Voorwaardelijke geldboetes voor kapitein wegens niet-opzettelijk lozen van een oliehoudend mengsel in de Noordzee en opzettelijk niet bijhouden van het oliejournaal
/Rechtbank Amsterdam 17 september 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:9382
De rechtbank Amsterdam veroordeelt de kapitein van een onder Nederlandse vlag varend olietankschip voor het lozen van een oliehoudend mengsel in de Noordzee op 29 december 2020. Een kustwachtvliegtuig neemt achter het schip een spoor van ongeveer 13,7 kilometer waar met kleuren die op minerale olie wijzen. De rechtbank spreekt de verdachte vrij van opzet op de lozing en acht medeplegen van de niet-opzettelijke overtreding bewezen. Ook het opzettelijk niet bijhouden van het Oliejournaal deel II acht zij bewezen. Het beroep op afwezigheid van alle schuld verwerpt de rechtbank. Zij legt geheel voorwaardelijke geldboetes op van € 2.000 en € 1.000 en weegt daarbij een overschrijding van de redelijke termijn met twee jaar en bijna vijf maanden mee.
Inleiding en context
De verdachte is een natuurlijk persoon, geboren in 1967, en ten tijde van de feiten kapitein van een onder Nederlandse vlag varend olietankschip van 5.642 GT. Hij is inmiddels met pensioen en heeft een schoon strafblad. De meervoudige economische kamer van de rechtbank Amsterdam wijst in eerste aanleg vonnis op tegenspraak, na zittingen op 8 februari 2024, 20 augustus 2026 en 17 september 2026.
Op 29 december 2020 ziet de bemanning van een kustwachtvliegtuig het schip op de Noordzee varen met daarachter een spoor van ongeveer 13,7 kilometer lang en 50 meter breed, met regenboog- en metalickleuren die wijzen op minerale olie. Een opname van de Side Looking Airborne Radar laat zien dat het spoor met het schip verbonden is. Aan boord wordt op dat moment tank 6 stuurboord, die als sloptank is gebruikt, gewassen met het schoonmaakmiddel KT-degreaser om het schip gereed te maken voor de volgende lading. De vorige lading bestond uit verschillende soorten smeerolie. De verdachte verklaart dat hij indirect opdracht heeft gegeven tot het ontzouten van de sloptank, dat de eerste stuurman dit feitelijk heeft uitgevoerd en dat het waswater daarna via de onderwaterlozingsopening overboord zou gaan. In het Oliejournaal deel II is na 27 december 2020 niets ingevuld.
Tenlastelegging en wettelijk kader
De verdachte wordt verweten dat hij op 29 december 2020, al dan niet samen met anderen en al dan niet opzettelijk, vanaf het schip olie in de Noordzee loost (feit 1) en dat hij er, al dan niet opzettelijk, niet voor zorgt dat het Oliejournaal deel II wordt bijgehouden, doordat dit na de lozing niet onverwijld is ingevuld (feit 2). De tenlastelegging is op de zitting van 8 februari 2024 gewijzigd. Feit 1 betreft een voorschrift gesteld krachtens artikel 5 van de Wet voorkoming verontreiniging door schepen, in verbinding met voorschrift 34 van Bijlage I bij het Marpol-verdrag. Feit 2 betreft artikel 11 lid 1 van die wet, in verbinding met voorschrift 36 lid 2.7 van dezelfde bijlage. Als toepasselijke voorschriften noemt de rechtbank verder de artikelen 1a, 2 en 6 WED en de artikelen 29 en 36 van het Besluit voorkoming verontreiniging door schepen. De volledige tekst van de tenlastelegging staat in een bijlage bij het vonnis die geen deel uitmaakt van de aangeleverde tekst.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie acht bewezen dat de verdachte beide feiten opzettelijk begaat en vordert een geldboete van € 6.500. Een nadere onderbouwing van dit standpunt geeft het vonnis niet weer.
Standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit vrijspraak van beide feiten. Bij feit 1 voert zij, met een beroep op een rapport van een marine consultant, aan dat niet is bewezen dat het waargenomen spoor olie of een oliehoudend mengsel betreft. Is dat wel bewezen, dan is de kapitein volgens de verdediging geen normadressaat van het toepasselijke Marpol-voorschrift. Van medeplegen is volgens haar evenmin sprake.
Bij feit 2 stelt de verdediging dat het oliejournaal niet hoefde te worden ingevuld omdat de Annex I-procedure was afgerond, dat de betrokken tank een ladingtank was en geen sloptank, en dat opzet niet is bewezen. Voor feit 1 doet zij een beroep op afwezigheid van alle schuld. Een strafmaatverweer geeft het vonnis niet weer.
Oordeel gerecht
De rechtbank gaat uit van de waarnemingen van de verbalisanten en leidt daaruit af dat vanaf het schip een oliehoudend mengsel in de Noordzee is geloosd. De bevindingen uit het rapport van de marine consultant berusten op een experimentele setting van zeer beperkte omvang. Tegen de achtergrond van de waarnemingen en de mededeling van de fabrikant dat KT-degreaser geen kleurenspoor achterlaat, acht de rechtbank die bevindingen onvoldoende om aannemelijk te achten dat het spoor niet oliehoudend was. De waarnemingen vinden bevestiging in de laatste lading van het schip, minerale olie, en in het wassen van de sloptank op dat moment, waarbij het waswater volgens de procedure in zee werd geloosd.
Het lozen van waswater in zee is op zichzelf niet verboden. Bevat het waswater minerale olie, dan gelden de voorschriften van Annex I bij het Marpol-verdrag, waaronder het verbod op lozing van oliehoudende mengsels in aangewezen bijzondere gebieden zoals de Noordzee. Die voorschriften gelden voor eenieder, dus ook voor de kapitein. Hij is eindverantwoordelijk voor wat aan boord gebeurt en verkeert in de positie om ervoor te zorgen dat het geloosde waswater niet oliehoudend is. Bij een extra wassing op zee met lozing in een bijzonder gebied is alertheid geboden. De visuele inspectie door de stuurman, van bovenaf in de tank, is onvoldoende gebleken voor de conclusie dat de tank schoon was.
Opzet op de lozing acht de rechtbank niet bewezen. De verdachte geeft uitvoering aan het beleid en de procedures van de rederij en rekent erop dat na uitvoering van het tank cleaning plan en de mededeling van de stuurman geen olie meer in de tank aanwezig is. Niet kan worden vastgesteld dat na die procedure regelmatig olie achterbleef en dat de verdachte dat wist. Aanvaarding van een aanmerkelijke kans staat daarmee niet vast. Medeplegen van de overtreding acht de rechtbank wel bewezen. Daarvoor is een bewuste samenwerking vereist; opzet op het gronddelict is niet nodig (ECLI:NL:HR:1999:ZD1313). De samenwerking met in elk geval de stuurman blijkt uit de verklaring van de verdachte.
Bij feit 2 overweegt de rechtbank dat de lozing uit de als sloptank gebruikte tank in het Oliejournaal deel II had moeten worden ingevuld, dat dit de verantwoordelijkheid van de kapitein is en dat het niet-invullen opzettelijk is gebeurd. Het beroep op afwezigheid van alle schuld verwerpt de rechtbank. De verdachte heeft niet alles gedaan of laten doen wat van hem verwacht mocht worden: niet is gebleken dat is gecontroleerd of het waswater van de wassing op zee schoon was.
Bewezenverklaring
Feit 1: medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 5 van de Wet voorkoming verontreiniging door schepen
Feit 2: overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 11 lid 1 van de Wet voorkoming verontreiniging door schepen, opzettelijk begaan
De rechtbank spreekt de verdachte vrij van het opzettelijk begaan van feit 1.
Strafoplegging en maatregelen
De rechtbank legt voor feit 1 een geldboete op van € 2.000, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 dagen hechtenis, en voor feit 2 een geldboete van € 1.000, te vervangen door 10 dagen hechtenis. Beide geldboetes zijn geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Bijkomende straffen of maatregelen legt de rechtbank niet op.
De rechtbank wijst op de schade die het lozen van olie kan toebrengen aan een kwetsbaar en al sterk verontreinigd gebied als de Noordzee, en op de belemmering van de controle door het niet goed bijhouden van het oliejournaal. Zij houdt er rekening mee dat bij feit 1 in de eerste plaats de rederij beter beleid en betere procedures had moeten hebben en dat de verdachte volgens die procedures heeft gehandeld. Dat laat zijn eigen verantwoordelijkheid als kapitein onverlet. Anders dan de officier van justitie gaat de rechtbank uit van de niet-opzettelijke variant van feit 1. Ook het pensioen van de verdachte, het daardoor beperkte herhalingsgevaar en zijn schone strafblad weegt zij mee.
De redelijke termijn, gerekend vanaf de oproeping voor het OM-hoorgesprek van 22 april 2022, is met twee jaar en bijna vijf maanden overschreden. Die overschrijding weegt strafmatigend en maakt dat de rechtbank een onvoorwaardelijke straf niet meer passend acht.
Lees hier de volledige uitspraak.
