Voordeel genoten uit “andere feiten” & Niet alleen in strafzaak, maar ook in ontnemingszaak had OM verklaringen moeten verifiëren

Rechtbank Den Haag 7 maart 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:2156

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of veroordeelde voordeel heeft genoten uit “andere feiten” als bedoeld in artikel 36e derde lid van het Wetboek van Strafrecht. Bij de beantwoording van die vraag is van belang dat het Openbaar Ministerie de rechtbank een rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel heeft voorgelegd, dat grotendeels op dezelfde bewijsmiddelen is gebaseerd als de bewijsmiddelen in het onderliggende dossier in de strafzaak, en die bij het Gerechtshof niet tot een veroordeling voor het witwassen heeft geleid.

Gelet hierop is de rechtbank, meer nog dan anders al het geval is, van oordeel dat het Openbaar Ministerie nauwgezet dient te onderbouwen wat de aanwijzingen zijn waarop de aannemelijkheid is gestoeld dat zogenaamde “andere feiten” als bedoeld in artikel 36e derde lid van het Wetboek van Strafrecht, er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.

De enkele verwijzing naar de onderbouwing in het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel acht de rechtbank daartoe onvoldoende, indachtig de hiervoor weergegeven overwegingen van het Gerechtshof.

De rechtbank acht daarbij tevens van belang dat na het arrest van het Gerechtshof, ondanks de daarin opgenomen overwegingen, in de ontnemingszaak geen nader onderzoek heeft plaatsgevonden naar aanleiding van de door verdachte gegeven verklaring voor de herkomst van de geldbedragen.

Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, zal de rechtbank de vordering tot ontneming van door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel afwijzen.

 

Lees hier de volledige uitspraak. 

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF