Veroordelingen voor feitelijk leidinggeven aan overtreding van artikel 36 Wmg en medeplegen van gewoontewitwassen, met vrijspraak van valsheid in geschrift, valse geschriften en oplichting
/De rechtbank Rotterdam doet in het onderzoek Hoxie uitspraak in vier samenhangende strafzaken over fraude met zorggelden bij twee ongecontracteerde thuiszorgondernemingen in Utrecht en Amsterdam. Bewezen is dat elk van de verdachten feitelijk leiding heeft gegeven aan het overtreden van de administratieplicht van artikel 36 Wmg. Drie verdachten worden daarnaast veroordeeld voor medeplegen van gewoontewitwassen van € 4.539.378 en voor deelname aan een criminele organisatie, waarvan één verdachte als leider. Alle verdachten worden vrijgesproken van valsheid in geschrift, het gebruik van valse geschriften en oplichting van zorgverzekeraars, en de bestuurster van de Amsterdamse onderneming wordt ook van de criminele organisatie vrijgesproken. De opgelegde straffen lopen uiteen van een gevangenisstraf van zestien dagen tot negen maanden, waarbij de rechtbank rekening houdt met een forse overschrijding van de redelijke termijn en met een strafbeschikking tegen een medeverdachte. De zorgverzekeraars worden als benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen.
Rechtbank Rotterdam 13 juli 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:8454 (hoofdverdachte, geboren 1974)
Rechtbank Rotterdam 13 juli 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:8459 (verdachte geboren 1978)
Rechtbank Rotterdam 13 juli 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:8457 (verdachte geboren 1994)
Rechtbank Rotterdam 13 juli 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:8452 (bestuurster, geboren 1996)
Inleiding en context
De vier zaken komen voort uit het strafrechtelijk onderzoek Waupun, dat startte na meldingen bij de Nederlandse Arbeidsinspectie over zorgondernemingen die met zorggelden zouden frauderen. Dat onderzoek leidde tot de verdenking van een georganiseerd crimineel verband en tot twee deelonderzoeken naar thuiszorgondernemingen: een onderneming in Utrecht (onderzoek New Richmond) en een onderneming in Amsterdam (onderzoek Thorpe). Onder de naam Hoxie loopt het overkoepelende onderzoek naar de verdachten. Alle vier de verdachten zijn natuurlijke personen. Het gaat om zaken in eerste aanleg voor de meervoudige kamer, behandeld op de zittingen van 9 tot en met 15 juni 2026. Drie verdachten zijn ter zitting aanwezig; de hoofdverdachte wordt bij verstek berecht en is tijdens de schorsing van zijn voorlopige hechtenis vermoedelijk naar het buitenland vertrokken.
De Utrechtse onderneming is opgericht op 26 november 2015 en op 3 december 2019 failliet verklaard. De formele bestuurders zijn achtereenvolgens een vrouw en, vanaf 1 mei 2018, haar moeder. Volgens het Openbaar Ministerie zijn zij bestuurder op papier en heeft de hoofdverdachte de daadwerkelijke zeggenschap als eigenaar achter de schermen. De verdachte geboren in 1978 werkt daar als salesmanager. De verdachte geboren in 1994 is de stiefzoon van de hoofdverdachte, is tot 2019 in dienst bij de Utrechtse onderneming en is via zijn houdstermaatschappij aandeelhouder van de Amsterdamse onderneming. Die Amsterdamse onderneming is opgericht op 11 februari 2019. De bestuurster geboren in 1996 staat als bestuurder geregistreerd tot 1 november 2020, waarna haar vader haar opvolgt. Het Openbaar Ministerie beschouwt de Amsterdamse onderneming als een voortzetting van de Utrechtse.
Beide ondernemingen zijn ongecontracteerde zorgaanbieders zonder contract met zorgverzekeraars. Niet-gecontracteerde wijkverpleging wordt alleen vergoed na een vooraf afgegeven machtiging, met een indicatiestelling door een BIG-geregistreerde wijkverpleegkundige. De Utrechtse onderneming declareert de zorg via een betaalovereenkomst rechtstreeks bij de zorgverzekeraar; bij de Amsterdamse onderneming declareren de verzekerden zelf en betalen zij vervolgens de onderneming. De kern van de verdenking is dat beide ondernemingen zorg hebben gedeclareerd of gefactureerd die niet of niet geheel is geleverd, met een onvolledige en deels onjuiste administratie, waarbij veel wordt gewerkt met onderaannemers die familielid van cliënten zijn en waarbij ontvangen zorggelden contant worden gemaakt.
Tenlastelegging en wettelijk kader
De verdenking is vertaald naar zes feiten. De hoofdverdachte, de salesmanager en de stiefzoon wordt verweten dat zij feitelijk leiding hebben gegeven aan valsheid in geschrift (feit 2, artikel 225 Sr), het gebruik van valse geschriften (feit 3), oplichting van zorgverzekeraars voor € 1.701.661 (feit 4, artikel 326 Sr) en het opzettelijk niet voeren van een juiste administratie in de zin van artikel 36 Wmg (feit 5, in verbinding met de Wet op de economische delicten). Daarnaast wordt hun het medeplegen van gewoontewitwassen van € 4.539.378 verweten (feit 6, artikelen 420bis en 420ter Sr) en deelname aan een criminele organisatie (feit 1, artikel 140 Sr). Bij de hoofdverdachte is feit 1 ten laste gelegd als oprichter, leider of bestuurder. De bestuurster van de Amsterdamse onderneming wordt vervolgd voor de feiten 1 tot en met 5; het witwassen is haar niet ten laste gelegd en haar zaak betreft uitsluitend de Amsterdamse onderneming.
Centraal in feit 5 staat de administratieplicht van artikel 36, eerste lid, Wmg: een zorgaanbieder moet een administratie voeren waaruit blijkt welke prestaties zijn overeengekomen en geleverd, wanneer, aan wie, tegen welk tarief en welke betalingen daarmee samenhangen. Bij feit 6 gaat het om het bestanddeel dat een voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
Het Openbaar Ministerie vordert veroordeling voor alle ten laste gelegde feiten. Voor de valsheden vordert het bewezenverklaring voor de meeste in de tenlastelegging genoemde documenten, met uitzondering van enkele urenlijsten en één factuur. De geëiste straffen verschillen per verdachte. Tegen de hoofdverdachte eist het Openbaar Ministerie een gevangenisstraf van 38 maanden. Tegen de salesmanager en tegen de stiefzoon eist het telkens een gevangenisstraf van 18 maanden. Tegen de bestuurster eist het een gevangenisstraf van 16 dagen en een taakstraf van 160 uur. Alle eisen zijn met aftrek van het voorarrest.
Standpunt van de verdediging
In alle vier de zaken voert de verdediging dezelfde formele verweren. Zij bepleit nietigheid van de dagvaarding, omdat de onderdelen over artikel 36 Wmg onvoldoende zijn geconcretiseerd, de hoedanigheid van zorgaanbieder in de tenlastelegging ontbreekt en de verwijzing naar de administratieplicht bij de criminele organisatie de tenlastelegging innerlijk tegenstrijdig maakt. Daarnaast bepleit de verdediging niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie wegens ernstige vormverzuimen. Zij voert daartoe aan dat het onderzoek naar de Amsterdamse onderneming is gekleurd door de bevindingen over de Utrechtse onderneming en van vooringenomenheid getuigt, dat de selectie van dertien zorgdossiers niet representatief is en een foutratio ontbreekt, dat er geen nadere regels en geen bestuursrechtelijk toezicht of handhaving zijn geweest terwijl de norm van artikel 36 Wmg te open is, dat het opsporingsonderzoek te sterk leunt op informatie van belanghebbende zorgverzekeraars, dat de totstandkoming van de aangiften onvoldoende inzichtelijk is en dat de afdoening van de formele bestuurder van de Utrechtse onderneming met een strafbeschikking van 84 uur taakstraf in strijd is met het gelijkheidsbeginsel.
Op het bewijs bepleit elke verdachte vrijspraak van de valsheden en de oplichting en betwist elk de rol van feitelijk leidinggever. De hoofdverdachte voert aan dat hij geen formele betrokkenheid had, slechts af en toe adviseerde en zich vooral met zijn letselschadepraktijk bezighield, en dat hij geen wetenschap had van de criminele herkomst van het geld. De salesmanager stelt dat zijn werk voornamelijk administratief was, dat hij geen zeggenschap had over de financiële administratie of de urenregistraties en dat hij bij de Amsterdamse onderneming geen betrokkenheid had; ten aanzien van het witwassen bepleit hij partiële vrijspraak omdat hij alleen wetenschap had van de op zijn eigen rekening ontvangen bedragen. De stiefzoon stelt dat hij bij de Utrechtse onderneming slechts activiteitenbegeleider was en zich bij de Amsterdamse onderneming als aandeelhouder niet met de dagelijkse aansturing bemoeide. De bestuurster voert aan dat zij bij haar benoeming 23 jaar was, geen bestuurlijke ervaring of opleiding had, zich als onbewust onbekwaam bestuurder vooral op de zorg richtte en op 1 november 2020 is teruggetreden; zij bepleit ook vrijspraak van de criminele organisatie.
Oordeel gerecht
De rechtbank verklaart in alle zaken de dagvaarding geldig. De formulering van de tenlastelegging haakt rechtstreeks aan bij artikel 36, eerste lid, Wmg, dat voldoende feitelijk en duidelijk is. Uit het dossier volgt dat de beide ondernemingen zorgaanbieders zijn, zodat de verdachten worden aangesproken als feitelijk leidinggever in die hoedanigheid. De rechtbank noemt het kwalijk dat het dossier verwijst naar de Richtlijn verslaglegging van V&VN, die slechts aanbevelingen bevat, en dat de officier van justitie pas in repliek wijst op de Regeling verpleging en verzorging NR/REG-1914 en NR/REG-2002, die wel op artikel 36, derde lid, Wmg zijn gebaseerd. Die omissie leidt niet tot nietigheid, omdat de eisen al voldoende uit de tenlastelegging in samenhang met het dossier voortvloeien.
De rechtbank verklaart het Openbaar Ministerie ontvankelijk. Dat de Amsterdamse onderneming in het onderzoek als voortzetting van de Utrechtse is behandeld, acht zij begrijpelijk, omdat cliënten en personen bij beide entiteiten betrokken zijn. Zij signaleert wel een negatief gekleurd beeld in processen-verbaal en leest het dossier daarom kritisch. De selectie van dertien van de ongeveer vijftig cliënten vormt een betrekkelijk grote steekproef en getuigt niet van vooringenomenheid. Een professionele marktpartij heeft de eigen verantwoordelijkheid om zich te informeren over de administratie-eisen, en het Openbaar Ministerie heeft een eigen bevoegdheid om strafrechtelijk op te treden zonder eerst bestuursrechtelijke handhaving af te wachten. De verweren over de aangiften en over het gelijkheidsbeginsel verwerpt de rechtbank; over de strafbeschikking tegen de formele bestuurder van de Utrechtse onderneming heeft de officier van justitie ter zitting voldoende openheid gegeven. Wel merkt de rechtbank die afdoening op als opvallend en houdt zij die bij de strafoplegging in het achterhoofd.
Voor de feiten 2, 3 en 4 komt de rechtbank in alle zaken tot vrijspraak. Bij de Utrechtse dagrapportages staat vast dat sommige zijn gedateerd op niet-bestaande dagen, maar het dossier maakt niet duidelijk wie ze heeft opgemaakt of dat opzettelijk foutief dateren aan de onderneming kan worden toegerekend. De ten laste gelegde declaraties zijn Excel-overzichten die door een zorgverzekeraar zijn opgemaakt en niet door de onderneming zelf. Bij de Amsterdamse cliënten kan de valsheid van de urenlijsten en facturen niet worden vastgesteld: verpleging blijkt te zijn uitbesteed, de gefactureerde bedragen liggen lager dan de urenlijsten en voor enkele documenten ontbreekt bewijs of is de tenlastelegging onjuist genummerd zonder dat een wijziging is gevorderd. De oplichting is niet bewezen, omdat het dossier geen bewijs bevat voor misleidende handelingen en de plicht om te melden dat zorg door een familielid wordt verleend bij de verzekerde zelf ligt.
Feit 5 acht de rechtbank wel bewezen. Bij de Utrechtse onderneming heeft een zorgverzekeraar 146 dossiers gecontroleerd, waarbij de dagrapportages in geen enkel geval aansloten bij de gedeclareerde zorg; bij de acht getoetste verzekerden ontbreken over verschillende perioden dagrapportages. Na het faillissement blijkt geen administratie aanwezig, is in een heimelijk opgenomen gesprek gesproken over het verbranden ervan en volgt uit een capaciteitsberekening dat de gedeclareerde zorg feitelijk niet geleverd kan zijn. Bij de Amsterdamse onderneming is wel een administratie aangetroffen, maar bij twaalf van de dertien onderzochte cliënten sluiten de dagrapportages niet aan op de urenoverzichten en facturen en zijn er aanwijzingen van knip- en plakwerk. In beide gevallen kan daardoor niet worden gecontroleerd welke zorg voor de gedeclareerde gelden is geleverd, wat een overtreding van artikel 36 Wmg oplevert die aan de ondernemingen kan worden toegerekend. De rechtbank oordeelt in alle zaken dat het gewoonte maken van deze overtreding niet kan worden bewezen, omdat daarvoor de rechtspersonen in plaats van de verdachte in de tenlastelegging hadden moeten staan.
Vervolgens beoordeelt de rechtbank per verdachte het feitelijk leidinggeven. De hoofdverdachte geldt volgens verklaringen als degene die iedereen aanstuurt, die alles regelt, die de bankpassen beheert en die achter de schermen aan de touwtjes trekt, ook waar hij formeel als adviseur wordt aangeduid; hij is feitelijk leidinggever. De salesmanager houdt zich met administratie, cliëntcontact en facturering bezig, is betrokken bij de oprichting van de Amsterdamse onderneming, spreekt over de mazen in de wet en over het invullen van urenlijsten aan de hand van het budget, en heeft daarmee een rol die verder gaat dan die van een uitvoerend medewerker. De stiefzoon heeft een vaste baan bij de Utrechtse onderneming, is via zijn houdstermaatschappij aandeelhouder van de Amsterdamse onderneming, levert blanco urenspecificaties als voorbeeld aan en voert met cliënten gesprekken over facturering, budget en indicatie; ook hij is feitelijk leidinggever. De bestuurster is formeel bestuurder, heeft de ruimste autorisatie in het administratiesysteem, tekent urenregistraties af en bemoeit zich blijkens tapgesprekken indringend met rapportages, urenregistraties en declaraties; zij levert een zodanige bijdrage dat zij feitelijk leiding geeft.
Voor het witwassen stelt de rechtbank bij de Utrechtse onderneming een gerechtvaardigd vermoeden van een criminele herkomst vast. In ruim drie jaar is via 1.212 opnames ruim € 1,7 miljoen contant opgenomen, is ruim € 500.000 naar Turkse rekeningen overgeboekt, is ruim € 400.000 als lening betaald zonder rente of aflossing en is ruim € 1,2 miljoen aan betrokkenen uitgekeerd. De capaciteitsberekening laat 110.933 onverklaarbare uren zien, wat overeenkomt met een omzet van € 4.539.378. Omdat de verdachten geen verklaring voor de herkomst geven, geldt een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring. De hoofdverdachte, de salesmanager en de stiefzoon wisten van die herkomst en hebben ieder een bepalende rol bij de omzetting van giraal naar contant geld, deels via hun eigen rekeningen; zij zijn medepleger van gewoontewitwassen. De rechtbank acht dit witwassen bewezen tot het volledige bedrag van € 4.539.378.
Voor de criminele organisatie oordeelt de rechtbank dat bij de Utrechtse onderneming een crimineel samenwerkingsverband bestaat, gericht op het overtreden van artikel 36 Wmg en op gewoontewitwassen, waaraan de hoofdverdachte, de salesmanager en de stiefzoon deelnemen. De hoofdverdachte is daarvan de leider. Na het faillissement is geen crimineel samenwerkingsverband meer bewezen; een gebrekkige administratie bij de Amsterdamse onderneming is op zichzelf onvoldoende voor een oogmerk om misdrijven te plegen. De bestuurster van de Amsterdamse onderneming wordt daarom van deelname aan een criminele organisatie vrijgesproken.
Bewezenverklaring
De rechtbank spreekt alle vier de verdachten vrij van de feiten 2, 3 en 4 (valsheid in geschrift, het gebruik van valse geschriften en oplichting). De bestuurster van de Amsterdamse onderneming wordt daarnaast vrijgesproken van feit 1.
Ten aanzien van de hoofdverdachte is bewezen:
feit 1: als leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het opzettelijk niet voldoen aan de administratieplicht van artikel 36 Wmg en het gewoontewitwassen van geldbedragen;
feit 5: feitelijk leidinggeven aan het opzettelijk niet voeren van een juiste administratie door beide ondernemingen;
feit 6: medeplegen van gewoontewitwassen van € 4.539.378.
Ten aanzien van de salesmanager en ten aanzien van de stiefzoon is telkens bewezen:
feit 1: deelnemen aan een organisatie met hetzelfde oogmerk;
feit 5: feitelijk leidinggeven aan het opzettelijk niet voeren van een juiste administratie door beide ondernemingen;
feit 6: medeplegen van gewoontewitwassen van € 4.539.378.
Ten aanzien van de bestuurster van de Amsterdamse onderneming is bewezen:
feit 5: feitelijk leidinggeven aan het opzettelijk niet voeren van een juiste administratie door de Amsterdamse onderneming.
Bij alle verdachten is niet bewezen dat zij van de overtreding van artikel 36 Wmg een gewoonte hebben gemaakt.
Strafoplegging en maatregelen
De rechtbank neemt bij alle verdachten de LOVS-oriëntatiepunten voor fraude, die ook voor witwassen gelden, tot uitgangspunt. Bij een benadelingsbedrag van € 1.000.000 of hoger past in beginsel een gevangenisstraf van ten minste 24 maanden. Het benadelingsbedrag bij de Utrechtse onderneming bedraagt € 4.539.378; bij de Amsterdamse onderneming is het niet vast te stellen. De rechtbank rekent de verdachten aan dat zij misbruik hebben gemaakt van een op vertrouwen gebaseerd systeem voor niet-gecontracteerde zorg en dat zorggelden zijn uitgekeerd zonder dat controle mogelijk is. In alle zaken is de redelijke termijn fors overschreden: die is gestart bij de inverzekeringstelling in juni 2021, waarna een periode van vijf jaar is verstreken tegenover een redelijke termijn van twee jaar. Ook de afdoening van de formele bestuurder van de Utrechtse onderneming, die bij strafbeschikking een taakstraf van 84 uur kreeg zonder ontnemingsvordering, werkt strafverlagend.
De hoofdverdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen maanden, met aftrek van het voorarrest, ten uitvoer te leggen totdat hij in aanmerking komt voor een penitentiair programma. De rechtbank weegt in zijn nadeel mee dat hij een centrale en sturende rol had, geen verantwoordelijkheid heeft genomen, eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke feiten en tijdens de schorsing van zijn voorlopige hechtenis vermoedelijk is gevlucht terwijl nog een gevangenisstraf voor fraude openstaat. De eis van 38 maanden wordt door het tijdsverloop en de samenloop met die eerdere veroordeling verlaagd.
De salesmanager en de stiefzoon worden elk veroordeeld tot een gevangenisstraf van 95 dagen, gelijk aan het voorarrest, en tot de maximale taakstraf van 240 uur, met vervangende hechtenis van 120 dagen. Zij hoeven niet terug naar de gevangenis. De rechtbank legt fors lagere straffen op dan het uitgangspunt van 24 maanden, vanwege het tijdsverloop, de persoonlijke omstandigheden en de afdoening van de medeverdachte.
De bestuurster van de Amsterdamse onderneming wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 16 dagen, gelijk aan het voorarrest. Anders dan geëist legt de rechtbank geen taakstraf op, gelet op het enorme tijdsverloop, haar persoonlijke omstandigheden en de vergelijkbare rol van de medeverdachte die met een strafbeschikking is afgedaan. De rechtbank gelast de teruggave van de in beslag genomen personenauto aan haar.
In alle vier de zaken vorderen twee zorgverzekeraars als benadeelde partij vergoeding van materiële schade, van € 268.555,56 respectievelijk € 502.849,10, telkens vermeerderd met wettelijke rente en met de schadevergoedingsmaatregel. De rechtbank verklaart beide benadeelde partijen niet-ontvankelijk, omdat de verdachten worden vrijgesproken van de valsheden en de oplichting en er tussen de gevorderde schade en de bewezen overtreding van artikel 36 Wmg geen rechtstreeks verband bestaat. De proceskosten van de verdachten worden telkens begroot op € 0.
Lees hier de volledige uitspraken: ECLI:NL:RBROT:2026:8454, ECLI:NL:RBROT:2026:8459, ECLI:NL:RBROT:2026:8457 en ECLI:NL:RBROT:2026:8452.
