Veroordeling gebruik maken van niet op verdachtes naam gesteld reisdocument: digitale foto van reisdocument wordt aangemerkt als afschrift

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 22 juli 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:3960

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte veroordeeld ter zake van het gebruik maken van een niet op zijn naam gesteld reisdocument tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, waarvan voorwaardelijk 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis, met een proeftijd van 2 jaren.

De raadsman heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat:

  • een zich op de telefoon van verdachte bevindende foto van een reisdocument niet kan worden aangemerkt als een afschrift;
  • niet kan worden bewezen dat verdachte het reisdocument heeft overhandigd.

Ad I

In de toelichting op het wetsvoorstel dat ten grondslag ligt aan de wet waarbij art. 231, tweede lid, Sr. laatstelijk is gewijzigd geeft de toenmalige minister van Veiligheid en Justitie aan dat deze bepaling ook ziet op het door een verdachte opzettelijk gebruik maken van een kopie van een niet op zijn naam gesteld identiteitsbewijs (daaronder begrepen een reisdocument). Daarbij wordt nog opgemerkt dat door het gebruik van ‘het afschrift’ bij wijze van spreken gebruik wordt gemaakt van het origineel.1 Het hof maakt deze zienswijze tot de zijne.

Verdachte heeft gebruik gemaakt van een foto van het betreffende reisdocument die door een vriendin naar zijn telefoon was verzonden. Naar het oordeel van het hof betreft dit een kopie van een reisdocument in voormelde zin. Daarbij doet niet ter zake dat deze kopie (het afschrift) geen papieren maar een digitaal document betreft. Het hof verwijst in dit verband nog naar de jurisprudentie waaruit volgt dat ook digitale gegevens als ‘geschrift’ in de zin van het wetboek van strafrecht kunnen worden aangemerkt (o.a. HR 15 januari 1991, NJ 1991/668). Het hof komt derhalve tot de slotsom dat verdachte gebruik heeft gemaakt van een afschrift van het reisdocument.

Het verweer wordt verworpen.

Ad II

Ten laste gelegd is dat verdachte gebruik heeft gemaakt van een afschrift van een reisdocument door dit afschrift te overhandigen. Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting is niet duidelijk geworden of verdachte het afschrift aan de opsporingsambtenaren heeft afgegeven dan wel aan hen heeft getoond. De kern van het in de tenlastelegging gemaakte verwijt bestaat uit het gebruik maken van een niet op verdachtes naam gesteld reisdocument. Binnen deze context van de tenlastelegging valt, naar het oordeel van het hof, onder dit gebruik maken ‘door te overhandigen’ niet alleen het fysiek afgeven van dit afschrift maar ook het tonen daarvan. Het verweer wordt verworpen.

Bewezenverklaring

  • Opzettelijk gebruik maken van een niet op zijn naam gesteld reisdocument.

Strafoplegging

Taakstraf van 120 uur waarvan 60 uur voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF