Veroordeling van een gemeenteambtenaar voor verduistering van € 640.970,12 in haar bediening en van haar toenmalige vriend voor medeplegen van gewoontewitwassen
/Gerechtshof Den Haag 30 september 2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:2972 en ECLI:NL:GHDHA:2026:2973
Het gerechtshof Den Haag veroordeelt op 30 september 2026 een ambtenaar van de gemeente Den Haag voor verduistering van € 640.970,12 dat zij in haar bediening onder zich heeft, en haar toenmalige vriend voor medeplegen van gewoontewitwassen en voor bijstandsfraude. Na de plaatsing van een betaalzuil op het stadsdeelkantoor Escamp op 1 juli 2019 neemt de ambtenaar anderhalf jaar lang meermalen contant geld uit de kluis mee, waarbij zij telkens extra wisselgeld bestelt zodat er steeds grotere bedragen in de kluis liggen. Het geld wordt gestort op bankrekeningen en besteed aan schoenen, kleding, horloges, elektronica en voertuigen. Het hof stelt het samen met haar vriend witgewassen bedrag vast op € 373.999,50 en baseert diens wetenschap op de verklaring van de medeverdachte, het financieel onderzoek en de chatgesprekken. De ambtenaar krijgt twaalf maanden gevangenisstraf waarvan zes voorwaardelijk en een taakstraf van 160 uur, haar vriend elf maanden gevangenisstraf, in beide gevallen verlaagd wegens overschrijding van de redelijke termijn. De gemeente Den Haag krijgt € 640.970,12 toegewezen bij de ambtenaar en € 373.999,50 bij haar vriend, met hoofdelijkheid tot dat laatste bedrag en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Inleiding en context
Het gerechtshof Den Haag wijst op 30 september 2026 twee arresten tegen medeverdachten in hetzelfde feitencomplex. Beide zaken worden op tegenspraak behandeld.
Op 1 juli 2019 wordt in de publieke ruimte van het stadsdeelkantoor Escamp in Den Haag een betaalzuil geplaatst, zodat burgers afgenomen diensten desgewenst contant kunnen betalen. De gemeente Den Haag doet op 30 november 2020 aangifte van diefstal dan wel verduistering van contanten uit de kluis van dat kantoor. Het bedrag van € 640.970,12 is berekend op basis van het negatieve kasverschil in de financiële administratie van de locatie, te weten het verschil tussen het bedrag dat volgens de grootboekhouding in de kluis en de betaalzuil had moeten liggen en het bedrag dat daar daadwerkelijk wordt aangetroffen. De contante geldstroom bestaat vooral uit de omzet van de betaalzuil en het wisselgeld dat door het stadsdeelkantoor bij een extern bedrijf wordt besteld of daaraan wordt afgestort.
De verdachte in ECLI:NL:GHDHA:2026:2972 is een natuurlijk persoon, een vrouw geboren in 1990, die sinds 2015 als ambtenaar op dat stadsdeelkantoor werkt. Zij bekent dat zij na de komst van de geldzuil meermalen contant geld uit de kluis in haar tas stopt en meeneemt. De verdachte in ECLI:NL:GHDHA:2026:2973 is haar toenmalige vriend, een natuurlijk persoon, een man geboren in 1988; zij hebben van 2011 tot en met 2021 een relatie.
Beide zaken betreffen hoger beroep tegen vonnissen van de rechtbank Rotterdam van 1 augustus 2024, met parketnummers 09-087508-21 en 09-087483-21. De ambtenaar is in eerste aanleg veroordeeld voor feit 1 primair en feit 2 tot een gevangenisstraf van achttien maanden met aftrek van voorarrest en ontzetting van het recht tot het bekleden van het ambt van gemeenteambtenaar voor twee jaren. Haar toenmalige vriend is veroordeeld voor de feiten 1 en 2 tot een gevangenisstraf van twaalf maanden met aftrek van voorarrest. In beide zaken is ook beslist op de vordering van de benadeelde partij.
Tenlastelegging en wettelijk kader
In ECLI:NL:GHDHA:2026:2972 wordt de ambtenaar onder 1 primair verweten dat zij in de periode van 1 juli 2019 tot en met 12 november 2020 als ambtenaar van de gemeente Den Haag meermalen opzettelijk geld of geldswaardig papier dat zij in haar bediening onder zich heeft verduistert, tot een bedrag van in totaal € 640.970,12. Subsidiair is verduistering in dienstbetrekking als baliemedewerker tenlastegelegd, meer subsidiair diefstal en meest subsidiair gewoontewitwassen van hetzelfde bedrag. Onder 2 wordt haar verweten dat zij in de periode van 1 juli 2019 tot en met 6 januari 2021 samen met een ander geldbedragen van in totaal € 640.970,12 overdraagt, omzet of gebruikt terwijl zij weet dat die uit misdrijf afkomstig zijn, en dat zij van witwassen een gewoonte maakt. Het hof noemt als toepasselijke wettelijke voorschriften de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 47, 57, 63, 359 en 420ter Sr.
In ECLI:NL:GHDHA:2026:2973 wordt de toenmalige vriend onder 1 verweten dat hij in de periode van 1 juli 2019 tot en met 6 januari 2021 te Den Haag in vereniging met een ander geldbedragen van in totaal € 640.970,12 verwerft, voorhanden heeft, overdraagt, omzet of gebruikt terwijl hij weet dat die uit misdrijf afkomstig zijn, en dat hij daarvan een gewoonte maakt. Onder 2 wordt hem verweten dat hij in strijd met artikel 17 van de Participatiewet opzettelijk nalaat tijdig de benodigde gegevens te verstrekken die van belang zijn voor zijn recht op een bijstandsuitkering, door een aanzienlijk aantal contante stortingen en girale bijschrijvingen niet te melden en door het bezit van een motorfiets te verzwijgen, met als tenlastegelegde periode 1 januari 2019 tot en met 31 oktober 2019. Het hof noemt als toepasselijke wettelijke voorschriften de artikelen 36f, 47, 57, 227b en 420ter Sr.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
In ECLI:NL:GHDHA:2026:2972 vordert de advocaat-generaal vernietiging van het vonnis en veroordeling voor feit 1 primair en feit 2 tot een gevangenisstraf van dertien maanden met aftrek van voorarrest. Zij concludeert tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
In ECLI:NL:GHDHA:2026:2973 vordert de advocaat-generaal vernietiging van het vonnis en veroordeling voor de feiten 1 en 2 tot een gevangenisstraf van elf maanden met aftrek van voorarrest. Ten aanzien van de benadeelde partij concludeert zij tot toewijzing van een gedeelte, tot een bedrag van € 315.915, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
In ECLI:NL:GHDHA:2026:2972 bestrijdt de raadsman op gronden zoals vermeld in zijn pleitnota de hoogte van het door de verdachte verduisterde bedrag. De vordering van de benadeelde partij wordt betwist, onder meer met de stelling dat de indiener van de vordering daartoe niet gemachtigd is en met de stelling dat geen sprake is van rechtstreekse schade als bedoeld in artikel 51f Sv. Uit de strafmotivering blijkt verder dat is aangevoerd dat de verdachte door geweld of de dreiging daarmee tot haar handelen is gedwongen en dat zij zich niet aan de relatie kon onttrekken; het arrest vermeldt niet in welk processtuk of op welk moment die stelling is ingenomen.
In ECLI:NL:GHDHA:2026:2973 bepleit de raadsvrouw op gronden zoals vermeld in haar pleitnotities vrijspraak van feit 1; die gronden zijn in het arrest niet weergegeven. Ten aanzien van feit 2 legt de verdachte geen verklaring af en geeft de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep aan op dit punt geen verweer te voeren. De vordering van de benadeelde partij wordt op dezelfde twee gronden betwist als in de zaak tegen de medeverdachte.
Oordeel gerecht
In ECLI:NL:GHDHA:2026:2972 oordeelt het hof over feit 1 dat geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden op grond waarvan getwijfeld moet worden aan het in het proces-verbaal van bevindingen met nummer 122 herberekende schadebedrag van € 640.970,12. Het geld moet vanuit de kluis zijn weggenomen, nu er in het geheel geen aanwijzingen zijn dat het contante geld op een andere wijze op het stadsdeelkantoor is verdwenen, en het feitenonderzoek door de gemeente levert geen aanwijzingen op dat anderen dan de verdachte contant geld uit de kluis hebben weggenomen. Over feit 2 oordeelt het hof dat op basis van wettige bewijsmiddelen vaststaat dat de verdachte het bedrag van € 640.970,12 heeft witgewassen. Ten aanzien van een gedeelte daarvan, te weten € 373.999,50, bestaande uit de contante stortingen op en de girale overboekingen naar de rekening van de medeverdachte en uit de contant aangeschafte luxegoederen en de uitgaven aan voertuigen, acht het hof tevens bewezen dat sprake is van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met de medeverdachte.
In ECLI:NL:GHDHA:2026:2973 overweegt het hof over feit 1 grotendeels met de rechtbank. Uit het financieel onderzoek blijkt dat in de tenlastegelegde periode grote contante stortingen worden gedaan op bankrekeningen van de verdachte, de medeverdachte en haar zus. Mede op basis van de in de woning aangetroffen bonnetjes staat vast dat de verdachte veel contant betaalde aankopen doet van luxe goederen zoals schoenen, kleding en elektronica, en uit het politieonderzoek blijkt dat meerdere voertuigen zijn aangeschaft. De verdachte verklaart dat hij gedurende de relatie cash geld van de medeverdachte ontvangt. De medeverdachte verklaart dat zij hem feitelijk financieel onderhoudt, dat het zijn idee is om geld van de gemeente te stelen, dat hij na haar mededeling over storingen en mankementen aan de geldzuil zegt dat zij dat geld dan toch gewoon kan pakken zodat hij daar spullen van kan kopen, en dat zij alles bij elkaar tonnen aan hem uitgeeft. Die verklaring vindt steun in het financieel onderzoek, in de aangetroffen luxe goederen en voertuigen en in de chatgesprekken tussen beiden, waaruit blijkt dat de verdachte weet dat het geld een illegale herkomst heeft. De stelling dat hij veronderstelt dat de familie van de medeverdachte veel geld heeft en hij zich daarom niet om de herkomst hoeft te bekommeren, is niet onderbouwd en vindt in het dossier geen aanknopingspunt. Het hof oordeelt dat de verdachte weet dat het geld van misdrijf afkomstig is en dat sprake is van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking bestaande uit een gezamenlijke uitvoering.
Voor de hoogte van het door hem witgewassen bedrag neemt het hof in aanmerking: contante stortingen op zijn bankrekening van € 92.755, girale overboekingen afkomstig van de medeverdachte van € 142.761, contant aangeschafte luxegoederen van € 22.085,50 en uitgaven aan voertuigen van € 116.398, samen € 373.999,50. Het hof wijst er daarbij op dat het gestorte geld ten tijde van de aanhouding van beide verdachten niet meer op hun bankrekeningen staat. Gelet op de frequentie van de witwashandelingen en de ruime pleegperiode acht het hof gewoontewitwassen bewezen. Over feit 2 overweegt het hof dat bij beschikking van 19 maart 2018 aan de verdachte bijstand is toegekend en dat in die beschikking staat dat veranderingen in onder meer de financiële situatie gevolgen hebben voor de hoogte en duur van de uitkering en moeten worden doorgegeven. De verdachte ontvangt in de tenlastegelegde periode geldbedragen op zijn rekening zonder daarvan melding te doen en bezit een motorfiets die hij evenmin meldt. Nu in het voorgaande is overwogen dat hij weet dat die bedragen uit misdrijf afkomstig zijn, en bij gebreke van een andersluidende verklaring, oordeelt het hof dat hij opzettelijk heeft nagelaten die gegevens te verstrekken terwijl hij weet dat zij van belang zijn voor de vaststelling van zijn recht op een uitkering.
Bewezenverklaring
In ECLI:NL:GHDHA:2026:2972 verklaart het hof bewezen:
als ambtenaar opzettelijk geld dat zij in haar bediening onder zich heeft verduisteren, meermalen gepleegd, in de periode van 1 juli 2019 tot en met 12 november 2020, tot een bedrag van € 640.970,12
medeplegen van, van het plegen van witwassen een gewoonte maken, in de periode van 1 juli 2019 tot en met 6 januari 2021, ten aanzien van een bedrag van € 640.970,12
Aan de subsidiaire varianten van feit 1 komt het hof niet toe. Van hetgeen meer of anders is tenlastegelegd wordt de verdachte vrijgesproken.
In ECLI:NL:GHDHA:2026:2973 verklaart het hof bewezen:
medeplegen van, van het plegen van witwassen een gewoonte maken, in de periode van 1 juli 2019 tot en met 6 januari 2021, voor een bedrag van € 373.999,50 in plaats van het tenlastegelegde bedrag van € 640.970,12
in strijd met een bij wettelijk voorschrift opgelegde verplichting opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf en terwijl hij weet dat die gegevens van belang zijn voor de vaststelling van zijn recht op die verstrekking of tegemoetkoming, in de periode van 1 juli 2019 tot en met 31 oktober 2019 in plaats van de tenlastegelegde periode vanaf 1 januari 2019
Van hetgeen meer of anders is tenlastegelegd wordt de verdachte vrijgesproken.
Strafoplegging en maatregelen
In ECLI:NL:GHDHA:2026:2972 acht het hof een gevangenisstraf van twaalf maanden waarvan zes voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf van 200 uur in beginsel passend en geboden. Strafverzwarend weegt het hof mee dat de verdachte gedurende langere tijd welbewust en steeds onbeschaamder handelt, telkens opnieuw de afweging maakt geld mee te nemen voor haar eigen financieel genoegen en dat van haar toenmalige vriend, op grove wijze misbruik maakt van het feit dat na plaatsing van de geldzuil onvoldoende controle op de contante geldstroom bestaat, en het in haar als ambtenaar gestelde vertrouwen ernstig schaadt. De stelling dat zij door geweld of de dreiging daarmee is gedwongen en zich niet aan de relatie kon onttrekken, acht het hof mede op basis van de appberichten in het dossier niet geloofwaardig; veeleer heeft zij haar partner aan zich willen binden door het geven van vaak kostbare cadeaus. Strafverlagend weegt het hof mee dat zij ter terechtzitting in hoger beroep verantwoordelijkheid neemt door niet langer vast te houden aan de in eerste aanleg ingenomen ongeloofwaardige stelling dat zij hooguit € 40.000 zou hebben weggenomen. Het uittreksel Justitiële Documentatie van 2 september 2026 vermeldt geen veroordeling voorafgaand aan deze feiten, wel een vonnis van 11 oktober 2022 voor nadien begane feiten, waarmee het hof op grond van artikel 63 Sr rekening houdt; die straffen zijn reeds uitgevoerd en de verdachte verklaart haar behandeling op vrijwillige basis te willen voortzetten. De behandeling heeft niet binnen een redelijke termijn plaatsgevonden: na de inverzekeringstelling op 30 december 2020 wordt pas op 1 augustus 2024 eindvonnis gewezen, een overschrijding van ongeveer één jaar en acht maanden, en ook na het instellen van het hoger beroep op 5 augustus 2024 is de termijn licht overschreden. Daarom legt het hof in plaats van 200 uur een taakstraf van 160 uur op, subsidiair 80 dagen hechtenis, naast een gevangenisstraf van twaalf maanden waarvan zes voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van voorarrest. Het hof blijft daarmee onder de gevorderde dertien maanden onvoorwaardelijk. Het dictum bevat geen ontzetting van het recht tot het bekleden van het ambt van gemeenteambtenaar, die de rechtbank wel oplegt; het arrest wijdt daaraan geen afzonderlijke overweging.
In ECLI:NL:GHDHA:2026:2973 acht het hof een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twaalf maanden in beginsel passend en geboden. Het weegt mee dat de verdachte enkel oog heeft gehad voor zijn eigen financieel gewin, dat hij door crimineel geld in het legale betalingsverkeer te brengen meewerkt aan verhulling van criminele activiteiten, dat hij bijna een jaar lang zijn financiële positie verzwijgt en zo ten onrechte een bijstandsuitkering ontvangt, en dat hij ook ter terechtzitting in hoger beroep geen inzicht toont in zijn rol en in het laakbare van zijn handelen. Uit het uittreksel Justitiële Documentatie van 2 september 2026 blijkt dat hij eerder onherroepelijk is veroordeeld voor andersoortige strafbare feiten. Wegens overschrijding van de redelijke termijn, met ongeveer één jaar en acht maanden in eerste aanleg na de inverzekeringstelling op 6 januari 2021 en een lichte overschrijding na het instellen van het hoger beroep op 12 augustus 2024, legt het hof elf maanden gevangenisstraf op met aftrek van voorarrest, gelijk aan de vordering van de advocaat-generaal. De strafmotivering vermeldt dat de verdachte zijn financiële positie verzwijgt tegenover het UWV, terwijl de tenlastelegging en de bewezenverklaring zien op een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet; de bron bevat op dit punt een discrepantie.
In beide zaken voegt de gemeente Den Haag zich als benadeelde partij voor € 640.970,12, het bedrag dat in eerste aanleg volledig is toegewezen. Het hof verwerpt in beide zaken het verweer over de machtiging: blijkens de Mandaatregeling hoofdstuk 1.2 Den Haag 2022 is door burgemeester en wethouders mandaat verleend aan de algemeen directeur voor onder meer het voeren van rechtsgedingen krachtens artikel 160 Gemeentewet, van een andersluidend raadsbesluit is niet gebleken en de advocaat van de benadeelde partij verklaart ter terechtzitting door de algemeen directeur te zijn gemachtigd.
In de zaak tegen de ambtenaar oordeelt het hof dat de gestelde materiële schade is geleden en rechtstreeks voortvloeit uit het bewezenverklaarde, en wijst het de vordering volledig toe tot € 640.970,12, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 12 november 2020, waarbij zij tot € 373.999,50 hoofdelijk met de medeverdachte tot betaling is gehouden. De proceskosten worden begroot op nihil. Het hof legt de schadevergoedingsmaatregel op voor € 640.970,12, hoofdelijk tot € 373.999,50, met een gijzeling van ten hoogste 365 dagen.
In de zaak tegen haar toenmalige vriend oordeelt het hof dat de schade tot € 373.999,50 is aangetoond en in zodanig nauw verband staat met de uit de bewijsvoering blijkende gedragingen, onder meer blijkens de voor het bewijs gebezigde tapgesprekken, dat zij als rechtstreeks moet worden aangemerkt in de zin van artikel 361, tweede lid, onder b, Sv en artikel 51f, eerste lid, Sv. De vordering wordt tot dat bedrag hoofdelijk toegewezen met wettelijke rente vanaf 12 november 2020 en voor het overige wordt de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard. De proceskosten worden begroot op nihil. Het hof legt de hoofdelijke schadevergoedingsmaatregel op van € 373.999,50, met een gijzeling van ten hoogste 360 dagen, en wijst daarmee meer toe dan de advocaat-generaal, die tot € 315.915 concludeert.
Lees hier de volledige uitspraak in de zaak tegen de gemeenteambtenaar en hier die tegen haar toenmalige vriend.
