Taakstraf voor verhuurbemiddelaar wegens witwassen van huurpenningen en hulp bij wederrechtelijk verblijf; vrijspraak van bestuurder voor valse werkgeversverklaring

Rechtbank Noord-Nederland 11 augustus 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:3815 en ECLI:NL:RBNNE:2026:3814

De Noordelijke Fraudekamer van de rechtbank Noord-Nederland doet op dezelfde dag uitspraak in twee zaken uit hetzelfde onderzoek naar de verhuur van woningen in Leeuwarden en Sneek. Een vennoot van een verhuurbemiddelingsbedrijf wordt veroordeeld tot een taakstraf van 160 uren voor het medeplegen van witwassen van € 38.460 aan contant betaalde huurpenningen en borg en voor het uit winstbejag behulpzaam zijn bij het wederrechtelijk verblijf van vier Albanese huurders. De rechtbank neemt een witwasvermoeden aan op grond van contante betalingen, betalingen via een derde, het ontbreken van legale inkomsten bij de huurders en het later aantreffen van hennepkwekerijen in de verhuurde woningen. Het niet kunnen horen van de Albanese huurders staat volgens de rechtbank niet aan een bewezenverklaring in de weg, omdat het niet om belastende getuigen gaat. Gewoontewitwassen acht de rechtbank niet bewezen, omdat vier woningen op een portefeuille van 1.200 panden een laag percentage vormen. De bestuurder van een besloten vennootschap wordt vrijgesproken van het valselijk opmaken van een werkgeversverklaring voor zijn zoon, omdat niet is komen vast te staan dat het dienstverband fictief was.

Inleiding en context

Beide vonnissen worden gewezen door dezelfde meervoudige kamer van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, na inhoudelijke behandeling op 25 juni 2026 en eerdere zittingen op 15 april 2025 en 2 september 2025. Het onderzoek ter terechtzitting is in beide zaken gesloten op 28 juli 2026. De rechtbank behandelt de zaken in eerste aanleg en op tegenspraak.

De eerste zaak (ECLI:NL:RBNNE:2026:3815) betreft een natuurlijk persoon, geboren in 1989, die sinds 2017 samen met zijn broer een bemiddelings- en verhuurbedrijf runt in de vorm van een vennootschap onder firma. Het bedrijf verhuurt onder meer woningen van hun vader, een grote vastgoedbezitter met meer dan 200 panden in Leeuwarden, woningen waarvan de verdachte zelf deels eigenaar is en woningen van andere eigenaren. Het onderzoek Crosshair is in 2021 gestart naar aanleiding van een anonieme brief uit 2019 en informatie van het Team Criminele Inlichtingen, inhoudende dat de woningen van de vader eenvoudig te huur zijn om er hennepkwekerijen in te plaatsen. In een aantal panden van de familie zijn hennepkwekerijen of restanten daarvan aangetroffen, waaronder in vier woningen die aan Albanese huurders waren verhuurd.

De tweede zaak (ECLI:NL:RBNNE:2026:3814) betreft een natuurlijk persoon, geboren in 1967 te Leeuwarden, directeur van een besloten vennootschap. Zijn zoon, de medeverdachte, heeft bij een hypotheekaanvraag bij De Volksbank een werkgeversverklaring van deze vennootschap overgelegd.

Tenlastelegging en wettelijk kader

De verhuurbemiddelaar wordt onder feit 1 primair verweten dat hij in de periode van 1 april 2018 tot en met 7 januari 2021 samen met anderen, al dan niet als vennoot van het bedrijf, contante geldbedragen aan huurpenningen, borg en bemiddelingsprovisie voor vier woningen in Leeuwarden en Sneek, in totaal € 38.460, heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen of omgezet, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze uit misdrijf afkomstig waren, en dat hij daarvan een gewoonte heeft gemaakt (art. 420bis en 420ter Sr). Subsidiair wordt hem feitelijk leidinggeven aan het witwassen door de vennootschap onder firma verweten. Onder feit 2 primair wordt hem verweten dat hij vier personen met de Albanese nationaliteit uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland door aan hen woningen te verhuren, terwijl hij wist of ernstige redenen had te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk was, begaan in de uitoefening van zijn beroep als vennoot en bedrijfsmatige verhuurbemiddelaar (art. 197a Sr). Subsidiair is ook hier feitelijk leidinggeven ten laste gelegd.

De bestuurder wordt verweten dat hij in de periode van 25 april 2019 tot en met 4 juni 2019 samen met anderen een werkgeversverklaring van 1 mei 2019 en een aanvulling daarop van 25 april 2019 valselijk heeft opgemaakt (variant A) en dat hij van deze geschriften opzettelijk gebruik heeft gemaakt door ze aan De Volksbank te doen toekomen in verband met een hypotheekaanvraag (variant B). De valsheid zou bestaan uit de vermelding dat de zoon vanaf 1 november 2018 voltijds voor onbepaalde tijd als administratief medewerker in dienst was tegen een brutojaarsalaris van € 33.939, dat geen voornemen bestond het dienstverband te beëindigen en dat het salaris per 1 augustus 2019 met € 200 bruto per maand zou worden verhoogd, terwijl het dienstverband in werkelijkheid per 31 mei 2019 is beëindigd. Het wettelijk kader is artikel 225 Sr.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

In de zaak tegen de verhuurbemiddelaar vordert de officier van justitie veroordeling voor feit 1 primair en feit 2 primair. Gewoontewitwassen acht hij bewijsbaar gelet op de duur van de periode en het aantal adressen. Hij vordert een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van tien maanden, met aftrek van de tijd in verzekering doorgebracht.

In de zaak tegen de bestuurder vordert de officier van justitie een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden, met aftrek. Primair stelt hij dat sprake is van een fictieve arbeidsovereenkomst. Hij wijst op de verklaring van de verdachte bij de politie dat zijn zoon zou hebben gezegd dat hij "even op de loonlijst moest en dat het niet klopte", op de overlap van de werkzaamheden met die voor de vennootschap onder firma van de zoon, op de verklaring van de boekhouder dat hij de werkgeversverklaring niet heeft opgesteld, op loonbetalingen vanaf de privérekening van de verdachte op ongebruikelijke momenten, op slechts vijf loonbetalingen over zeven maanden en op de verklaring van de zoon dat de loonsverhoging nodig was om de hypotheek rond te krijgen. Subsidiair stelt hij dat in elk geval de omvang van het dienstverband van 40 uur per week, de mededeling dat er geen voornemen tot beëindiging bestond en de aanvulling met de salarisverhoging vals zijn, nu het dienstverband een week na overlegging van de aanvulling is beëindigd. Volgens de officier van justitie is sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen vader en zoon.

Standpunt van de verdediging

De raadsman van de verhuurbemiddelaar bepleit integrale vrijspraak. Ten aanzien van feit 1 voert hij primair aan dat geen witwasvermoeden kan worden aangenomen. Het aantreffen van hennepkwekerijen brengt niet mee dat de eerder ontvangen huurpenningen uit misdrijf afkomstig zijn, omdat de kwekerijen steeds geruime tijd na de verhuur zijn aangetroffen en het dossier niets bevat over de duur van de kwekerijen, het aantal oogsten en de opbrengst. Hij verwijst naar gerechtshof Amsterdam 3 oktober 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:3684. Contante betaling en het nalaten gegevens over inkomen of verblijfstitel te verzamelen volstaan volgens hem niet, temeer omdat een bankrekening in Albanië geen vanzelfsprekendheid is. Als de rechtbank wel een witwasvermoeden aanneemt, voert hij aan dat alleen de huurders over de herkomst van het geld kunnen verklaren, dat politie en justitie niet hebben geprobeerd hen te horen en dat het ondervragingsrecht niet is uitgeoefend, zodat het ontbreken van een legale verklaring niet aan de verdachte kan worden tegengeworpen zonder het recht op een eerlijk proces te schenden. Subsidiair ontbreekt (voorwaardelijk) opzet en schuld: contante betalingen zijn niet ongebruikelijk, van alle huurders zijn identiteitspapieren aangetroffen, er zijn geen exorbitante huurprijzen gevraagd en uit chatgesprekken blijkt juist frustratie als een kwekerij wordt aangetroffen. Ten aanzien van feit 2 voert de raadsman primair aan dat geen sprake is van winstbejag, omdat de huurprijzen marktconform waren en de verdachte niet in een gunstiger positie is gebracht dan bij verhuur aan een legaal verblijvende huurder. Subsidiair ontbreekt opzet: de verdachte en zijn broer wisten niet dat Albanië geen lid is van de Europese Unie en dat Albanezen slechts 90 dagen in Nederland mogen verblijven. De schuldvariant van artikel 197a lid 2 Sr kan evenmin worden bewezen, omdat geen verzwaarde onderzoeksplicht op de verdachten rustte. Een strafmaatverweer is niet gevoerd.

De raadsman van de bestuurder bepleit vrijspraak van beide varianten. De verklaring van de verdachte dat sprake was van een reëel dienstverband wordt ondersteund door de verklaringen van de zoon en de boekhouder. De salarisverhoging is afgesproken in verband met alimentatieverplichtingen van de zoon. Dat betalingen vanuit privé zijn gedaan en dat de verdachte niet alle details meer helder voor de geest heeft, doet daaraan niet af gelet op het tijdsverloop en de gebrekkige financiële administratie van de vennootschap, wat de boekhouder heeft bevestigd.

Oordeel gerecht

In de zaak tegen de verhuurbemiddelaar stelt de rechtbank op basis van de verklaring van de verdachte ter terechtzitting vast dat hij samen met zijn broer feitelijk leiding gaf aan het bedrijf, dat de administratie niet op orde was, dat in de beginperiode een groot deel van de huurpenningen contant werd ontvangen en dat periodiek substantiële bedragen contant geld op de bankrekening van het bedrijf werden gestort. Niet betwist is dat de vier huurders de Albanese nationaliteit hebben, dat zij de woningen in de ten laste gelegde perioden hebben gehuurd en dat de genoemde bedragen zijn betaald. Contante betalingen werden geïnd door wie toevallig aanwezig was, zonder controle door wie werd betaald. Voor twee woningen is een deel van de huur betaald via een derde, een vrouw die volgens haar verklaring bij de politie contante bedragen van € 800 van een onbekende vrouw in ontvangst nam en tegen een kleine vergoeding overboekte. In alle vier woningen is op enig moment een hennepkwekerij aangetroffen. Uit het dossier volgt dat geen van de vier huurders ten tijde van het sluiten van het huurcontract en in het eerste huurjaar over een verblijfsvergunning beschikte en dat zij geen BSN hadden. De algemene voorwaarden van het bedrijf vereisen onder meer een geldig bewijs van verblijf en inkomensgegevens; de verdachte verklaart dat hij zich van deze regels bewust was.

De rechtbank stelt voorop dat voor het bestanddeel "afkomstig uit enig misdrijf" niet is vereist dat een nauwkeurig aangeduid gronddelict wordt vastgesteld, en dat pas van de verdachte een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring mag worden verlangd als het Openbaar Ministerie feiten en omstandigheden heeft aangedragen die een witwasvermoeden rechtvaardigen. Er is geen bewijs voor een specifiek gronddelict. De rechtbank acht het vermoeden niettemin gerechtvaardigd op grond van de contante betalingen in strijd met het huurcontract, de betalingen via een derde rechtstreeks aan de eigenaar, het ontbreken van legale inkomsten, bankrekening en werkvergunning bij de huurders, en het aantreffen van hennepkwekerijen. De rechtbank geeft de verdediging toe dat bedragen die voorafgaand aan de huur zijn betaald niet de vruchten kunnen zijn van een nadien aangetroffen kwekerij, maar overweegt dat die omstandigheid wel van belang is voor het witwasvermoeden, omdat het gaat om contant geld van illegaal verblijvende Albanezen die later in verband kunnen worden gebracht met hennepteelt.

De verdachte heeft zelf niet over de herkomst verklaard. De zaak is op de regiezitting van 2 september 2025 verwezen naar de rechter-commissaris om de vier huurders te horen. Op 13 april 2026 heeft de rechter-commissaris na meerdere inspanningen geoordeeld dat het feitelijk onmogelijk is deze getuigen te horen. Nu een verklaring waaruit een legale herkomst zou volgen niet uit het dossier blijkt, oordeelt de rechtbank dat de betalingen uit misdrijf afkomstig zijn. Het niet kunnen uitoefenen van het ondervragingsrecht staat daaraan niet in de weg en levert geen schending van het recht op een eerlijk proces op, omdat het niet gaat om personen die een belastende verklaring hebben afgelegd.

Ten aanzien van het opzet overweegt de rechtbank dat de verdachten jarenlang de administratie niet op orde hadden, buitenlandse huurders accepteerden zonder de controles uit hun eigen algemene voorwaarden en in strijd met de huurcontracten contante betalingen bleven accepteren. Het verweer dat zij niet wisten dat Albanië geen EU-lid is, verwerpt de rechtbank: iedereen weet dat de Europese Unie niet uit alle Europese landen bestaat, en van een professioneel verhuur- en bemiddelingsbedrijf mag worden verwacht dat het zich oriënteert op de toepasselijke regelgeving, te meer nu het veel aan buitenlandse huurders verhuurt. De rechtbank betrekt de contra-indicaties dat telefoononderzoek niet aantoont dat de verdachten kwekerijen faciliteerden en dat uit hun onderlinge contacten frustratie blijkt bij ontdekking van een kwekerij, maar oordeelt dat zij door het meermalen ontvangen van contant geld en van gelden via derden bewust de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat de betalingen uit misdrijf afkomstig waren. De rechtbank wordt daarin gesterkt doordat op 3 juni 2019 in een andere door een van de vier huurders gehuurde woning in Leeuwarden een hennepkwekerij werd aangetroffen, waarbij drie Albanezen op heterdaad werden aangetroffen, onder wie twee van de andere huurders. Het bedrijf heeft daarna bemiddeld bij verhuur aan die twee huurders en is contante betalingen blijven accepteren, terwijl het op de hoogte was van de hennepproblematiek. Bemiddelingsprovisie is niet gebleken, zodat daarvan partiële vrijspraak volgt. Gewoontewitwassen acht de rechtbank niet bewezen: bij vier woningen op een betrokkenheid bij de verhuur of verkoop van 1.200 panden is het percentage laag. Medeplegen is bewezen, nu beide broers leiding gaven en beiden betalingen ontvingen.

Ten aanzien van feit 2 stelt de rechtbank vast dat het verblijf van de vier huurders wederrechtelijk was, omdat een niet-EU-onderdaan zonder verblijfsvergunning maximaal 90 dagen in Nederland mag verblijven en de huurders maandelijks huur betaalden op contracten van minimaal twaalf maanden. Anders dan de raadsman oordeelt de rechtbank dat sprake is van winstbejag: de verhuur was gericht op winst en niet slechts op kostendekking. Dat de huurprijzen marktconform waren en geen extra vergoedingen zijn ontvangen, maakt dat niet anders. Het winstoogmerk hoeft niet specifiek gericht te zijn op de illegaliteit van de huurders; een zo strikte uitleg vindt geen steun in het recht en past slecht bij de culpoze variant van het delict. De rechtbank verwijst naar gerechtshof Amsterdam 18 april 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:5601 en rechtbank Rotterdam 26 november 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:12976. Door de eigen algemene voorwaarden meermalen niet na te leven, het verhuurbeleid ook na bekendheid met de hennepproblematiek niet aan te scherpen en geen informatie in te winnen over de verblijfsstatus van de huurders, hebben de verdachten de aanmerkelijke kans aanvaard dat zij illegale huurders huisvestten. Medeplegen is ook hier bewezen.

In de zaak tegen de bestuurder oordeelt de rechtbank met de raadsman dat het feit in beide varianten niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. Uit de verklaring van de zoon volgt dat hij vanaf 1 november 2018 in loondienst was en werkzaamheden verrichtte die overlap konden vertonen met zijn werk voor de vennootschap onder firma. Uit bankafschriften blijkt dat hij loonbetalingen ontving vanaf de privérekening van de verdachte, waarbij bij de eerste betaling van € 2.200 in de omschrijving is vermeld dat het loon over november 2018 betrof, gevolgd door drie maandelijkse betalingen van hetzelfde bedrag. Dat het loon op ongebruikelijke momenten en niet vanaf de rekening van de vennootschap werd betaald, doet er niet aan af dat loon werd ontvangen. Deze betalingen vonden ruimschoots voor de hypotheekaanvraag plaats. Een verzekeringsbericht van het UWV van 27 maart 2019 vermeldt dat de zoon van 1 november 2018 tot en met 31 maart 2019 voor 173 uren per maand bij de vennootschap werkzaam was en dat premies zijn afgedragen. De verklaringen van de verdachte bij de rechter-commissaris, van de boekhouder en van de broer van de medeverdachte ondersteunen dat het dienstverband reëel was. Ook de vermelding van 40 uren per week en de mededeling dat er geen voornemen tot beëindiging bestond, zijn volgens de rechtbank niet als vals aan te merken, omdat dit door geen enkel bewijsmiddel wordt ondersteund. Dat het dienstverband op 31 mei 2019, nog geen maand na de werkgeversverklaring, is beëindigd, noemt de rechtbank opvallend, maar dit betekent niet dat de verklaring op 1 mei 2019 valselijk moet zijn opgemaakt. Hetzelfde geldt voor de beëindiging voordat de salarisverhoging inging.

De Volksbank heeft zich als benadeelde partij gevoegd met een vordering van € 1.920 aan materiële schade. De rechtbank verklaart de vordering niet-ontvankelijk, omdat een uittreksel van de Kamer van Koophandel en een volmacht ontbreken waaruit de bevoegdheid van de indiener blijkt, en omdat het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan niet is bewezen. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht; ieder draagt de eigen proceskosten.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht ten aanzien van de verhuurbemiddelaar bewezen:

  • Feit 1 primair: medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd, ten aanzien van contante huurpenningen en borg voor vier woningen in Leeuwarden en Sneek in de periode van 1 april 2018 tot en met 7 januari 2021, in totaal € 38.460; partiële vrijspraak van de bemiddelingsprovisie en van het gewoontewitwassen.

  • Feit 2 primair: een ander uit winstbejag behulpzaam zijn bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland, terwijl hij weet of ernstige redenen heeft te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk is, begaan in de uitoefening van beroep en in vereniging, meermalen gepleegd, ten aanzien van vier Albanese huurders.

De bestuurder wordt vrijgesproken van het valselijk opmaken van de werkgeversverklaring en de aanvulling daarop en van het opzettelijk gebruikmaken daarvan.

Strafoplegging en maatregelen

De rechtbank veroordeelt de verhuurbemiddelaar tot een taakstraf van 160 uren, subsidiair 80 dagen vervangende hechtenis, met aftrek van de tijd in verzekering doorgebracht naar de maatstaf van twee uren per dag. De rechtbank weegt mee dat de verdachte gedurende bijna drie jaar samen met zijn broer opzetwitwassen van € 38.460 heeft gepleegd en daarmee opbrengsten uit misdrijf aan het zicht van justitie heeft onttrokken, en dat hij door de verhuur aan vier niet-rechtmatig verblijvende vreemdelingen het Nederlandse vreemdelingenbeleid heeft doorkruist. De verdachte is niet eerder voor een soortgelijk feit veroordeeld. Het reclasseringsrapport van 27 februari 2025 schat het recidiverisico laag in; de verdachte heeft huisvesting, een stabiele relatie en geen schulden of verslavings- of psychische problematiek. De bedrijfsvoering is verbeterd en het bedrijf accepteert alleen nog girale betalingen. De redelijke termijn van artikel 6 EVRM is overschreden, wat in strafmatigende zin meeweegt. Hoewel de aard en ernst van de feiten in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigen, ziet de rechtbank daarvan af, waarbij zij in sterke mate gewicht toekent aan de overschrijding van de redelijke termijn en de verbeterde bedrijfsvoering. Daarmee wijkt de rechtbank af van de eis van tien maanden gevangenisstraf. Bijkomende straffen of maatregelen zijn niet opgelegd.

Aan de bestuurder wordt geen straf of maatregel opgelegd, nu hij wordt vrijgesproken.

Lees hier de volledige uitspraak in de zaak tegen de verhuurbemiddelaar en hier de volledige uitspraak in de zaak tegen de bestuurder.

Print Friendly and PDF ^