Veroordeling wegens het opzettelijk indienen van onjuiste aangiftes omzetbelasting en het meermalen plegen van valsheid in geschrift. Overwegingen m.b.t. “feitelijk leidinggeven”.

Rechtbank Overijssel 2 november 2017, ECLI:NL:RBOVE:2017:4090

De rechtbank Overijssel veroordeelt een 47-jarige directeur uit Norg tot een gevangenisstraf van 24 maanden voor het opzettelijk indienen van onjuiste aangiftes omzetbelasting van zijn bedrijf en het meermalen plegen van valsheid in geschrifte. Het fiscale nadeel van de belastingfraude bedraagt ongeveer 800.000 euro.

De man heeft geen enkele verantwoordelijkheid genomen voor zijn fouten en heeft iedere verantwoordelijkheid afgeschoven op zijn ondergeschikte. De rechtbank rekent hem dit aan.

De medeverdachte werknemer van het IT-bedrijf is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden en een taakstraf van 180 uren voor het meermalen medeplegen van valsheid in geschrifte.

Verdenking

De verdenking komt er na wijziging van de tenlastelegging van 19 oktober 2017, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte samen met (een) ander(en):

  • feit 1: opzettelijk onjuiste aangiftes omzetbelasting heeft ingediend bij de Belastingdienst, althans dat hij hiertoe opdracht heeft gegeven of hieraan feitelijk leiding heeft gegeven;
  • feit 2: de formulieren ‘Opgaaf omzetbelasting intracommunautaire leveringen’ en/of ‘Opgaaf intracommunautaire prestaties’ valselijk heeft opgemaakt, althans dat hij hiertoe opdracht heeft gegeven of hieraan feitelijk leiding heeft gegeven;
  • feit 3: feitelijk leiding heeft gegeven aan het vervalsen van facturen door in strijd met de waarheid op te nemen dat er sprake is van 0% BTW, althans dat hij feitelijk leiding heeft gegeven aan het vervalsen van de bedrijfsadministratie;
  • feit 4: een drietal facturen heeft vervalst door in strijd met de waarheid te vermelden dat er goederen waren geleverd, althans dat hij hieraan feitelijk leiding heeft gegeven.
     

Bewijsoverwegingen   

Inleiding

In mei 2014 ontving de Belastingdienst een telefonische tip dat bij de onderneming verdacht bedrijf 2 sprake zou zijn van fraude met omzetbelasting. Naar aanleiding hiervan werd door de Belastingdienst een onderzoek ingesteld waaruit bleek dat valse facturen werden vervaardigd en verwerkt in de administratie van verdacht bedrijf 2 en verdacht bedrijf 1.

Verdachte was 100% aandeelhouder en bestuurder van verdacht bedrijf 1 en verdacht bedrijf 1 was 100% aandeelhouder en bestuurder van verdacht bedrijf 2.

Uit onderzoek bij afnemers bleek dat zij facturen van verdacht bedrijf 2 ontvingen voor leveringen met daarop vermeld een bedrag aan omzetbelasting. In de administratie van verdacht bedrijf 2 en verdacht bedrijf 1 bevonden zich echter facturen die zagen op dezelfde levering maar dan met een andere buitenlandse afnemer voor hetzelfde totaalbedrag maar dan zonder omzetbelasting. Op deze laatst genoemde facturen stond vermeld dat de leveringen in het buitenland, binnen de EU, hadden plaatsgevonden. Deze leveringen werden vervolgens in formulieren ‘Opgaaf omzetbelasting intracommunautaire leveringen’ en ‘Opgaaf intracommunautaire prestaties’ en in de aangifte omzetbelasting vermeld als zijnde een intracommunautaire levering vallende onder het 0% tarief. Hierdoor werd voor deze leveringen van goederen door verdacht bedrijf 2 en verdacht bedrijf 1 ten onrechte geen omzetbelasting aangegeven en afgedragen aan de Belastingdienst. Deze feiten zijn onder 1, 2 en 3 ten laste gelegd.

Ten slotte is onder 4 het vervalsen van drie facturen ten laste gelegd die betrekking hebben op de lease en verkoop van goederen toebehorende aan bedrijf 6.
 

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen ter zake het onder 1 primair, 2 primair, 3 primair en 4 primair ten laste gelegde.
 

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit. Daartoe heeft hij ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3 aangevoerd dat verdachte geen wetenschap heeft gehad van het opmaken van de valse facturen nu medeverdachte 1 de facturen maakte. Dit maakt dat hij niet als medepleger van de strafbare gedragingen kan worden aangemerkt en ook niet dat hij feitelijk leiding heeft gegeven aan deze gedragingen. Hieruit volgt dat verdachte ook geen opzet heeft gehad op het doen van onjuiste aangiftes en het vervalsen van de formulieren ‘Opgaaf omzetbelasting intracommunautaire leveringen’ en ‘Opgaaf intracommunautaire prestaties’.

Ten aanzien van feit 4 heeft de raadsman aangevoerd dat de aan bedrijf 6 toebehorende goederen waren verkocht aan een derde partij die deze voorraad op haar beurt weer had door verkocht aan bedrijf 6. Vervolgens werden deze goederen middels een overeenkomst door verdacht bedrijf 2 geleased van bedrijf 6 waarbij de voorraad immer aanwezig bleef in het pand van verdacht bedrijf 2 Deze wijze van verkoop en lease werd vaker gehanteerd en bedrijf 6 was hiervan op de hoogte, zodat niet gesproken kan worden van een strafbare transactie.
 

Het oordeel van de rechtbank

Feiten 1,2 en 3

Omwille van de leesbaarheid van het vonnis zal de rechtbank bij de bespreking van de feiten 1, 2 en 3 afwijken van de volgorde die in de tenlastelegging wordt gehanteerd. Allereerst zal de rechtbank feit 3 bespreken en vervolgens de feiten 1 en 2.

In de tenlastelegging onder 3 zijn de volgende facturen opgenomen: bedrijf 1 d.d. 25 juni 2009, bedrijf 1 d.d. 29 december 2009, bedrijf 3 d.d. 9 april 2010, bedrijf 2 d.d. 26 juli 2010, bedrijf 2 d.d. 28 september 2010, bedrijf 3 d.d. 28 december 2010, bedrijf 3 d.d. 17 februari 2011, bedrijf 2 d.d. 15 november 2011, bedrijf 2 d.d. 30 maart 2012 en bedrijf 7 d.d. 30 november 2012.

De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat onderhavige facturen valselijk zijn opgemaakt. De vraag die beantwoord dient te worden is de vraag of verdachte hiervan wetenschap had.

Medeverdachte 1 heeft hierover verklaard dat hij in opdracht van verdachte dubbele facturen moest opmaken. Dit was onder meer bij de klanten bedrijf 1, bedrijf 4, bedrijf 3 en bedrijf 2 het geval. Verdachte gaf hem de desbetreffende factuur met het nummer door en op een briefje stond dan welke factuur aan een Nederlandse onderneming aangepast moest worden. De aanpassing die hij moest doen bestond uit het vermelden van het afleveradres en een buitenlands BTW-nummer. Het BTW-bedrag dat aanpast moest worden, was altijd € 0,-. Als de factuur aangepast was, deed hij de factuur in het postvakje van verdachte. Tevens verklaarde hij dat verdachte ook zelf dubbele facturen opmaakte.

Getuige 1, die de administratie van verdacht bedrijf 2 tevens had ingezien, had hierin een factuur aangetroffen die meerdere malen was aangepast door een adres in Engeland toe te voegen en de BTW weg te halen. Volgens deze getuige had verdachte zelfs tegen hem gezegd dat hij de wijzigingen zou aanpassen.

Daarnaast heeft verdachte bij de Belastingdienst/FIOD in eerste instantie verklaard dat hij wist dat er dubbele facturen werden opgemaakt. Hij had dit samen met medeverdachte 1 gedaan om resultaat met verdacht bedrijf 2 te maken, om marges te creëren.

Dat verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat hij er niet van op de hoogte was dat er valse facturen werden opgemaakt, acht de rechtbank gelet op de hiervoor genoemde verklaringen ongeloofwaardig.

Voorgaande maakt dat de rechtbank van oordeel is dat verdachte degene is geweest die samen met medeverdachte 1 opzettelijk in strijd met de waarheid valse facturen heeft opgemaakt. De rechtbank verwerpt dus het verweer dat verdachte geen wetenschap zou hebben gehad van de valsheid.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde resteert de vraag of verdachte aan deze strafbare gedraging feitelijk leiding heeft gegeven.

Verdachte heeft verklaard dat hij enig directeur van verdacht bedrijf 2 was en dat hij eindverantwoordelijke was. Hij kan in die zin als leidinggevende worden aangemerkt. Ten aanzien van de vraag of sprake is “feitelijk leidinggeven” sluit de rechtbank aan bij het zogenaamde Slavenburg-criterium en overweegt hierbij dat naar haar oordeel verdachte aan de beide (minimum) voorwaarden voldoet voor strafbaarheid aan feitelijk leidinggeven. Verdachte heeft immers (1) maatregelen ter voorkoming van de strafbare gedragingen achterwege gelaten hoewel hij daartoe bevoegd en redelijkerwijs gehouden was en (2) bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de verboden gedraging zich zou voordoen zodat hij die gedraging opzettelijk heeft bevorderd.

Het op (laten) maken van de facturen in weerwil van de werkelijkheid is opzettelijk gedaan. Verdachte heeft als bestuurder van verdacht bedrijf 2 opzettelijk valse facturen in de bedrijfsadministratie opgenomen of doen opnemen. Gelet op de positie van verdachte binnen het bedrijf is het opzet van verdachte zonder meer toe te rekenen aan verdacht bedrijf 2 en is niet van belang of hij al dan niet daadwerkelijk zelf alle facturen heeft opgemaakt.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte, gezien het vorenstaande, door zijn handelen niet alleen nagelaten maatregelen te nemen ter voorkoming van de verboden gedragingen van de rechtspersoon, maar deze gedragingen ook bevorderd.

De rechtbank zal verdachte dan ook veroordelen voor het feitelijk leidinggeven aan het medeplegen van valsheid in geschrift door verdacht bedrijf 2, zoals onder feit 3 primair ten laste is gelegd.

De in de tenlastelegging onder 2 genoemde formulieren ‘Opgaaf omzetbelasting intracommunautaire leveringen’ en ‘Opgaaf intracommunautaire prestaties’ over het 2e kwartaal 2009, 4e kwartaal 2009, 1e kwartaal 2010, 3e kwartaal 2010, mei 2011, november 2011, 1e kwartaal 2012 en 4e kwartaal 2012 zijn blijkens de verklaring van verdachte door hemzelf ingevuld en ingediend bij de Belastingdienst. Dit geldt ook voor de daarop gebaseerde aangifte omzetbelasting over de maanden juni, oktober en december 2009, maart, april, juli, augustus, september en december 2010, januari, februari, mei, september en november 2011, februari, maart, juni, juli, oktober en november 2012 die onder 1 ten laste zijn gelegd.

De gegevens in de formulieren ‘Opgaaf omzetbelasting intracommunautaire leveringen’ en ‘Opgaaf intracommunautaire prestaties’ en de aangiftes omzetbelasting zijn gebaseerd op facturen waarvan het BTW-tarief ten onrechte achteraf is aangepast naar 0%. Dit maakt dat de in de tenlastelegging genoemde formulieren ‘Opgaaf omzetbelasting intracommunautaire leveringen’ en ‘Opgaaf intracommunautaire prestaties’ eveneens vals zijn en de aangiftes onjuist.

Het onder 2 primair en 1 primair ten laste gelegde kan derhalve wettig en overtuigend worden bewezen.
 

Feit 4

In het dossier bevinden zich voorts een factuur van bedrijf 5 gericht aan bedrijf 6 en twee facturen van verdacht bedrijf 2 gericht aan bedrijf 5.

Getuige 2 verklaarde hierover dat verdachte het bedrijf 5 in 2010 van hem had overgenomen. De betaling aan hem voor de goodwill van deze zaak, een bedrag van
€ 9.000,-, bleef echter uit. Op een bepaald moment gaf verdachte aan dat hij een leasecontract had dat afliep en dat hij het contract kon verlengen bij bedrijf 6. Verdachte vroeg hem om een factuur voor bedrijf 6 op te maken met het logo van bedrijf 5. Een lijst met goederen van een order van omroep gebruikte getuige 2 daarvoor. Vervolgens heeft verdachte deze factuur nog aangepast en daarna zelf ingezonden naar bedrijf 6. Door verdachte is met getuige 2 afgesproken dat getuige 2, zodra het bedrag aan hem was uitbetaald, dit bedrag minus het bedrag aan goodwill aan verdachte over zou maken. Hiervoor maakte verdachte de twee facturen ten name van verdacht bedrijf 2 op gericht aan bedrijf 5. De goederen werden nooit geleverd.

Na het faillissement van verdacht bedrijf 2 op 4 juni 2013 werden de goederen genoemd in de factuur van bedrijf 5 aan bedrijf 6 niet aangetroffen bij verdacht bedrijf 2 blijkens een brief van de curator. Dit wordt bevestigd door de verklaring van medeverdachte 1 die eveneens na het faillissement veel lege dozen had aangetroffen in een door verdacht bedrijf 2 gehuurde loods.

Op grond van voorgaande bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de factuur van bedrijf 5 gericht aan bedrijf 6 en de twee facturen van verdacht bedrijf 2 gericht aan bedrijf 5 valselijk heeft opgemaakt. Aan het verweer dat deze wijze van verkoop en lease gebruikelijk was, gaat de rechtbank op grond van het voorgaande voorbij.

Het onder 4 primair ten laste gelegde kan wettig en overtuigend worden bewezen.
 

Bewezenverklaring

  • feit 1: medeplegen van opzettelijk een feit begaan, omschreven in artikel 68, eerste lid, onderdeel a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd;
  • feit 2: medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd;
  • feit 3: valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd;
  • feit 4: valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.
     

Strafoplegging

Een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF