Veroordeling boekhouder vanwege verduistering in dienstbetrekking van 1,6 miljoen: geen schademaatregel nu benadeelde een B.V. is die in staat moet zijn zelf tot incasso over te gaan

Rechtbank Rotterdam 10 februari 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:1142

Verdachte was boekhouder bij benadeelde. In die hoedanigheid heeft hij zich gedurende meerdere jaren schuldig gemaakt aan het zich op grote schaal toe-eigenen van grote sommen geld, met een totaalwaarde van meer dan 1,6 miljoen euro. Aan deze gang van zaken is slechts een einde gekomen door toedoen en ingrijpen van anderen, toen zijn handelen bij het doorlichten van de boekhouding uiteindelijk aan het licht is gekomen.

Verdachte heeft te kennen gegeven te hebben gehandeld uit frustratie en wrok jegens zijn werkgever, en niet uit financiële noodzaak. Verdachte heeft hierbij doelbewust gehandeld en voorzag op deze manier voor zichzelf in een luxe levensstijl, waarbij hij op grote voet kon leven op kosten van de zaak. Tot op heden heeft de verdachte niets van het weggenomen geldbedrag terugbetaald aan zijn voormalige werkgever. Het gehele verduisterde bedrag is, naar eigen zeggen van verdachte, door hem opgemaakt.

De rechtbank heeft oog voor het feit dat verdachte tot in lengte van jaren de financiële en andere gevolgen zal moeten dragen die het door hem gepleegde strafbare feit voor hem zullen hebben. Echter, dat ontslaat verdachte niet van de verantwoordelijkheid voor deze gevolgen, nu deze ernstig zijn en veroorzaakt door zijn eigen handelwijze en eerdere keuzes, waarbij verdachte gedurende een periode van ongeveer 3,5 jaren elke keer opnieuw, veelal een aantal keer per week, de keuze maakte grote bedragen te verduisteren. Dat verdachte zich ondergewaardeerd voelde binnen het bedrijf, vormt hiervoor geen enkel excuus.

Verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden.

De werkgever van verdachte heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 1.623.031,20 aan materiële schade.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft zich ten aanzien van de vordering benadeelde partij gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Nu is komen vast te staan dat de verdachte het bewezen verklaarde strafbare feit heeft begaan, staat daarmee tevens vast dat de verdachte onrechtmatig heeft gehandeld jegens de benadeelde partij. Uit de gemaakte analyse van de overschrijvingen van de rekening van de benadeelde partij naar de bankrekening van verdachte over de periode van 7 juli 2009 tot en met 24 januari 2013, volgt dat het totaalbedrag van de overschrijvingen € 1.623.031,20 bedraagt. Nu daarmee de vordering van de benadeelde partij voldoende is onderbouwd en deze voorts niet is betwist door de verdachte, zal deze worden toegewezen.

De verdachte moet aan de benadeelde partij aldus een schadevergoeding betalen van € 1.623.031,20.

Aan het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel ligt de gedachte ten grondslag om de benadeelde (meestal een natuurlijk persoon) het innen van het aan hem verschuldigde uit handen te nemen. Nu de benadeelde partij een B.V. betreft die in staat moet worden geacht zelf, waar benodigd, tot incasso over te gaan, ziet de rechtbank af van het opleggen van de maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

 

Lees hier de volledige uitspraak.
 

Print Friendly and PDF ^