Vrijspraak: Overbrenging afvalstoffen (produced water) van Angola naar Nederland valt onder Marpol en niet onder EVOA

Rechtbank Rotterdam 1 november 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:8280

Ontvankelijkheid officier van justitie

Aangevoerd is dat er in de visie van de officier van justitie al sprake was van een voltooid strafbaar feit, namelijk een voltooide “overbrenging” van afvalstoffen als bedoeld in de Verordening (EG) Nr. 1013/2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (hierna: EVOA) op het moment dat de verdachte rechtspersoon had besloten het tenlastegelegde produced water vanuit de exclusieve economische zone (EEZ) voor de kust van Angola te exporteren richting de Europese Gemeenschap.

Uitgaande van dit standpunt van de officier van justitie is het tenlastegelegde feit (uitsluitend) in het rechtsgebied van Angola gepleegd; in dat geval heeft de Nederlandse staat geen rechtsmacht en is (dus) de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging.

Beoordeling

de verdachte rechtspersoon wordt verweten zich schuldig te hebben gemaakt aan een illegale overbrenging (als bedoeld in artikel 2 onder 35, sub f EVOA) van 30.000 metrische ton produced water van Angola naar Nederland.

Op basis van de formulering van de artikelen 2 onder 30, 2 onder 34 sub a, 2 onder 35 sub f en 41 EVOA, in onderlinge samenhang bezien en gelet op de doelstellingen van EVOA (blijkens artikel 1 lid 1 EVOA: procedures en controleregelingen voor de overbrenging van afvalstoffen vastleggen, naar gelang van de herkomst, de bestemming en de route van de overbrenging, het soort overgebrachte afvalstoffen en het soort behandeling dat de afvalstoffen op de plaats van bestemming ondergaan) omvat het begrip “overbrenging”, zoals dat wordt gebezigd in EVOA, mede “invoer”. Het begrip “invoer” wordt in artikel 2 onder 30 EVOA gedefinieerd als “het binnenbrengen van afvalstoffen in de Gemeenschap”. Het tenlastegelegde feit is weliswaar aangevangen binnen de rechtssfeer van Angola, maar is pas voltooid op het moment dat de afvalstoffen daadwerkelijk binnen de Europese Gemeenschap zijn gebracht, in dit geval in Nederland. De tenlastegelegde handeling is dus (mede) in Nederland begaan en derhalve is vervolging in Nederland mogelijk. De officier van justitie is dan ook ontvankelijk in de vervolging. Het verweer wordt verworpen.

Vrijspraak

Sinds 2007 is olieveld naam olieveld operationeel. Dit olieveld is een van de grootste olievelden voor de kust van Angola. Het gebied ligt binnen de EEZ van Angola. 
De oliewinning in het olieveld naam olieveld wordt uitgevoerd door de verdachte rechtspersoon.

De in voornoemd gebied aanwezige 43 onderzeebronnen zijn aangesloten op een door de verdachte rechtspersoon geëxploiteerde FPSO-voorziening (FPSO staat voor Floating Production, Storage and Offloading); een drijvend vaartuig c.q. offshore-platform, bestemd om geproduceerde vloeistoffen en ruwe aardolie te kunnen verpompen, genaamd de FPSO naam FPSO. Deze 310 meter lange FPSO heeft olieopslag-, olieproductie- en gasbehandelingscapaciteit.

Bij het oppompen van olie uit een bron komt water mee, dat “produced water” wordt genoemd. Het produced water waar de onderhavige zaak op ziet, is langere tijd opgeslagen geweest aan boord van de FPSO naam FPSO. Het produced water bevatte naast water, olie en diverse soorten chemicaliën zoals methanol, corrosion inhibitor, scale inhibitor, emulsion breaker, biocides1.

Toen bleek dat dit water aan boord van de FPSO naam FPSO niet kon worden gereinigd, is eind 2009 besloten om het produced water af te laten voeren teneinde het elders te laten verwerken. Aangezien in Angola geen verwerkingsfaciliteiten bestonden, is door de verdachte rechtspersoon aan de Angolese autoriteiten toestemming gevraagd om de partij produced water, die uiteindelijk ongeveer 30 miljoen liter betrof, voor verwerking en afvoer te mogen uitvoeren. Deze toestemming werd schriftelijk verleend en op 7 januari 2010 door de verdachte rechtspersoon ontvangen.

Op 9 en 10 januari 2010 werd in totaal circa 30.000 metrische ton produced water vanaf de FPSO naam FPSO aan boord van het zeeschip naam zeeschip geladen. Het zeeschip naam zeeschip is op 11 januari 2010 vanuit Angola vertrokken en op 29 januari 2010 aangekomen in Nigg Bay te Schotland. Aldaar bleek men vanwege technische beperkingen en onvoldoende opslagcapaciteit het produced water niet te kunnen verwerken. Vervolgens is het schip naar Rotterdam vertrokken, alwaar het op 31 januari 2010 voor de kust op een ankerplaats ligplaats nam.

Het zeeschip naam zeeschip kwam in de nacht van 5 op 6 februari 2010 binnen in de haven van Rotterdam en meerde af bij bedrijf te Rotterdam.

Standpunt officier van justitie

Aangevoerd is dat de tenlastegelegde 30.000 metrische ton produced water moet worden aangemerkt als een afvalstof in de zin van EVOA, nu de verdachte rechtspersoon zich ervan wilde ontdoen. EVOA is van toepassing op de tenlastegelegde overbrenging van deze afvalstof. De uitzonderingen voor toepasselijkheid van EVOA zoals opgenomen in artikel 1 lid 3 aanhef en onder a en b EVOA zijn niet van toepassing om de volgende redenen.

Ten aanzien van de uitzondering onder artikel 1 lid 3 aanhef en onder a EVOA: 

  1. Het produced water is niet ontstaan door de gewone exploitatie van de FPSO naam FPSO. Bij de uitleg van het begrip “normale exploitatie van een schip” moet worden gekeken vanuit de algemene functie van vaartuigen en alles wat daarmee samenhangt en verontreiniging van de zee tot gevolg kan hebben. Het produced water is niet ontstaan als gevolg van de normale exploitatie van een schip maar ontstaan als gevolg van industriële processen aan boord van een schip. 
  2. Indien voor de uitleg van het begrip “gewone exploitatie van een schip” moet worden gekeken naar de specifieke functie van het betrokken schip, geldt eveneens dat het produced water niet is ontstaan door de normale exploitatie van de FPSO naam FPSO. Het produced water kon niet, zoals te doen gebruikelijk, behandeld worden met het oog op het lozen in zee of injecteren in de bodem. In afwijking van de normale operatie aan boord van de FPSO naam FPSO ontdeed de verdachte rechtspersoon zich van het produced water door te kiezen voor externe verwerking.
  3. Indien het voorgaande niet opgaat, geldt dat het produced water buiten het regime van het Internationale verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen van 1973, als gewijzigd bij protocol van 1978 (hierna: Marpol) valt. Uit artikel 2 lid 3 Marpol volgt namelijk dat onder “lozen” in de zin van Marpol niet wordt verstaan “het vrijkomen van schadelijke stoffen als rechtstreeks gevolg van de exploratie, exploitatie en bijbehorende verwerking op zee van mineralen die zich in de zeebodem bevinden”. Dit betekent dat Marpol niet ziet op afvalstoffen afkomstig uit de winning en verwerking van minerale olie door schepen, waaronder FPSO’s.

Doordat het produced water niet onder het Marpol-regime valt, valt het onder het EVOA-regime.

Ten aanzien van de uitzondering onder artikel 1 lid 3 aanhef en onder b EVOA: 

1) Het woord “schip” in dit artikellid ziet alleen op schepen en niet op (drijvende of vaste) offshore platforms, gelet op de bewoordingen en ontstaansgeschiedenis van dit artikellid. Het produced water betreft derhalve geen afvalstof die aan boord van een schip is ontstaan.

2) Deze uitzondering geldt alleen tot het moment dat de afvalstoffen met het oog op nuttige toepassing of verwijdering gelost zijn. Met het lossen van het produced water vanaf de FPSO naam FPSO naar het zeeschip naam zeeschip op 9 januari 2010 vallen vanaf dat moment de verdere vervoershandelingen wel onder EVOA.

De tenlastegelegde partij produced water is in de tenlastegelegde periode overgebracht van Angola naar Nederland. Aangezien Nederland binnen de Europese Gemeenschap ligt, moet de overbrenging worden aangemerkt als invoer in de zin van EVOA.

Aangezien Angola geen partij is bij het Verdrag van Bazel inzake de beheersing van de grensoverschrijdende overbrenging van gevaarlijke afvalstoffen en de verwijdering ervan van 22 maart 1989 (hierna: het Verdrag van Bazel) en met Angola ook geen andere bi- of multilaterale overeenkomsten zijn gesloten of regelingen zijn getroffen, is de overbrenging gelet op de artikelen 41 en 2 onder 35 sub f EVOA een illegale overbrenging. Aldus is in strijd gehandeld met artikel 10.60 lid 2 Wet milieubeheer (hierna: Wm).

Relevante verdragsbepalingen

Uitgaande van de vastgestelde feiten, is aan de orde welke (verdragsrechtelijke) bepalingen van toepassing zijn op (het vervoer van) het tenlastegelegde produced water. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat EVOA van toepassing is. De verdediging bepleit dat dit Marpol is, zodat EVOA gelet op de uitzonderingsbepaling van artikel 1 lid 3, aanhef en onder a buiten toepassing blijft.

Voor de beoordeling van deze vraag zijn in ieder geval de navolgende bepalingen in beide verdragen relevant. Voor de goede orde zij opgemerkt dat Angola partij is bij Marpol.

EVOA

Lid 3 van artikel 1 (Toepassingsgebied) luidt (vertaald):

Onder deze verordening vallen niet:
a.     het lossen aan wal van door gewone exploitatie van schepen en offshore-platforms ontstane afvalstoffen, inbegrepen afvalwater en residuen, voorzover die afvalstoffen vallen onder het Internationale verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen van 1973, als gewijzigd bij het protocol van 1978 (Marpol 73/78), of onder andere bindende internationale rechtsinstrumenten;
b.     afvalstoffen die aan boord van voertuigen, treinen, vliegtuigen en schepen zijn ontstaan, totdat zij met het oog op nuttige toepassing of verwijdering gelost zijn;

MARPOL

Lid 2 van artikel 2 (Begripsomschrijvingen) luidt (vertaald):

“Schadelijke stof”: elke stof die, indien zij in de zee terechtkomt, gevaar kan opleveren voor de gezondheid van de mens, schade kan toebrengen aan de zeeflora en -fauna, de recreatiemogelijkheid die de zee biedt kan schaden of storend kan werken op ander rechtmatig gebruik van de zee; de term omvat elke stof die op grond van dit Verdrag aan toezicht is onderworpen.

Lid 3 van artikel 2 (Begripsomschrijvingen) luidt (vertaald):

a) “Lozen”, wanneer het betrekking heeft op schadelijke stoffen of vloeistoffen die dergelijke stoffen bevatten: elk vrijkomen van dergelijke stoffen van een schip, hoe ook veroorzaakt, met inbegrip van ontsnappen, over boord zetten, wegvloeien, lekken pompen, storten of ledigen;
b) onder “lozen” wordt niet verstaan:
(i) (…)
(ii) het vrijkomen van schadelijke stoffen als rechtstreeks gevolg van de exploratie, exploitatie en bijbehorende verwerking op zee van mineralen die zich in de zeebodem bevinden;
(iii) (…)

Lid 4 van artikel 2 (Begripsomschrijvingen) luidt (vertaald):

“Schip”: elk vaartuig, van wel type ook, dat in het maritieme milieu opereert, waaronder begrepen: draagvleugelboten, luchtkussenvaartuigen, onderwatervaartuigen, vaartuigen in drijvende toestand, alsmede vaste en drijvende platforms.

Verdrag van Bazel en EVOA

Uit de preambule bij EVOA kan worden opgemaakt dat EVOA (mede) tot doel heeft het Europese recht in overeenstemming te brengen met het Verdrag van Bazel, waarbij de Gemeenschap sinds 1994 partij is. 

Artikel 1 lid 3 aanhef en sub a EVOA heeft zijn oorsprong in artikel 1 lid 4 van het Verdrag van Bazel en is nagenoeg gelijkluidend is aan dat artikel. Artikel 1 lid 4 van het Verdrag van Bazel luidt: “Wastes which derive from the normal operations of a ship, the discharge of which is covered by another international instrument, are excluded from the scope of this Convention”.

Legal analyses

Over de exacte betekenis en reikwijdte van artikel 1 lid 4 van het Verdrag van Bazel is naar aanleiding van de zogenoemde Probo Koala-affaire in 2006 uitgebreid gediscussieerd. Bij deze discussie is de International Maritime Organization betrokken geweest en hebben ook de partijen bij het Verdrag van Bazel, waaronder de EU-landen, hun input geleverd. Dit heeft geresulteerd in een Legal analyses of the application of the Basel Convention to hazardous and other wastes generated on board ships d.d. 18 februari 2013 (hierna Legal analyses). In aanmerking nemende dat artikel 1 lid 3 aanhef en sub a EVOA is gebaseerd op artikel 1 lid 4 van het Verdrag van Bazel en gelet op de totstandkomingsgeschiedenis van voormelde Legal analyses, is de inhoud van die Legal analyses van groot belang voor de uitleg van artikel 1 lid 3 aanhef en sub a EVOA. De volgende overwegingen in de Legal analyses worden in het bijzonder van belang geacht in het kader van de beoordeling van de reikwijdte van artikel 1 lid 4 van het Verdrag van Bazel en dus van artikel 1 lid 3 aanhef en sub a EVOA:

  • In accordance with Article 31 of the Vienna Convention, a treaty shall be interpreted in good faith in accordance with the ordinary meaning to be given to the terms of the treaty in their context and in the light of its object and purposes (onder 23);
  • In defining the wastes covered by the Convention it is important to recall that it is primarily the nature of the wastes involved - not the process by which they are generated or who generate them – that is the basis for defining the scope of the Basel Convention. (…) Hence, there is apparently no justification under the Basel legal regime to treat differently the wastes stemming from “normal” or “abnormal” operations, whether on board of off board ships. In light of the object and purposes of the Basel Convention: it is primarily the listing in the Annexes that determines whether a specific substance is covered by Marpol, not the process through which such substances are generated., unless, obviously that process is prohibited (onder 28);
  • In as much as the use of the terms “normal operations” cannot be interpreted in isolation of the rest of the first part of the Article, of the context of the Convention and without taking into account its object and purpose, it would appear that a helpful approach tot the use of the word “normal operations” in Article 1, paragraph 4 could XXXort he this word was intended to serve as a marker to identify, without specifically mentioning it, MARPOL, as opposed tot the LC/LP. In light of all the above, and by virtue of the application of Article 31 of the Vienna Convention, the first part of Article 1 paragraph 4 of the Basel Convention should be taken tot mean “Marpol wastes” (onder 29);
  • Article 32 of the Vienna Convention authorizes the resourse to supplementary means of interpretation, including the preparatory work of the treaty and the circumstances of its conclusion, in order to confirm the meaning resulting from the application of Article 31. (…) There is no indication in the travaux préparatoires as XXXort h rationale XXXort he choice – at the time – of the terminolgy “normal operations”. (…) As a consequence, the use of the terminology “normal operations” was perhaps at the time left very wide on purpose as it is too difficult to map all kind of operations that may exist – at present or in the future – on board ships (onder 31);
  • Hence, by virtue of the application of Articles 31 and 32 of the Vienna Convention, this legal analysis suggests that “Wastes which derive from the normal operations of a ship, the discharge of which is covered by another international instrument…’” means wastes falling within the scope of MARPOL (onder 32).

Uit (onder meer) de hiervoor aangehaalde passages uit de Legal analyses volgt dat onder afvalstoffen die zijn ontstaan door de gewone exploitatie van een schip, moet worden verstaan, afvalstoffen die vallen onder de reikwijdte van Marpol. Dit betekent voor de uitleg van artikel 1 lid 4 van het Verdrag van Bazel dat afvalstoffen die vallen binnen het bereik van Marpol, buiten het toepassingsbereik van het Verdrag van Bazel vallen. Voor de uitleg van artikel 1 lid 3 aanhef en onder a EVOA betekent dit dus eveneens dat afvalstoffen die vallen onder het bereik van Marpol buiten het bereik van EVOA vallen, tot het moment dat die afvalstoffen aan wal zijn gelost.

Toepasselijkheid Marpol?

Gelet hierop is thans aan de orde de vraag of het produced water, afkomstig van de FPSO naam FPSO, valt onder de reikwijdte van Marpol. Voor het antwoord op die vraag wordt het volgende van belang geacht.

Volgens artikel 3 lid 1 Marpol is dit verdrag van toepassing op schepen die gerechtigd zijn de vlag van een partij bij het verdrag te voeren en schepen die niet gerechtigd zijn de vlag van een partij te voeren, maar wel aan het gezag van een partij zijn onderworpen.

De FPSO naam FPSO valt binnen het bereik van Marpol, omdat het volgens de definitie van schip in Marpol, zoals deze hiervoor is weergegeven, is aan te merken als een schip en dit schip valt onder het gezag van een verdragsluitende partij, omdat het is gelegen in de EEZ van Angola.

Of het produced water dat afkomstig is van de FPSO naam FPSO als zodanig onder Marpol valt, wordt - zo blijkt ook uit overweging 28 van de Legal analysis - primair bepaald door de bij Marpol behorende bijlagen en niet door de wijze waarop de stof is ontstaan.

Volgens voorschrift 15 lid 1 van Bijlage I bij Marpol (hierna: de Bijlage) is elke lozing in zee van olie of oliehoudende mengsels door schepen verboden, uitgezonderd het bepaalde in voorschrift 4 van de Bijlage en de leden 2, 3 en 6 van voorschrift 15. Omdat genoemde uitzonderingen zich in deze zaak niet voordoen, wordt met een verwijzing naar deze onderdelen volstaan.

In de leden 8 en 9 van voorschrift 15 van de Bijlage is voorts het volgende bepaald:

8. Lozingen in zee mogen geen chemicaliën of andere stoffen bevatten in hoeveelheden of concentraties die schadelijk zijn voor het mariene milieu, noch chemicaliën of andere stoffen die worden aangewend om de in dit voorschrift aangegeven lozingsvoorwaarden te ontduiken.
9. Olierestanten die niet in zee kunnen worden geloosd volgens de bepalingen van dit voorschrift dienen aan boord te worden gehouden om naderhand bij ontvangstinrichtingen te worden afgegeven.

Voorschrift 39 van de Bijlage geeft bijzondere vereisten voor vaste of drijvende platforms en daarin is het volgende bepaald:

1. Dit voorschrift is van toepassing op vaste of drijvende platforms, met inbegrip van boorinstallaties, drijvende productie-, opslag- en overslageenheden (FPSO’s) die buitengaats worden gebruikt voor de productie en opslag van olie, en drijvende opslageenheden (FSU’s) die worden gebruikt voor de opslag buitengaats van geproduceerde olie.
2. Vaste of drijvende platforms, buitengaats gebezigd voor exploratie, exploitatie en daarbij behorende verwerking van minerale zeebodemschatten, en andere platforms, dienen te voldoen aan de vereisten van deze Bijlage die van toepassing zijn op schepen, geen olietankschepen zijnde, met een brutotonnage van 400 of meer, met dien verstande dat:
  1. zij, voor zover praktisch uitvoerbaar, dienen te zijn uitgerust met de voorzieningen vereist in de voorschriften 12 en 14 van deze Bijlage;
  2. zij een registratie, volgens een door de Administratie goedgekeurd model, dienen bij te houden van alle handelingen waarbij lozingen van olie of oliehoudende mengsels plaatsvinden; en
  3. overeenkomstig het bepaalde in voorschrift 4 van deze Bijlage, het lozen in zee van olie of oliehoudende mengsels verboden is, tenzij het oliegehalte van de geloosde vloeistof zonder verdunning niet hoger is dan 15 delen per miljoen.

Op grond van voornoemde bepalingen van Marpol en de voorschriften in de Bijlage kan worden geconcludeerd dat het produced water, dat bestaat uit water met sporen van olie en toegevoegde chemicaliën, is aan te merken als een oliehoudend mengsel dat bovendien chemicaliën bevat die schadelijk zijn voor het mariene milieu, en dat dit aldus een stof is die valt onder het bereik van Marpol.

Door de officier van justitie is nog gewezen op de uitzondering op het begrip lozen, zoals opgenomen in artikel 2 lid 3 onder b) ii van Marpol, waarin staat dat onder lozen niet wordt verstaan het vrijkomen van schadelijke stoffen als rechtstreeks gevolg van de exploratie, exploitatie en bijbehorende verwerking op zee van mineralen die zich in de zeebodem bevinden. De door hem aan deze uitzondering verbonden conclusie dat Marpol niet ziet op afvalstoffen afkomstig uit de winning en verwerking van minerale olie door schepen, waaronder FPSO’s, kan in het licht van de hiervoor aangehaalde bepalingen geen stand houden. De uitzondering dient binnen het kader van Marpol aldus te worden begrepen dat zij ziet op de situatie waarin het direct vrijkomen in zee van schadelijke stoffen, bij de exploratie, exploitatie en bijbehorende verwerking op zee van mineralen in de zeebodem, onvermijdelijk is en niet kan worden voorkomen. In zoverre is de oorspronkelijke Engelse tekst ook duidelijker nu daar staat dat het gaat om “release of harmful substances directly arising from the exploration, exploitation and associated off-shore processing of seabed mineral resources”.

Op grond van al het voorgaande geldt dat de uitzondering in artikel 1 lid 3 aanhef en onder a EVOA zich in dit geval voordoet en dat derhalve EVOA niet van toepassing is op de overbrenging van het produced water van Angola naar Nederland.

De omstandigheid dat het produced water ten behoeve van het aan wal brengen daarvan vanaf de FPSO naam FPSO aan boord is gebracht van een ander schip, te weten het zeeschip naam zeeschip, doet aan deze conclusie niet af. Op grond van voorschrift 15 lid 9 Marpol dienen olierestanten die niet in zee kunnen worden geloosd volgens de bepalingen van dit voorschrift, aan boord te worden gehouden om naderhand bij ontvangstinrichtingen te worden afgegeven. Aan dit voorschrift is voldaan. Weliswaar is het produced water van boord van de FPSO naam FPSO eerst aan boord gebracht van zeeschip naam zeeschip en vervolgens met de naam zeeschip aan wal gebracht, maar daarmee is het wel aan boord van een schip gebleven. Noch uit voorschrift 15, noch uit enig ander voorschrift of bepaling van of bij Marpol, volgt de beperking dat de afvalstoffen aan de wal gebracht dienen te worden door het schip waarop de afvalstoffen zijn ontstaan.

Nu het produced water reeds valt onder de uitzondering als bedoeld in artikel 1 lid 3 aanhef en onder a EVOA, behoeft de eventuele toepasselijkheid van de uitzondering als bedoeld onder b van artikel 1 lid 3 EVOA geen nadere bespreking.

Met de vaststelling dat EVOA niet van toepassing is op de overbrenging van het tenlastegelegde produced water van Angola naar Nederland, geldt dat geen sprake is van een illegale overbrenging in de zin van EVOA. De verdachte rechtspersoon heeft dus niet in strijd gehandeld met artikel 10.60 lid 2 Wm.

Het tenlastegelegde feit is derhalve niet bewezen, zodat de verdachte rechtspersoon daarvan zal worden vrijgesproken.

 

Lees hier de volledige uitspraak. 





 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF