Compensatie overschrijding redelijke termijn in ontnemingszaken

Hoge Raad 21 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:3032

Het gerechtshof Amsterdam heeft bij uitspraak van 22 januari 2016 het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op een bedrag van € 629.184,32 en de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 625.184,32.

In de bestreden uitspraak heeft het Hof met betrekking tot de redelijke termijn het volgende overwogen:

"De raadsman heeft zich (subsidiair) op het standpunt gesteld dat het aan de staat te betalen bedrag met 5% dient te worden verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Het hof heeft acht geslagen op de omstandigheid dat in deze zaak de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM is overschreden. In eerste aanleg is de ontnemingszaak aangevangen met een schriftelijke vordering van het Openbaar Ministerie op 12 augustus 2008 - welke datum het hof als aanvang neemt voor de beoordeling van de (redelijke) termijn in de ontnemingszaak - en afgerond met een eindbeslissing op 7 februari 2013. De zaak is vervolgens in hoger beroep afgerond met een eindbeslissing op 22 januari 2016, na instelling van het rechtsmiddel op 8 februari 2013.

Het hof stelt vast dat de procedure als geheel een periode van 8,5 jaren heeft bestreken en dat uitgaande van een redelijke termijn van twee jaren per instantie, deze periode is overschreden met 4,5 jaren. Het hof is melde raadsman van oordeel dat vier jaar aan termijnoverschrijding is toe te rekenen aan de justitiële autoriteiten.

Het hof ziet dienaangaande aanleiding, gelet op het uniforme aspect van behandeling van soortgelijke kwesties op andere rechtsgebieden (bestuursrecht en civiel recht), ook in het ontnemingsrecht als maatstaf voor de vergoeding van immateriële schade het (standaard)bedrag te hanteren van € 500,00 per halfjaar voor overschrijding van de termijn als geheel.

De overschrijding beloopt, zoals boven vastgesteld, 4 jaren, zodat een vergoeding van immateriële schade van € 4.000,00 (8 x € 500,00) het hof redelijk voorkomt."
 

Middel

Het tweede middel bevat de klacht dat het hof het verweer, inhoudende dat wegens een forse overschrijding van de redelijke termijn het openbaar ministerie in zijn ontnemingsvordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, althans dat het te betalen bedrag in ieder geval met vijf procent moet worden gematigd, ten onrechte, althans ondeugdelijk gemotiveerd, heeft verworpen.
 

Beoordeling Hoge Raad

De opvatting van het Hof, dat als "maatstaf voor de vergoeding van immateriële schade" ten gevolge van overschrijding van de redelijke termijn heeft te gelden dat bij ontnemingszaken de betalingsverplichting wordt verminderd met een standaard bedrag van "€ 500,00 per halfjaar voor overschrijding van de termijn als geheel", kan niet als juist worden aanvaard (vgl. HR 5 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:577). Het middel slaagt. De Hoge Raad zal zelf de zaak afdoen. Het Hof heeft het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 625.184,32. In cassatie wordt ervan uitgegaan dat de termijn van berechting als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in eerste aanleg en in hoger beroep is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de betrokkene opgelegde betalingsverplichting. De Hoge Raad zal die betalingsverplichting gelet op de uitzonderlijk lange duur van de overschrijding in dit geval verminderen met € 10.000,-.
 

Conclusie AG

17. Het oordeel van de feitenrechter inzake de redelijke termijn kan in cassatie slechts in beperkte mate worden getoetst, in die zin dat de Hoge Raad alleen kan onderzoeken of het oordeel geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk is in het licht van alle omstandigheden van het geval. Van onbegrijpelijkheid zal niet licht sprake zijn omdat een dergelijk oordeel sterk verweven pleegt te zijn met waarderingen van feitelijke aard die zich onttrekken aan een beoordeling door de cassatierechter. Ook het rechtsgevolg dat de feitenrechter heeft verbonden aan de door hem vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn, kan slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst.13 Daarbij geldt dat de enkele omstandigheid dat de Hoge Raad het ontnemingsbedrag met een hoger bedrag zou hebben verminderd indien bedoelde overschrijding van de redelijke termijn zich in de cassatiefase had voorgedaan, het oordeel van de feitenrechter niet onbegrijpelijk maakt.14

18. Het hof heeft terecht geoordeeld dat een overschrijding van de redelijke termijn ook in uitzonderlijke gevallen niet kan leiden tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de ontnemingsvordering.15 De klacht dat het hof niet heeft onderkend dat er in dezen sprake is van een uitzonderlijke situatie die tot dat rechtsgevolg had moeten leiden, stuit daarop af.16 Hetgeen de steller van het middel betoogt, te weten dat er ten aanzien van de betrokkene ten tijde van de indiening van de schriftuur reeds gedurende tien jaren sprake zou zijn van “financiële vogelvrijheid”, geeft geen aanleiding af te wijken van de bestendige rechtspraak op dit punt. Het middel faalt in zoverre.

19. Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van het ontnemingsbedrag dat zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden. Hoewel het oordeel van de feitenrechter op dit punt slechts in beperkte mate kan worden getoetst, kan de opvatting van het hof, dat als “maatstaf voor de vergoeding van immateriële schade” ten gevolge van overschrijding van de redelijke termijn heeft te gelden dat bij ontnemingszaken de betalingsverplichting wordt verminderd met een standaard bedrag van “€ 500,00 per half jaar voor overschrijding van de termijn als geheel”, niet als juist worden aanvaard.17 Het middel slaagt voor zover het hierover klaagt.

20. Ik geef de Hoge Raad in overweging de zaak om doelmatigheidsredenen zelf af te doen. In cassatie kan ervan worden uitgegaan dat de termijn van berechting als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in eerste aanleg en in hoger beroep is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de betrokkene opgelegde betalingsverplichting.

Lees hier de volledige uitspraak. 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF