WODC: sanctiearsenaal bij ernstige milieudelicten ruim, maar effectiviteit blijft achter
/Op 10 februari 2026 is het WODC-rapport Effectiviteit van strafrechtelijke sancties bij ernstige milieudelicten aan het ministerie van Justitie en Veiligheid aangeboden. Het rapport is op 11 februari gepubliceerd en aan de Tweede Kamer gezonden. Uit het onderzoek blijkt dat het bestaande strafrechtelijke instrumentarium bij ernstige milieudelicten juridisch bezien toereikend is, maar dat de toepassing en effectiviteit in de praktijk tekortschieten. Daarmee komt de nadruk te liggen op de werking van de handhavingsketen, en niet op de wettelijke mogelijkheden als zodanig.
Het WODC-rapport Effectiviteit van strafrechtelijke sancties bij ernstige milieudelicten onderzoekt in hoeverre het Nederlandse strafrecht daadwerkelijk effectief is bij de aanpak van ernstige milieudelicten. Het rapport positioneert milieucriminaliteit nadrukkelijk als een omvangrijk en maatschappelijk ingrijpend fenomeen. Wereldwijd wordt de jaaromzet van milieucriminaliteit geschat tussen de 110 en 281 miljard dollar. Ook in Nederland is sprake van uiteenlopende vormen van milieuwetgevingsovertredingen, waaronder mestfraude, illegale lozingen, het dumpen van gevaarlijke stoffen en onjuiste afvalverwerking.
Tegen deze achtergrond richt het onderzoek zich specifiek op ernstige milieudelicten: zaken waarin sprake is van substantiële of onomkeerbare schade en een calculerende of criminele houding van de dader. Het rapport beoogt inzicht te geven in de juridische mogelijkheden, de feitelijke toepassing van sancties, de ervaren knelpunten in de praktijk en de mogelijkheden om de effectiviteit van strafrechtelijke sancties te vergroten.
Vier centrale onderzoeksvragen
Het onderzoek is opgebouwd rond vier kernvragen:
Welke juridische mogelijkheden biedt het strafrecht om sancties op te leggen in reactie op ernstige milieudelicten?
Welke strafrechtelijke sancties zijn in welke gevallen het meest effectief?
Welke sancties worden in de huidige praktijk geëist en opgelegd en welke knelpunten doen zich daarbij voor?
Hoe kan de effectiviteit van strafrechtelijke sancties worden vergroot en welke rol kan een eventuele wijziging van de Wet op de economische delicten (WED) daarbij spelen?
De onderzoekers combineren een juridische analyse met praktijkonderzoek, waaronder focusgroepen met betrokken professionals.
Juridisch kader: breed en veelzijdig
Uit de juridische analyse blijkt dat het huidige wettelijke kader een breed scala aan strafrechtelijke sancties kent. Het Wetboek van Strafrecht onderscheidt hoofdstraffen, bijkomende straffen en maatregelen. Waar straffen primair een vergeldend karakter hebben, zijn maatregelen veelal gericht op preventie en herstel.
Voor natuurlijke personen is de gevangenisstraf de zwaarste sanctie. Daarnaast kan ontzetting uit het recht een bepaald beroep uit te oefenen relevant zijn. Voor ondernemingen zijn vooral vermogenssancties van belang: geldboetes, schadevergoedingsmaatregelen en ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Daarnaast kent de wet specifieke mogelijkheden zoals herstelverplichtingen op grond van artikel 8 WED.
De onderzoekers constateren dat het sanctiearsenaal in abstracto toereikend is. De wet biedt voldoende instrumenten om ernstige milieudelicten doeltreffend, evenredig en afschrikwekkend te sanctioneren. De kern van het probleem ligt volgens het rapport niet in de wet, maar in de toepassing.
Potentieel effectieve sancties: ontneming en herstel
In de focusgroepen worden met name de ontnemingsmaatregel en herstelverplichtingen als potentieel zeer effectief aangemerkt. Ontneming neemt de financiële prikkel tot het plegen van milieudelicten direct weg en raakt de dader op het punt dat hem het meest motiveert: financieel gewin. Herstelverplichtingen pakken milieuschade rechtstreeks aan en creëren eveneens een sterke financiële stimulans tot naleving.
Tegelijkertijd worden juist deze sancties in de praktijk weinig toegepast. Voor ontneming geldt dat de vaststelling van wederrechtelijk verkregen voordeel tijdrovend is en specialistische financiële expertise vereist. Bij herstelverplichtingen spelen gebrekkige informatie over de aard en omvang van de schade en onduidelijkheid over reeds uitgevoerd herstel een rol. Ook tekortschietende handhaving en uitvoeringsproblemen belemmeren de toepassing.
In de praktijk wordt volgens de onderzoekers relatief vaak teruggevallen op de standaardgeldboete. Dat is begrijpelijk vanuit efficiëntieoverwegingen, maar leidt ertoe dat het bestaande arsenaal niet optimaal wordt benut.
Lage pakkans en beperkte sanctiekans
Een fundamenteel knelpunt betreft de lage pakkans. Milieucriminaliteit wordt in het rapport aangeduid als ‘haalcriminaliteit’: overtredingen worden slechts ontdekt wanneer toezichthouders of opsporingsdiensten er actief op stuiten. Inspecties zijn schaars, vaak aangekondigd en het toezicht is risicogestuurd en versnipperd. Bovendien herkennen opsporingsdiensten buiten het milieudomein milieudelicten niet altijd als zodanig.
Ook wanneer overtredingen worden vastgesteld, volgt niet altijd sanctionering. Respondenten wijzen op terughoudendheid bij toezichthouders en bestuurlijke inmenging bij gevoelige dossiers. Daarmee is niet alleen de pakkans laag, maar ook de sanctiekans beperkt.
Het rapport benadrukt dat effectiviteit niet uitsluitend voortkomt uit de opgelegde sanctie, maar ook uit de bredere handhavingscontext. Acties zoals verhoren, inbeslagnames en gezamenlijke actiedagen dragen bij aan normbevestiging en afschrikking. Wanneer toezicht en opsporing echter structureel onder druk staan, verliest het strafrecht aan overtuigingskracht.
Gebrekkige informatie en straftoemeting
Een ander belangrijk knelpunt betreft de informatiepositie van het Openbaar Ministerie en de rechter. Rechters geven aan dat zij cruciale gegevens missen, zoals informatie over de financiële positie van ondernemingen en de omvang van de milieuschade. Dat bemoeilijkt een juiste en proportionele straftoemeting.
Voor een goed geïnformeerde sanctietoemeting is tijdige en volledige informatie over ondernemingen noodzakelijk. Die informatie moet in het kader van het opsporingsonderzoek worden verzameld, hetgeen wederom capaciteit en expertise vergt. Zonder inzicht in bedrijfsstructuren en financiële stromen is het moeilijk om effectieve vermogenssancties op te leggen.
Traagheid en samenwerking
De effectiviteit van het strafrecht wordt verder ondermijnd door traagheid in de keten. Langdurige procedures verzwakken het preventieve effect van sancties en kunnen bovendien leiden tot strafvermindering. Complexe en moeilijk te bewijzen dossiers dragen bij aan lange doorlooptijden.
Daarnaast signaleert het rapport gebrekkige samenwerking binnen het milieudomein. Versnippering tussen instanties, afhankelijkheid van individuele inzet en personeelsverloop leiden tot inconsistente samenwerking. Informatiedeling wordt bemoeilijkt door privacyzorgen en een beperkte koppeling tussen toezicht en opsporing. Hierdoor blijft dossieropbouw vaak fragmentarisch.
De onderzoekers wijzen erop dat het milieurecht wordt gehandhaafd in een tweesporenstelsel: zowel bestuursrechtelijk als strafrechtelijk. Een gebrekkige aansluiting tussen deze sporen leidt tot inefficiëntie en kan afbreuk doen aan de afschrikwekkende werking van het geheel.
Motie-Hagen en Sneller: geen wetstechnische oplossing
Het onderzoek besteedt expliciet aandacht aan de vraag of een toevoeging aan de Wet op de economische delicten – inhoudende dat sancties doeltreffend, evenredig en afschrikwekkend moeten zijn – de effectiviteit zou vergroten.
De conclusie is dat een dergelijke toevoeging geen wezenlijke meerwaarde heeft. De verplichting om doeltreffende, evenredige en afschrikwekkende sancties mogelijk te maken, richt zich primair tot de wetgever. Die armslag is reeds aanwezig in het huidige wettelijke kader. Het probleem ligt niet in normatieve instructies, maar in de feitelijke toepassing.
Wel wordt gesuggereerd dat oriëntatiepunten voor straftoemeting in milieustrafzaken kunnen bijdragen aan meer consistente en proportionele sancties.
Conclusie: implementatie, niet wetgeving
Het WODC-rapport komt tot een duidelijke kernbevinding: het bestaande strafrechtelijke sanctiearsenaal is in beginsel toereikend, maar wordt in de praktijk beperkt en suboptimaal benut. Lage pakkans, beperkte sanctiekans, gebrekkige informatievoorziening, onvoldoende samenwerking en capaciteitsproblemen in de keten vormen structurele belemmeringen.
Effectievere handhaving vraagt volgens het rapport niet in de eerste plaats om nieuwe wettelijke instrumenten, maar om betere benutting van bestaande mogelijkheden, investering in expertise en capaciteit, verbetering van informatievoorziening en versterking van de samenwerking binnen en tussen bestuursrechtelijke en strafrechtelijke trajecten.
De vraag is daarmee niet of het strafrecht voldoende middelen heeft, maar of het handhavingsstelsel in staat is deze middelen daadwerkelijk en consequent in te zetten bij ernstige milieudelicten.
