Veroordeling wegens overtreding art. 8.40 Wet milieubeheer en art. 5 BRZO

Rechtbank Oost-Brabant 27 juni 2017, ECLI:NL:RBOBR:2017:3487

Als gevolg van het verrichten van werkzaamheden aan een pomp is 3,45 ton methaan vrijgekomen, waardoor een explosieve gas- of dampwolk in de fabriek is ontstaan.

Aan verdachte, een internationaal chemiebedrijf met vestiging in pleegplaats, provincie Zeeland, is verweten dat zij opzettelijk niet alle maatregelen heeft getroffen die nodig zijn om zware ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan voor mens en milieu te beperken.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het ten laste gelegde feit in de opzet-variant wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht op grond van de navolgende bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte is ten laste gelegd: de bekennende verklaring van de vertegenwoordiger van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 13 juni 2017, inhoudende zakelijk weergegeven:

Het klopt dat op 7 december 2014 in de fabriek in pleegplaats werkzaamheden zijn verricht aan of met betrekking tot het installatiegedeelte van de naam fabriek, bestaande uit pomp GA-301 S met leidingen. De pompasafdichting van de betreffende pomp diende vervangen te worden. Elke ongeveer 1,5 jaar moet de pompasafdichting van een pomp vervangen worden. Om dat te doen moet de installatie geopend worden. In dit geval was bij de voorbereiding geconstateerd dat een afsluiter naar de pomp nog doorliet en er nog enige druk op de leiding stond. De leiding diende te worden afgesloten door een steek te zetten. Omdat dat achter een doorlatende afsluiter diende te gebeuren zijn de werkzaamheden conform de lokale site procedure aangemerkt als Hot Line &Equipment Opening (L&EO). In die site procedure is in strijd met de eigen global procedure Line & Equipment Opening Standard bepaald dat voor een Hot L&EO achter een doorlatende afsluiter niet een geschreven kritische procedure hoeft te worden gevolgd.

Bij het zetten van de steek is uitgegaan van een onjuiste veronderstelling wat betreft de druk in het betreffende installatiegedeelte. Dit komt doordat de manometer bij het betreffende installatiegedeelte de druk op een ander punt in de installatie mat dan de medewerkers dachten. Als gevolg daarvan is een leiding geopend die in het geheel niet drukvrij van methaan was.

Degene die de leiding daadwerkelijk heeft geopend, heeft bovendien de bouten op een onjuiste wijze losgedraaid als gevolg waarvan de pakking is verschoven waardoor de leiding niet meer kon worden dichtgemaakt. De wijze waarop de bouten moeten worden losgemaakt is niet terug te vinden in de site procedure die is gevolgd. Deze procedure was op dat punt niet specifiek genoeg.

  • het relaasproces-verbaal, vanaf p. 5 tot en met 13;
  • het proces-verbaal van verhoor van naam getuige 1, p. 43 ev;
  • het proces-verbaal van verhoor van naam getuige 2, p. 58 ev;
  • het geschrift, zijnde Line & Equipment Opening Standard, p. 102-113;
  • het geschrift, zijnde 1KO-02-34 Wisselen / uit bedrijfname GA-301+S
  • het geschrift, zijnde L3D 06.05.14 Praktische invulling openen leidingen en equipment LHC, bijlage 2 Afdelingstemplate voor een L&EO risicoanalyze, p. 236-245

Gelet op het bepaalde in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering heeft de rechtbank volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen.

Op grond van vorengenoemde bewijsmiddelen komt de rechtbank tot de volgende conclusies. Er is 3,45 ton methaangas vrijgekomen door een lekkage, die is ontstaan bij het openen van een leiding. Het vrijkomen van dit methaangas had gelet op de door verdachte zelf becijferde hoeveelheid eenvoudig kunnen leiden tot een zwaar ongeval in de zin van de Brzo.

Door de werknemers van verdachte is niet op de juiste plek gemeten hoe hoog de druk in de leiding was. Het was de operator die aanwezig was niet duidelijk dat de manometer de druk op een andere plek mat dan waar de leiding zou worden opengemaakt. Hierdoor is de leiding open gemaakt terwijl daar nog methaangas met hoge druk aanwezig was, wat niet had dienen te gebeuren. Door de medewerkers van de contractor/aannemer die de leiding openmaakten, zijn vervolgens de bouten op zodanige wijze losgemaakt dat de opening, op het moment dat het methaangas eruit ontsnapte, niet meer dichtgemaakt kon worden. Beide fouten zouden niet zijn gemaakt als in de procedures preciezer was beschreven welke werkzaamheden op welke wijze hadden moeten worden verricht.

Naar het oordeel van de rechtbank is het ontstaan van de lekkage toe te rekenen aan de rechtspersoon bedrijf. Daarvoor zijn een aantal omstandigheden van belang. De rechtbank stelt vast dat de werkzaamheden aan de pomp en leiding zijn verricht conform de instructies van bedrijf, door medewerkers van door bedrijf ingehuurde contractors, onder supervisie van medewerkers van bedrijf en dat de werkzaamheden zijn verricht in het kader van het productieproces van bedrijf. Ook pasten deze in de normale bedrijfsvoering van bedrijf.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de door de natuurlijke personen verrichte handelingen, dan wel handelingen die verricht hadden moeten worden, toegerekend kunnen worden aan de rechtspersoon.

De rechtbank is verder van oordeel dat bij verdachte voorwaardelijk opzet kan worden aangenomen op het ontstaan van de gegeven situatie. Daarvoor is van belang dat bedrijf een Brzo-bedrijf is. Gewerkt wordt met uiterst brandgevaarlijke en explosieve stoffen. Onder die omstandigheden mag van bedrijf verwacht worden dat zij er alles aan doet om onveilige dan wel gevaarlijke situatie te voorkomen, immers voor bedrijf gelden de hoogst mogelijke veiligheidsnormen. Alleen al uit hoofde van het Brzo heeft bedrijf een bijzondere zorgplicht. Binnen de locatie naam gemeente zijn van de globale standaard afwijkende procedures vastgesteld en vastgelegd ten aanzien van een risicovolle werkzaamheid als het openen van een leiding achter een doorlatende afsluiter. Verdachte heeft daarmee naar het oordeel van de rechtbank aanvaard dat niet werd gewerkt volgens de eigen globale standaard, en daarmee het risico op het optreden van een incident als het onderhavige. Het op onderdelen ontbreken van een voldoende specifieke instructie, heeft aan dat risico bijgedragen.

De rechtbank is verder van oordeel dat opzet van een natuurlijk persoon onder omstandigheden kan worden toegerekend aan de rechtspersoon. Dit is in ieder geval mogelijk wanneer aan een bepaalde functionaris het in het kader van de bedrijfs- of beleidsvoering is opgedragen of overgelaten om activiteiten te verrichten of initiatieven te ontplooien voor de rechtspersoon. De rechtbank is van oordeel dat de werkzaamheden die medewerkers verrichten binnen hun bevoegdheden daar in ieder geval onder vallen. Nu hiervan sprake is kan ook het opzet van de individuele medewerkers worden toegerekend aan de rechtspersoon.
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de betreffende medewerkers bewust in afwijking van de global standard hebben gewerkt en op onoordeelkundige wijze de leiding hebben geopend, zodat opzet bewezen verklaard kan worden.

Bewezenverklaring

Overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 8.40, eerste lid van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon. De rechtbank verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Strafoplegging

Opgelegd wordt een geldboete van EUR 210.000,- waarvan EUR 70.000,- voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

De rechtbank heeft gelet op een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie, gedateerd 2 mei 2017. Daaruit volgt dat de verdachte voorafgaand aan het begaan van het bewezen verklaarde eerder is veroordeeld ter zake van soortgelijke strafbare feiten. Deze eerdere veroordeling door de rechtbank Breda van 24 maart 2014 met betrekking tot strafbare feiten gepleegd in de jaren 2005 tot en met 2008 is echter eerst op 22 juni 2016 onherroepelijk geworden. De rechtbank weegt deze omstandigheid wel mee bij de straftoemeting. Uit het uittreksel blijkt overigens nog van meer veroordelingen dan wel transacties wegens milieudelicten.

In het voordeel van verdachte weegt de rechtbank mee dat zij volledige medewerking heeft geleverd aan het onderzoek en op de terechtzitting volledige openheid van zaken heeft gegeven. Ook blijkt uit de ter terechtzitting overgelegde stukken dat verdachte de procedures inmiddels heeft gewijzigd en ook overigens is geprobeerd lering te trekken uit het incident.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF