Veroordeling tot gevangenisstraf voor oplichting van een bank en valsheid in geschrift met valselijk opgemaakte facturen uit een bouwdepot

Rechtbank Den Haag 3 juli 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:19750

De rechtbank Den Haag veroordeelt een man voor oplichting van ING Bank en voor valsheid in geschrift, beide meermalen gepleegd. Hij gebruikte zonder toestemming het briefpapier van twee bedrijven voor facturen waarop werkzaamheden en kosten stonden vermeld die nooit zijn verricht. Met die facturen bewoog hij de bank tussen 24 mei 2023 en 12 maart 2024 tot uitbetaling van in totaal € 668.702,03 uit een bouwdepot. De verdachte heeft de feiten bekend, volledig meegewerkt aan het strafrechtelijk onderzoek en spijt betuigd. De rechtbank rekent hem aan dat aan zijn handelen pas een einde kwam door ontdekking door ING. Opgelegd wordt een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Inleiding en context

De verdachte is een natuurlijk persoon, geboren in 1994. De zaak wordt in eerste aanleg behandeld door de meervoudige kamer, op tegenspraak. Het onderzoek ter terechtzitting vindt plaats op 9 maart 2026 (pro forma) en 19 juni 2026 (inhoudelijke behandeling). De verdachte beschikte over een bouwdepot bij ING Bank N.V. en diende daar facturen in ter uitbetaling. Over zijn persoonlijke omstandigheden verklaart hij ter terechtzitting dat hij financieel aan de grond zit en dat hij in zijn persoonlijk leven negatieve gevolgen ondervindt van de feiten. Uit zijn strafblad van 30 januari 2026 blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke misdrijven.

Tenlastelegging en wettelijk kader

De verdachte wordt verweten dat hij zich in de periode van 1 mei 2023 tot en met 26 maart 2024 te Alphen aan den Rijn meermalen schuldig heeft gemaakt aan oplichting van ING Bank N.V. (artikel 326 Sr) en aan valsheid in geschrift (artikel 225 Sr). De oplichting zou zijn begaan door zonder toestemming het briefpapier van twee bedrijven te gebruiken voor facturen, daarop werkzaamheden en kosten te vermelden die nooit zijn verricht en die facturen bij de bank in te dienen ter uitbetaling uit een bouwdepot of hypothecaire lening. Feit 2 is primair ten laste gelegd als het valselijk opmaken of vervalsen van die facturen, met het oogmerk deze als echt en onvervalst te gebruiken, en subsidiair als het opzettelijk gebruikmaken van valse of vervalste geschriften.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie rekwireert tot bewezenverklaring van feit 1 en feit 2 primair en vordert oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Standpunt van de verdediging

De raadsman bepleit geen vrijspraak. Hij verzoekt rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en met diens proceshouding, en geeft te kennen dat de verdachte in staat is tot het uitvoeren van een taakstraf.

Oordeel gerecht

De rechtbank volstaat met een opgave van bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, Sv, omdat de verdachte de bewezen verklaarde feiten heeft bekend, daarna niet anders heeft verklaard en de raadsman geen vrijspraak heeft bepleit. Redengevend acht de rechtbank de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 19 juni 2026, het proces-verbaal van aangifte namens ING Bank van 13 november 2024 met bijlagen en het proces-verbaal van bevindingen van 27 maart 2025. De rechtbank bekort de bewezen verklaarde periode tot 24 mei 2023 tot en met 12 maart 2024 en spreekt vrij van hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Het bewezen verklaarde wordt gekwalificeerd als eendaadse samenloop van oplichting, meermalen gepleegd, en valsheid in geschrift, meermalen gepleegd. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten of van de verdachte uitsluiten.

Bewezenverklaring

Bewezen wordt verklaard dat de verdachte:

  • in de periode van 24 mei 2023 tot en met 12 maart 2024 in Nederland meermalen, met het oogmerk zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door listige kunstgrepen ING Bank N.V. heeft bewogen tot afgifte van geldbedragen van in totaal € 668.702,03 aan betalingen uit een bouwdepot, door zonder toestemming het briefpapier van twee bedrijven te gebruiken voor facturen, daarop werkzaamheden en kosten van werkzaamheden te vermelden die in werkelijkheid nooit zijn verricht en die valselijk opgemaakte facturen bij de bank in te dienen;

  • in diezelfde periode te Alphen aan den Rijn meermalen facturen ten name van twee bedrijven, bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen, heeft vervalst door zonder toestemming het briefpapier van die bedrijven te gebruiken en daarop werkzaamheden en kosten voor die werkzaamheden te vermelden die in werkelijkheid nooit zijn verricht, met het oogmerk deze als echt en onvervalst te gebruiken.

Strafoplegging en maatregelen

De rechtbank legt een gevangenisstraf op voor de duur van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. Bij de strafmotivering weegt de rechtbank mee dat de verdachte zich gedurende bijna een jaar schuldig heeft gemaakt aan het vervalsen van facturen en oplichting van ING, dat hij de bank daarmee grote financiële schade heeft toegebracht en dat hij het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer moet kunnen worden gesteld in de echtheid van facturen ernstig heeft beschaamd. Aan het strafbare handelen kwam een einde door ontdekking door ING en niet door enig handelen van de verdachte zelf. Voor de strafmodaliteit en de strafmaat zoekt de rechtbank aansluiting bij wat in soortgelijke zaken doorgaans wordt opgelegd. In strafmatigende zin houdt zij rekening met de proceshouding van de verdachte, die vanaf het moment dat hij bekend werd met het onderzoek zijn volledige medewerking heeft verleend en spijt heeft betuigd, en met het tijdsverloop sinds de feiten, hoewel de redelijke termijn niet is overschreden. Een lichtere of andere sanctie dan onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming acht de rechtbank niet toereikend; het voorwaardelijke deel dient om de ernst van de feiten tot uitdrukking te brengen en om herhaling te voorkomen. De opgelegde straf komt overeen met de eis van het Openbaar Ministerie. De tenuitvoerlegging vindt volledig plaats binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment waarop voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^