Wederrechtelijk verkregen voordeel uit witwassen & motivering

Hoge Raad 20 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:238

Het gerechtshof Den Haag heeft bij uitspraak van 3 september 2015 de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 12 augustus 2014 bevestigd. Daarbij is het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op €9.002,77,- en is de betrokkene ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag.

In de met deze ontnemingsprocedure verband houdende strafzaak is bewezenverklaard dat de betrokkene zich heeft schuldig gemaakt aan witwassen, meermalen gepleegd. Die bewezenverklaring houdt, voor zover hier van belang, in dat de betrokkene "gouden en zilveren sieraden en munten voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen en omgezet".

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de betrokkene het woord gevoerd overeenkomstig zijn overgelegde en aan het proces-verbaal gehechte pleitnotities. Deze pleitnotities houden, voor zover van belang, in:

"Witwassen

De andere verdenking tegen cliënt: witwassen van sieraden/munten ter waarde van ongeveer € 9.000. Cliënt heeft daar een en ander over verklaard in eerste aanleg. Hij leverde de voorwerpen in voor een paar jongens en kreeg daar iets voor betaald. Cliënt had een klein vermoeden dat het niet in orde was. Hij kende de jongens uit het koffiehuis. Het geld gebruikte hij om te gokken. In totaal heeft hij ongeveer 1000 euro gekregen voor zijn inleverdiensten. De jongens wachtten buiten de juwelier en vervolgens gaf cliënt het geld direct aan hen. Hieruit kan volgens de verdediging worden afgeleid dat cliënt 'redelijkerwijs moest vermoeden' dat de goederen van misdrijf afkomstig waren; dat levert volgens de verdediging schuldwitwassen op (dat is anders dan de rechtbank bewezen heeft verklaard).

(...)

Ontneming

26. Cliënt heeft sieraden en munten ingeleverd bij de juwelier. Daarvoor kreeg hij geld. Dat geld moest hij buiten direct afstaan aan de jongens voor wie hij dat deed. In ruil daarvoor kreeg hij een kleine vergoeding. Volgens cliënt heeft hij daar ongeveer 1000 euro aan overgehouden. Dat is het daadwerkelijk behaalde voordeel van cliënt. Al het andere geld was bestemd voor de andere jongens. Dat is de verklaring van cliënt en die vindt de verdediging aannemelijk.

27. Anders dan de rechtbank is de verdediging van mening dat alleen dat bedrag kan worden ontnomen. Van tevoren stond vast dat cliënt dat geld moest afstaan. Van tevoren stond vast dat hij alleen een kleine vergoeding kreeg. Dan gaat het niet om hem te plukken voor het hele bedrag. Ik verzoek om toewijzing van de vordering tot 1000 euro."

Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 12 augustus 2014 bevestigd. De uitspraak van de Rechtbank houdt – voor zover voor de beoordeling van het middel van belang – het volgende in:

"Uit het dossier en uit zijn eigen verklaring volgt dat veroordeelde in de periode van 1 augustus tot en met 10 oktober 2013 aan een juwelier diverse sieraden en verwante goederen heeft verkocht. Uit het dossier volgt voorts dat hij hiervoor een totaalbedrag van € 9.002,77 in ontvangst heeft genomen. In het vonnis van 12 augustus 2014 in de strafzaak tegen veroordeelde heeft deze rechtbank overwogen dat voornoemde goederen middellijk of onmiddellijk uit enig misdrijf afkomstig waren.

Ter terechtzitting van 25 juli 2014 heeft veroordeelde verklaard dat hij aan de verkoop van de sieraden slechts een relatief gering bedrag heeft overgehouden. Het overgrote deel van het door hem ontvangen geld zou hij aan anderen, te weten de houders van de sieraden, hebben afgegeven.

Naar het oordeel van de rechtbank staat dit verweer, wat daar verder van zij, niet aan toewijzing van de integrale vordering in de weg. Het is immers de keuze van veroordeelde geweest om het geld aan anderen af te staan. De ontnemingsmaatregel betreft het voordeel dat door het aan de ontneming ten grondslag liggende delict is verworven; daarbij doet in beginsel niet ter zake welke bestemming dit voordeel heeft gekregen (HR 8 juli 1998, LJN ZD1199; HR 26 augustus 2003, LJN AF9695).

4. De berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel

4.1. Schatting wederrechtelijk verkregen voordeel

Uitgaande van het bovenstaande maakt de rechtbank de volgende berekening:

Berekening inkomsten:

Verkoop van sieraden en verwante goederen: € 9.002,77

Berekening inkomsten:

Uit het dossier volgt niet dat veroordeelde kosten heeft gemaakt.

Bepaling wederrechtelijk verkregen voordeel:

Opbrengst: € 9.002,77

Totaal wederrechtelijk verkregen

voordeel: € 9.002,77 = € 9.002,77

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden geschat op een bedrag van € 9.002,77.

4.2 Betalingsverplichting

De rechtbank zal de veroordeelde de verplichting opleggen tot betaling van € 9.002,77 aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel."
 

Middel

Het eerste middel behelst de klacht dat het hof ten onrechte het vonnis van de rechtbank Den Haag van 12 augustus 2014 heeft vermeld als de beslissing waarbij de betrokkene in de hoofdzaak is veroordeeld, omdat dit vonnis in hoger beroep bij arrest van het hof Den Haag van 3 september 2015 is vernietigd.
 

Beoordeling Hoge Raad

In de weergegeven overwegingen is tot uitdrukking gebracht dat dit witwassen ertoe heeft geleid dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen tot een geschat bedrag van € 9.002,77. Mede gelet op het door de betrokkene gevoerde verweer dat hij voor anderen sieraden en munten heeft ingeleverd en daarvoor van die anderen € 1.000,- heeft gekregen, is zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk dat de betrokkene tot een bedrag van € 9.002,77 daadwerkelijk wederrechtelijk voordeel heeft verkregen door middel van of uit baten van het bewezenverklaarde witwassen.

Het middel slaagt in zoverre.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

 

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF