Vrijspraak van medeplegen van oplichting omdat een undercoveragent niet door de gebruikte oplichtingsmiddelen is bewogen tot afgifte

Rechtbank Amsterdam 1 september 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:8867

De rechtbank Amsterdam spreekt een twintigjarige man vrij van het medeplegen van oplichting bij bankhelpdeskfraude. De verdachte haalt als zogenaamde veiligheidsmedewerker een enveloppe met waardevolle spullen en inloggegevens op bij het vermeende slachtoffer. Dat slachtoffer blijkt een undercoveragent die vanaf het begin weet dat de mededelingen van de beller onjuist zijn. Volgens de rechtbank is de agent daardoor niet bewogen tot afgifte, zodat van een voltooide oplichting geen sprake is. Poging tot oplichting is niet ten laste gelegd, dus daarover oordeelt de rechtbank niet. De vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie wordt afgewezen en het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis wordt opgeheven.

Inleiding en context

De verdachte is een natuurlijk persoon, geboren in 2006. De zaak wordt in eerste aanleg behandeld door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Amsterdam, op tegenspraak, na de terechtzitting van 18 augustus 2026. Aanleiding is een opsporingsonderzoek naar bankhelpdeskfraude, gericht op de heterdaadaanpak van deze fraudevorm. Vanaf 9 maart 2026 vult de politie op actieve phishingwebsites unieke persoons- en contactgegevens in die door het Team Heimelijk Operaties zijn aangeleverd, en wacht af of er telefonisch contact volgt. Op 10 maart 2026 wordt een undercoveragent gebeld door een man die zich voorstelt als medewerker van de veiligheidsdesk van een bank. De beller verifieert persoons-, verzekerings- en bankgegevens, vraagt of de agent waardevolle spullen in huis heeft en draagt hem op deze samen met de inloggegevens van zijn bankrekening in een enveloppe te doen en tegen opgave van een code mee te geven aan een veiligheidsmedewerker. Nog tijdens het gesprek belt iemand aan die de code noemt. De agent overhandigt hem een tas met de enveloppe, waarna beller en ophaler worden aangehouden. De verdachte is de ophaler. Hij bekent dit in de raadkamer gevangenhouding van 23 maart 2026 en ter terechtzitting.

In het vonnis staat als datum van de uitspraak 11 september 2026 vermeld, terwijl het vonnis blijkens het slot is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 1 september 2026 en de publicatie op rechtspraak.nl eveneens 1 september 2026 als uitspraakdatum noemt. Deze samenvatting houdt 1 september 2026 aan.

Tenlastelegging en wettelijk kader

De verdachte wordt verweten dat hij op 10 maart 2026 in Amsterdam samen met anderen een persoon, althans een politieagent van het team heimelijke opsporing die zich als die persoon voordoet, heeft opgelicht. De tenlastelegging ziet uitsluitend op een voltooide oplichting in de zin van artikel 326 lid 1 Sr; een poging is niet subsidiair ten laste gelegd. Centraal staan de bestanddelen dat door het gebruik van een oplichtingsmiddel iemand wordt bewogen tot de afgifte van een goed en het ter beschikking stellen van gegevens. In deze zaak gaat het om de afgifte van een bankpas en waardevolle spullen en het ter beschikking stellen van inloggegevens, persoonsgegevens en bankgegevens.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie vordert een bewezenverklaring van het medeplegen van oplichting. De undercoveragent is telefonisch onder valse voorwendselen bewogen tot overdracht van waardevolle goederen en inloggegevens, waarna de verdachte zich met een code als veiligheidsmedewerker kenbaar maakt en de spullen daadwerkelijk overhandigd krijgt. Daarmee is volgens de officier van justitie de oplichting voltooid; het opzet was gericht op het verkrijgen van de goederen. Op grond van de bekennende verklaring en het onderzoek aan de telefoon van de verdachte is volgens de officier van justitie sprake van een intellectuele en materiële bijdrage van voldoende gewicht en dus van een nauwe en bewuste samenwerking. Van uitlokking is volgens de officier van justitie geen sprake, omdat de agent heeft afgewacht tot hij werd gebeld en vervolgens alleen heeft meegewerkt en vragen heeft beantwoord. Het vonnis vermeldt geen geëiste straf. Ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging vordert de officier van justitie verlenging van de proeftijd met een jaar en het verbinden van bijzondere voorwaarden conform het reclasseringsadvies van 1 juli 2026: een meldplicht, ambulante behandeling, begeleid wonen of maatschappelijke opvang, dagbesteding, meewerken aan schuldaflossing en middelencontroles en een contactverbod met de medeverdachte.

Standpunt van de verdediging

De raadsman voert een bewijsverweer en bepleit vrijspraak. De undercoveragent heeft de enveloppe afgegeven terwijl hij wist dat er fraude werd gepleegd. Hij is dus niet door het oplichtingsmiddel bewogen tot afgifte, zodat een voltooide oplichting niet kan worden bewezen. Wat de vordering tot tenuitvoerlegging betreft sluit de raadsman zich primair aan bij het standpunt van de officier van justitie. Subsidiair verzoekt hij een gedeelte van het voorwaardelijke strafdeel, bijvoorbeeld twee maanden, ten uitvoer te leggen en om te zetten in een taakstraf van 120 uur.

Oordeel gerecht

De rechtbank acht het ten laste gelegde, anders dan de officier van justitie, niet bewezen. Zij stelt voorop dat voor oplichting is vereist dat de verdachte met een of meer oplichtingsmiddelen uit artikel 326 lid 1 Sr bij een ander een onjuiste voorstelling van zaken in het leven wil roepen om daarvan misbruik te maken, en dat die ander daardoor is bewogen tot onder meer afgifte van een goed of het ter beschikking stellen van gegevens. Of daarvan sprake is, hangt af van de omstandigheden van het geval, waaronder de in het maatschappelijk verkeer vereiste voorzichtigheid en de persoonlijkheid van het slachtoffer. Oplichting is niet aan de orde wanneer het slachtoffer, gelet op zijn eigen gedragingen en kennis van zaken, de onjuiste voorstelling had moeten doorzien. De rechtbank verwijst daarvoor naar HR 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2889 en ECLI:NL:HR:2016:2892, r.o. 2.3.1 en 2.4, en HR 21 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2955, r.o. 3.4.

Het slachtoffer is hier een undercoveragent die van meet af aan wist dat de mededelingen van de verdachte en zijn medeverdachten niet op waarheid berustten. Daaruit volgt dat hij niet door de gebruikte oplichtingsmiddelen is bewogen tot afgifte van de bankpas en de waardevolle goederen of tot het ter beschikking stellen van zijn gegevens. Van een voltooide oplichting is daarom geen sprake. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat de wetenschap van het slachtoffer op zichzelf niet in de weg staat aan het aannemen van een poging tot oplichting, maar omdat een poging niet subsidiair ten laste is gelegd, kan zij zich daarover niet uitlaten. De rechtbank komt niet toe aan een oordeel over het medeplegen of over de rechtmatigheid van de opsporingsmethode.

Bewezenverklaring

De rechtbank verklaart het ten laste gelegde medeplegen van oplichting niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij. Er zijn geen bewezen verklaarde feiten.

Strafoplegging en maatregelen

Vanwege de vrijspraak legt de rechtbank geen straf of maatregel op. De vordering tot tenuitvoerlegging betreft het onherroepelijke vonnis van de meervoudige strafkamer te Haarlem van 13 augustus 2024, waarbij de verdachte is veroordeeld tot tien maanden jeugddetentie, waarvan acht maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. De vordering is gegrond op het plegen van het nu ten laste gelegde feit binnen de proeftijd. Omdat de verdachte daarvan wordt vrijgesproken, wijst de rechtbank de vordering af. De rechtbank heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^