Vrijspraak voor oplichting na eten zonder betalen: bestellen volgens maatschappelijk gangbare patronen is geen valse hoedanigheid

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 6 februari 2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:414

Het gerechtshof 's-Hertogenbosch spreekt een verdachte vrij van oplichting nadat hij in een restaurant in Tilburg consumpties bestelt en vervolgens vertrekt zonder de rekening te betalen. Het hof oordeelt dat het enkel bestellen van eten en drinken volgens maatschappelijk gangbare patronen en vervolgens niet betalen onvoldoende is om te spreken van het aannemen van een valse hoedanigheid in de zin van artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht. Het hof verwijst naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad waaruit volgt dat voldoende specifieke gedragingen zijn vereist die erop zijn gericht bij het slachtoffer een onjuiste voorstelling van zaken in het leven te roepen. Dergelijke specifieke gedragingen blijken niet uit het procesdossier. De politierechter veroordeelde de verdachte eerder bij verstek tot vier weken gevangenisstraf, maar het hof vernietigt dit vonnis en spreekt vrij. De vordering van de benadeelde partij wordt niet-ontvankelijk verklaard.

Inleiding en context

De verdachte, een natuurlijk persoon geboren te Tilburg, verblijft ten tijde van het hoger beroep in detentie uit anderen hoofde. De zaak betreft een hoger beroep tegen een vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 31 december 2024. De politierechter veroordeelt de verdachte bij verstek ter zake van oplichting tot een gevangenisstraf van vier weken en wijst de vordering van de benadeelde partij, het restaurant, integraal toe voor een bedrag van 97,24 euro aan materiele schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Namens de verdachte wordt tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. Het hof vernietigt het bestreden vonnis reeds op formele gronden, nu de politierechter heeft volstaan met aantekening van de uitspraak op een aan het dubbel van de dagvaarding gehecht stuk, terwijl het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van het Wetboek van Strafvordering.

Tenlastelegging en wettelijk kader

Aan de verdachte wordt tenlastegelegd dat hij op of omstreeks 7 december 2024 te Tilburg, althans in Nederland, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen, door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, medewerkers van het restaurant heeft bewogen tot de afgifte van eten en/of drinken. Dit door zich valselijk, listiglijk, bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid voor te doen als bonafide klant die tot betalen in staat was. Het tenlastegelegde is gebaseerd op artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht (oplichting). Centraal in deze zaak staat het delictsbestanddeel "het aannemen van een valse hoedanigheid" en de vraag of het enkele bestellen en nuttigen van consumpties in een restaurant zonder vervolgens de rekening te voldoen, kwalificeert als zodanig.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal vordert vernietiging van het vonnis en veroordeling van de verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier weken met een proeftijd van twee jaren. De advocaat-generaal voert aan dat sprake is van een patroon waarbij de verdachte zich voordoet als een normale gast, maar vervolgens de deur uitloopt zonder te betalen. Volgens de advocaat-generaal maakt de verdachte gebruik van wat normaal is in de maatschappij, namelijk eerst consumpties bestellen en daarna de rekening betalen. Door gebruik te maken van dit maatschappelijk gangbare patroon en vervolgens de rekening niet te voldoen, is naar het standpunt van de advocaat-generaal sprake van oplichting. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij concludeert de advocaat-generaal tot gedeeltelijke toewijzing tot een bedrag van 50,90 euro aan materiele schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige concludeert de advocaat-generaal tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw bepleit primair vrijspraak. Zij voert aan dat de verdachte wel voornemens was om te betalen, maar dat hij op het moment dat hij wilde afrekenen zijn pinpas niet meer bij zich had. Volgens de raadsvrouw moet de pinpas van de verdachte daarvoor zijn ontvreemd ("gerold"). Nu de verdachte wel degelijk voornemens was om te betalen, ontbreekt volgens de verdediging het oogmerk op de wederrechtelijke bevoordeling. Subsidiair voert de raadsvrouw een straftoemetingsverweer, waarvan de inhoud niet nader wordt gespecificeerd in de uitspraak.

Oordeel gerecht

Het hof komt niet toe aan het verweer van de verdediging ten aanzien van het oogmerk, maar beoordeelt de zaak op het niveau van het oplichtingsmiddel en de bewijsbaarheid daarvan. Het hof neemt het juridisch kader van het aannemen van een valse hoedanigheid als uitgangspunt. Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 20 december 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2889) overweegt het hof dat het bij het oplichtingsmiddel "het aannemen van een valse hoedanigheid" in de kern erom gaat dat het handelen van de verdachte ertoe kan leiden dat bij de ander een onjuiste voorstelling van zaken in het leven wordt geroepen met betrekking tot de persoon van de verdachte wat betreft diens hoedanigheid. Die onjuiste voorstelling van zaken moet in het leven worden geroepen teneinde daarvan misbruik te maken. Het hof overweegt voorts dat de in de rechtspraak wel gebruikte formulering dat een verdachte zich als een bonafide deelnemer aan het rechtsverkeer heeft gepresenteerd, slechts relevant is als die presentatie berust op voldoende specifieke gedragingen die in de desbetreffende context erop zijn gericht bij het beoogde slachtoffer een onjuiste voorstelling van zaken in het leven te roepen teneinde daarvan misbruik te maken.

Vervolgens oordeelt het hof dat het enkel bestellen van consumpties volgens de maatschappelijke geijkte, algemeen aanvaarde patronen en deze vervolgens niet betalen, onvoldoende is om aan te nemen dat sprake is van oplichting. Er zijn voldoende specifieke gedragingen vereist die in de desbetreffende context erop zijn gericht bij het beoogde slachtoffer een onjuiste voorstelling van zaken in het leven te roepen, waardoor het beoogde slachtoffer wordt bewogen tot afgifte. Naar het oordeel van het hof blijkt uit de bewijsmiddelen in het onderhavige procesdossier onvoldoende van dergelijke specifieke gedragingen die kennelijk erop zijn gericht om bij het beoogde slachtoffer een onjuiste voorstelling van zaken in het leven te roepen ten aanzien van de bereidheid van de verdachte om de rekening van de door hem genuttigde consumpties te betalen. Het hof heeft dan ook uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Bewezenverklaring

Het hof verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte integraal vrij van de tenlastegelegde oplichting.

Strafoplegging en maatregelen

Nu de verdachte wordt vrijgesproken, legt het hof geen straf of maatregel op. De benadeelde partij, het restaurant, wordt niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding, nu aan de verdachte ter zake van het tenlastegelegde handelen waardoor de gestelde schade veroorzaakt zou zijn geen straf of maatregel wordt opgelegd en evenmin toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. De benadeelde partij wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten, door het hof begroot op nihil.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^