Witwassen & omzetten van geldbedragen

Hoge Raad 14 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:228

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft verdachte ter zake van gewoontewitwassen (feit 1), bedrieglijke bankbreuk meermalen gepleegd (feit 2) en handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie (feit 3) veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden met een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft het hof een taakstraf opgelegd voor de duur van 180 uren.
 

Vierde Middel

Het middel klaagt over de bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde witwassen.
 

Beoordeling Hoge Raad

De in de tenlastelegging en de bewezenverklaring onder feit 1 voorkomende termen "omzetten" en "afkomstig uit enig misdrijf" zijn klaarblijkelijk gebezigd in de betekenis die daaraan toekomt in art. 420bis, eerste lid aanhef en onder b, Sr.

Het middel klaagt ten eerste over het oordeel van het Hof dat de in de bewezenverklaring onder 1 vermelde geldbedragen afkomstig zijn uit enig misdrijf, meer in het bijzonder het onder 2 bewezenverklaarde misdrijf van bedrieglijke bankbreuk.

Deze klacht faalt. Het Hof heeft kennelijk geoordeeld dat de genoemde geldbedragen niet zijn verantwoord aan achtereenvolgens de bewindvoerder en de curator en daarmee buiten het bereik en beheer van de bewindvoerder en de curator zijn gehouden. Het daarin besloten liggende oordeel dat die geldbedragen derhalve kunnen worden aangemerkt als afkomstig uit enig misdrijf als bedoeld in art. 420bis, eerste lid aanhef en onder b, Sr, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Daaraan doet niet af, anders dan het middel betoogt, dat de in de bewezenverklaring onder 2 (bedrieglijke bankbreuk) vermelde pleegperiode samenvalt met de in de bewezenverklaring onder 1 (witwassen) vermelde pleegperiode.

Het middel klaagt voorts dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de verdachte de in de bewezenverklaring onder 1 vermelde geldbedragen heeft "omgezet".

Het Hof heeft vastgesteld dat de verdachte de genoemde geldbedragen van de ene naar de andere bank heeft "geschoven" en dat hij in de periode die is vermeld in de bewezenverklaring onder feit 1, het geld contant heeft opgenomen en het op een op naam van zijn zoon staande bankrekening heeft gestort. Gelet hierop getuigt het oordeel van het Hof dat de verdachte de genoemde geldbedragen heeft omgezet als bedoeld in art. 420 bis, eerste lid aanhef en onder b, Sr, niet van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is voorts niet onbegrijpelijk.

Het middel faalt.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF