Veroordeling wegens faillissementsfraude & valsheid in geschrifte

Rechtbank Midden-Nederland 21 juli 2014, ECLI:NL:RBMNE:2014:3043

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan faillissementsfraude en valsheid in geschrifte. Bedrijf B.V. heeft kort voor het faillissement een groot aantal goederen gekocht en geleverd gekregen en deze goederen zonder (geheel) te betalen doorverkocht. Door aldus te handelen heeft de verdachte als enig aandeelhouder en bestuurder van bedrijf B.V. de schuldeisers in zijn faillissement voor een aanzienlijk bedrag benadeeld. Deze goederen had de curator immers kunnen verkopen en de opbrengst (na aftrek van kosten) onder de gezamenlijke schuldeisers kunnen verdelen.

Door na te laten een deugdelijke administratie te voeren en aan de curator te overhandigen, zijn de schuldeisers eveneens benadeeld. Immers heeft verdachte op deze wijze het de curator onmogelijk gemaakt om het faillissement op juiste wijze af te wikkelen en zijn schuldeisers (voor zover mogelijk) schadeloos te stellen.

Ten slotte heeft verdachte gebruik gemaakt van vervalste documenten teneinde op grond van onjuiste gegevens een lening bij een bank te verkrijgen.

Verdenking

Feit 1: in de periode van 23 december 2011 tot en met 28 augustus 2012 in Utrecht, al dan niet samen met anderen, als bestuurder van bedrijf B.V., die op 28 augustus 2012 in staat van faillissement is verklaard, zich schuldig heeft gemaakt aan faillissementsfraude, door de volgende handelingen te verrichten:

  • een groot aantal goederen, zoals computerapparatuur, scooters en rijplaten, aan de boedel te onttrekken, en/of
  • niet te voldoen aan zijn verplichting tot voeren van een administratie, het bewaren hiervan en het aan de curator ter beschikking stellen van deze administratie.

Feit 2: op 10 september 2012 in Vleuten gebruik heeft gemaakt van vervalste documenten bij een kredietaanvraag bij bank B.V.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde feiten. De officier van justitie baseert zich hierbij op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen en hetgeen verdachte ter terechtzitting heeft verklaard.

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van feit 1 heeft verdachte aangevoerd dat hij niets afwist van de fraude en dat hij is misleid door A en B. Ten aanzien van feit 2 heeft verdachte een bekennende verklaring afgelegd.

Het oordeel van de rechtbank

Feit 1

Verdachte is vanaf 23 december 2011 enig aandeelhouder en bestuurder van de besloten vennootschap bedrijf B.V. gevestigd aan de adres 2 in vestigingsplaats.

Verdachte heeft verklaard dat hij de baas was van bedrijf B.V. en dat hij de beslissingen nam.

Bedrijf B.V. is bij vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 28 augustus 2012 in staat van faillissement verklaard met aanstelling van mr. J.J. Dingemans als curator.

Op naam van de gefailleerde vennootschap is in de periode van 4 mei 2012 tot en met 15 mei 2012 computerapparatuur voor in totaal € 14.415,36 besteld bij bedrijf 5 B.V. De facturen zijn onbetaald gelaten.

Verdachte heeft tijdens het faillissementsverhoor verklaard dat deze computers zijn aangekocht door A en B en zijn gebruikt als steekpenningen. Verdachte weet niet waar de computers gebleven zijn. A en B hebben deze aan hun contacten uitgegeven.

Op 19 juli 2012 zijn op naam van de gefailleerde vennootschap 12 scooters besteld bij Handelsonderneming X/bedrijf 2 ter waarde van € 14.600,00. Er is een (digitale) aanbetaling gedaan van € 1.400,00. De scooters zijn opgehaald door verdachte op 24 juli 2012. Het restbedrag van € 13.200,00 is nooit betaald.

Op 19 juli 2012 zijn op naam van de gefailleerde vennootschap 12 scooters besteld bij bedrijf 3 ter waarde van € 10.240,04. De scooters zijn op 20 juli 2012 geleverd op het adres 2 te vestigingsplaats en in ontvangst genomen. De verkoper heeft nimmer betaling ontvangen.

Door bedrijf 4 zijn rijplaten aan gefailleerde geleverd. Op de dag voor het uitspreken van het faillissement zijn 160 gehuurde rijplaten ter waarde van € 90.000,00 spoorloos verdwenen. De curator heeft deze goederen niet in de boedel van de gefailleerde aangetroffen. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat A en B goederen hebben gekocht en hebben doorverkocht.

De curator heeft vrijwel geen administratie of jaarstukken van gefailleerde ontvangen. De enige beschikbare administratie bestaat uit 12 crediteurenfacturen en een enkele verkoopfactuur. De curator heeft geconstateerd dat de administratie niet voldoet aan de eisen die de wet daaraan stelt en dat de bestuurder niet heeft voldaan aan de op hem rustende verplichtingen voortvloeiende uit artikel 10 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 15i van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.

Verdachte heeft verklaard dat er geen verkoopfacturen waren omdat A en B de goederen allemaal onderhands hebben verkocht. Op het moment van uitspreken van het faillissement waren de mappen van bedrijf B.V. weg.

Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte de ten laste gelegde goederen aan de boedel heeft onttrokken voordat het faillissement is uitgesproken.

De onttrekkingen hebben plaatsgevonden ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers.

Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat verdachte minstens voorwaardelijk opzet moet hebben gehad om de rechten van schuldeisers te verkorten en dat niet vereist is dat de rechten van schuldeisers als gevolg van dat handelen ook daadwerkelijk zijn verkort.

De gedragingen van verdachte hebben de aanmerkelijke kans op verkorting van de rechten van de schuldeisers doen ontstaan, nu de goederen anders in de failliete boedel zouden zijn gebleven waaruit de schuldeisers voldaan zouden kunnen worden.

Ook acht de rechtbank bewezen dat verdachte als bestuurder van de failliete vennootschap opzettelijk niet voldaan heeft aan zijn verplichtingen om een correcte administratie te voeren alsmede aan zijn verplichting om de bestaande administratie aan de curator te overhandigen. Door het niet op vordering van de curator uitleveren van de bestaande administratie heeft verdachte de aanmerkelijke kans op benadeling van schuldeisers doen ontstaan. Zonder administratie heeft de curator immers geen zicht op de baten en lasten van de vennootschap en weet hij daarmee niet wat hij onder welke schuldeisers kan verdelen. Uit het voorgaande volgt dat ook ten aanzien van deze gedraging aan de voorwaarde is voldaan dat verdachte heeft gehandeld ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers

Feit 2

Verdachte heeft het onder 2 ten laste gelegde feit bekend en heeft geen vrijspraak bepleit. Onder deze omstandigheden zal de rechtbank met toepassing van artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering ten aanzien van het feit volstaan met onderstaande opsomming van de bewijsmiddelen:

  • de aangifte van bank 2 N.V. d.d. 22 september 2012;
  • de verklaring van K d.d. 25 maart 2013;
  • de bekennende verklaring van verdachte.

Bewezenverklaring

Feit 1: medeplegen van als bestuurder van een rechtspersoon welke in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van de rechtspersoon, enig goed aan de boedel onttrekken, meermalen gepleegd en niet voldoen aan de op hem rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 10, eerste lid, van Boek 2, van het Burgerlijk Wetboek en artikel 15i, eerste lid, van boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, en het bewaren en te voorschijn brengen van boeken, bescheiden en andere gegevensdragers in die artikelen bedoeld;

Feit 2: opzettelijk gebruik maken van het valse of vervalste geschrift als ware het echt en onvervalst, terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat dit geschrift is bestemd voor zodanig gebruik, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF