Vrijspraak en ontslag van alle rechtsvervolging bij verwijdering van asbest zonder nieuwe sloopmelding
/Rechtbank Noord-Nederland 13 juli 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:2765
De economische politierechter van de rechtbank Noord-Nederland beoordeelt twee gevoegde zaken tegen een rechtspersoon die asbest heeft verwijderd zonder een nieuwe sloopmelding te doen bij het bevoegd gezag. In de eerste zaak gaat het om twee losse asbesthoudende buizen die tijdens sloopwerkzaamheden in De Westereen worden aangetroffen. De rechter kan niet vaststellen dat deze buizen deel hebben uitgemaakt van een bouwwerk en spreekt de verdachte daarom vrij. In de tweede zaak, over een asbesthoudende buis in panden in Grou, staat wel vast dat de buis uit een bouwwerk is verwijderd. De verdachte doet daarover een aanvullende melding onder verwijzing naar een eerdere sloopmelding, wat de rechter aanmerkt als een melding in de zin van art. 7.11 lid 3 Bbl. Omdat die bepaling een exceptie op de hoofdregel van art. 7.10 Bbl vormt, volgt voor dat feit ontslag van alle rechtsvervolging.
Inleiding en context
De verdachte is een rechtspersoon. De economische politierechter behandelt in eerste aanleg en enkelvoudig twee ter terechtzitting gevoegde zaken, met de parketnummers 84/201821-25 en 84/201834-25. Beide zaken betreffen het verwijderen van asbest tijdens sloopwerkzaamheden zonder dat daarvoor tijdig een (nieuwe) sloopmelding is gedaan bij het bevoegd gezag. Het onderzoek ter terechtzitting vindt plaats op 15 juni 2026 en wordt op 29 juni 2026 gesloten. De verdachte verschijnt niet; namens haar verschijnt mr. L. Hoekstra, die verklaart uitdrukkelijk te zijn gemachtigd. Het Openbaar Ministerie wordt vertegenwoordigd door mr. M.S. Bond.
Tenlastelegging en wettelijk kader
Onder parketnummer 84/201821-25 wordt de verdachte verweten dat zij op of omstreeks 13 september 2024 te De Westereen, gemeente Dantumadeel, al dan niet opzettelijk asbest, te weten een buis van 5 meter en een buis van 3 meter, uit een bouwwerk heeft verwijderd zonder of in afwijking van een sloopmelding, terwijl de verwijdering niet ten minste vier weken vooraf bij het bevoegd gezag is gemeld en de termijn van vier weken niet is verkort overeenkomstig art. 7.10 lid 3 Bbl.
Onder parketnummer 84/201834-25 wordt de verdachte verweten dat zij in de periode van 18 tot en met 24 oktober 2024 te Grou, gemeente Leeuwarden, asbest, te weten bron 1 bestaande uit 66 meter buis, uit een of meer bouwwerken heeft verwijderd zonder of in afwijking van een sloopmelding, onder dezelfde omstandigheden ten aanzien van de meldingstermijn.
Het wettelijk kader wordt gevormd door art. 7.10 lid 1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) jo art. 4.3 Omgevingswet jo art. 1a WED. Art. 7.10 lid 1 Bbl verbiedt het slopen van een bouwwerk of een gedeelte daarvan waarbij asbest wordt verwijderd, zonder dat ten minste vier weken voor aanvang van de sloopwerkzaamheden een melding is gedaan aan het bevoegd gezag. Centraal staat het bestanddeel dat het asbest uit een bouwwerk wordt verwijderd. Daarnaast is art. 7.11 lid 3 Bbl van belang, dat ziet op asbest dat tijdens toegestane sloopwerkzaamheden wordt aangetroffen.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie vordert veroordeling voor beide feiten. Wat er feitelijk is gebeurd, staat volgens de officier van justitie niet ter discussie. Voor de vraag of een enkele kennisgeving in de zin van art. 7.11 lid 3 Bbl volstaat of dat een nieuwe sloopmelding als bedoeld in art. 7.10 Bbl moet worden gedaan, is beslissend of het de bedoeling is het asbest te verwijderen. Blijft het asbest zitten, dan volstaat een kennisgeving; wordt het verwijderd, dan is een nieuwe sloopmelding vereist. De officier van justitie wijst erop dat dit ook het standpunt is van de Raad van State en het Iplo. Omdat de verdachte het aangetroffen asbest telkens wilde verwijderen en ook heeft verwijderd, is een enkele kennisgeving in dit geval onvoldoende. De uitspraak vermeldt geen concreet geëiste strafmaat.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw bepleit vrijspraak van beide feiten. Uit de wet- en regelgeving en uit de jurisprudentie volgt dat geen aparte sloopmelding hoeft te worden gedaan en dat een enkele kennisgeving volstaat. Daarbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen asbest dat aan, op of bij het gebouw wordt aangetroffen. De verdachte heeft in beide gevallen een kennisgeving met een aangepast asbestinventarisatierapport gedaan door middel van een aanvullende sloopmelding en heeft daarmee telkens aan de geldende voorschriften voldaan.
Oordeel gerecht
Ten aanzien van het feit onder parketnummer 84/201821-25 acht de economische politierechter het tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen. Uit het dossier volgt dat op 19 juli 2024 een sloopmelding is gedaan voor de voorgenomen sloop van een bouwwerk en dat op 11 september 2024 een vervolgmelding met asbestverwijderingsrapport is gedaan over twee op het erf aangetroffen buizen met asbest. De Fryske Utfieringstsjinst Miljeu en Omjouwing (FUMO), die als bevoegd gezag in de zin van art. 7.10 Bbl geldt, stelt dat op 13 september 2024 zonder sloopmelding uit een bouwwerk is verwijderd. De rechter oordeelt dat de verweten gedraging niet onder art. 7.10 Bbl valt. De twee losse buizen worden aangetroffen nadat de sloopwerkzaamheden zijn aangevangen, en uit het dossier kan niet worden afgeleid dat zij eerder deel hebben uitgemaakt van het pand of dat zij later op het sloopterrein zijn gedumpt. Nu een andere herkomst niet kan worden vastgesteld, houdt de rechter het erop dat de buizen geen deel hebben uitgemaakt van het gesloopte bouwwerk. Mogelijk vallen zij onder het Asbestverwijderingsbesluit 2005, dat regels bevat over het verwijderen van losse asbesthoudende voorwerpen. Omdat niet kan worden uitgesloten dat de buizen niet afkomstig zijn uit een bouwwerk als bedoeld in art. 7.10 Bbl, is niet bewezen dat de verdachte de buizen uit een bouwwerk heeft verwijderd. De rechter spreekt de verdachte van dit feit vrij.
Ten aanzien van het feit onder parketnummer 84/201834-25 stelt de economische politierechter vast dat de verdachte op 18 oktober 2024 een asbesthoudende buis uit bouwwerken te Grou heeft verwijderd. Gelet op de plaats waar de buis is verwijderd en op de fotos in het dossier, kan het niet anders dan dat de buis deel heeft uitgemaakt van het te slopen bouwwerk, zodat sprake is van een bouwwerk in de zin van art. 7.10 Bbl. Op 20 maart 2024 is een sloopmelding gedaan, nadat op 24 februari 2024 een asbestinventarisatierapport is opgemaakt voor de te slopen panden. De gemeente Leeuwarden heeft op 7 april 2024 goedkeuring verleend aan de voorgenomen sloopwerkzaamheden, en uit de stukken blijkt niet dat die werkzaamheden buiten de termijn van art. 7.10 lid 1 Bbl zijn aangevangen. Op 15 oktober 2024 dient de verdachte een melding bij de gemeente in, met als inhoud een aanvulling op de sloopmelding van 20 maart 2024 wegens tijdens de sloop aangetroffen asbest, met de mededeling dat een en ander op 18 oktober 2024 zal worden verwijderd. De FUMO stelt bij een milieucontrole op 22 oktober 2024 vast dat de buis daadwerkelijk is verwijderd. Bij brief van 24 oktober 2024 geeft de gemeente Leeuwarden onder voorwaarden toestemming om de buis te (doen) verwijderen.
De rechter merkt de melding van 15 oktober 2024, die verwijst naar de sloopmelding van 20 maart 2024, aan als een melding in de zin van art. 7.11 lid 3 Bbl, nu tijdens toegestane sloopwerkzaamheden asbest is ontdekt dat niet in het asbestinventarisatierapport van 24 februari 2024 was opgenomen en waarover de gemeente onverwijld is geïnformeerd. Naast een eerder gedane en goedgekeurde sloopmelding is in dat geval geen nieuwe sloopmelding als bedoeld in art. 7.10 lid 1 Bbl vereist, zodat ook de reactietermijn van vier weken niet geldt. De rechter merkt art. 7.11 lid 3 Bbl aan als een exceptie ten opzichte van de hoofdregel van art. 7.10 Bbl, in het bijzonder als een fait d'excuse; de bepaling vormt geen onderdeel van de strafbaarstelling van art. 7.10 Bbl. De rechter acht aannemelijk dat de verdachte bij het verwijderen van de buis langs de weg van art. 7.11 lid 3 Bbl juist heeft gehandeld. Omdat de verdachte zich met vrucht op deze uitzondering op de hoofdregel beroept, volgt ontslag van alle rechtsvervolging wegens niet-strafbaarheid van het feit.
Bewezenverklaring
Het onder parketnummer 84/201834-25 tenlastegelegde is bewezen verklaard, maar levert geen strafbaar feit op. Bewezen is:
dat de verdachte in de periode van 18 oktober 2024 tot en met 24 oktober 2024 te Grou, gemeente Leeuwarden, asbest, te weten bron 1 bestaande uit 66 meter buis, uit een of meer bouwwerken heeft verwijderd.
Het onder parketnummer 84/201821-25 tenlastegelegde is niet bewezen. Daarvan wordt de verdachte vrijgesproken.
Strafoplegging en maatregelen
De rechter legt geen straf of maatregel op. Voor het feit onder parketnummer 84/201821-25 volgt vrijspraak, omdat niet bewezen is dat de verdachte asbest uit een bouwwerk heeft verwijderd. Voor het feit onder parketnummer 84/201834-25 volgt ontslag van alle rechtsvervolging, omdat het bewezen verklaarde feit door het beroep op art. 7.11 lid 3 Bbl niet strafbaar is. Het Openbaar Ministerie vordert veroordeling voor beide feiten. De rechter wijkt daarvan af door de verdachte voor het eerste feit vrij te spreken en haar voor het tweede feit te ontslaan van alle rechtsvervolging.
