apparaat.
Het lijkt me niet juist om een rechterlijke uitspraak waarin procesafspraken zijn opgenomen als uitgangspunt te nemen voor een vergelijking met in andere zaken opgelegde straffen en die laatste daar vervolgens op aan te passen.
Conclusie
Alles wel beschouwd kom ik tot de uiteindelijke conclusie dat er sprake is van slechts één disbalans en dat is onderhavig vonnis van 2 december 2025.
Voetnoten
[1] Ongehoorzaamheid in de betekenis van weigering om regels te gehoorzamen, niet bereid gehoor te geven aan gestelde regels.
[2] mr. J.D.L. (Leo) Nuis, oud-senior raadsheer Gerechtshof Amsterdam
[3] ECLI:NL:RBNHO:2025:14051 (Schiphol II).
[4] Zie uitvoerig: H. Lensing, (oud voorzitter van de Commissie Rechtseenheid) Oriëntatiepunten voor de straftoemeting, Ars Aequi juni 2021, AA20210541.
[5] G.K. Schoep en P.M. Schuyt, Instrumenten ter ondersteuning van de rechter bij de straftoemeting, Leiden: E.M. Meijers Instituut 2005, p. 73.
[6] Navraag bij de voorzitter van de Commissie Rechtseenheid leerde mij dat de Commissie niet (vooraf- gaand) is geconsulteerd over deze nieuwe uitgangspunten. De rechtbank vermeldt in haar vonnis dat zij voor matiging van de strafmaat -voorlopige- algemene uitgangspunten hanteert. Niet duidelijk is waarom ze ‘voorlopige’’ worden genoemd want door het uitspreken van het vonnis zijn ze definitief geworden. Of het vonnis in hoger beroep in stand blijft (door het openbaar ministerie is hoger beroep ingesteld), is een andere (op dit moment nog niet beantwoorde) vraag.
[7] H. Abbink (toenmalig voorzitter van de Commissie Rechtseenheid), Naar een model van strafmotivering, Trema straftoemeting 2016, p.15.
[8] Lensing 2021, onder punt 6.
[9] ECLI:NL:RBHAA:2007:BA7703 (Schiphol I).
[10] ECLI:NL:GHAMS:2007:BB0460.
[11] Volgens de door het hof in zijn arrest van 24 juli 2007 (ECLI:NL:GHAMS:2007:BB0460) geciteerde advocaat-generaal, een maatregel naast bodyscan, risicotaxatie, voorlichting en reisverboden om de drugsinvoer tegen te gaan.
[13] ECLI:NL:GHAMS:2008:BG8093. Datum 4 november 2008 verwijst naar datum waarop eerdere arresten in vergelijkbare zin zijn gewezen (ECLI:NL:GHAMS:2008:BG4143 en BG 4144).
[14] Mail met verwijzing naar het door het juridisch raadsherenoverleg op 12 september 2008 ingenomen standpunt om de LOVS-richtlijn ook toe te passen in zogenaamde Schipholzaken inzake drugskoeriers (LOVS 10-12-2004) en niet meer volgen van Haarlemse drugsrichtlijn in deze zaken.
[15] Notitie oriëntatiepunten voor drugskoeriers en Schipholzaken, Commissie Rechtseenheid, R. Beaujean, 9 januari 2009 onder punt 4. Conclusie. De oriëntatiepunten ter zake van Opiumdelicten zijn in die zin aangepast per 31 oktober 2008.
[16] HR 29 maart 2011, r.o. 2, ECLI:NL:HR:2011:BO6702, NJ 2011/411 m.nt. M.J. Borgers.
[17] Openbaar Ministerie, Aanwijzing procesafspraken in strafzaken (2023A002).
[18] ECLI:NL:HR:2022:1252, punt 5.
[19] Contourennota Modernisering Wetboek van Strafvordering, KII 2015/16, 29279, nr. 278, p.4.
