Vernietiging van niet-ontvankelijkverklaring: hof oordeelt dat de verjaring is gestuit en wijst de zaak terug naar de rechtbank
/Gerechtshof 's-Hertogenbosch 16 juni 2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:1634
Het gerechtshof 's-Hertogenbosch vernietigt een vonnis van de rechtbank Oost-Brabant waarbij de officier van justitie niet-ontvankelijk is verklaard wegens verjaring van de ten laste gelegde feiten. Het gaat om verduistering in dienstbetrekking, (gewoonte)witwassen en faillissementsfraude, gepleegd in 2008 en 2009. Voor alle feiten geldt een verjaringstermijn van twaalf jaren, die in beginsel afliep op 21 respectievelijk 22 oktober 2021. Het hof oordeelt dat de verjaring tijdig is gestuit door drie daden van vervolging: het ad-hocbesluit van de Stuur- en Weegploeg van 15 mei 2017, het Europees Onderzoeksbevel aan de Spaanse autoriteiten van 14 augustus 2017 en het betrekken van de rechter-commissaris na de onderzoekswensenbrief van 7 augustus 2019. Het hof verklaart de officier van justitie alsnog ontvankelijk in de strafvervolging en wijst de zaak terug naar de rechtbank Oost-Brabant.
Inleiding en context
Het gerechtshof 's-Hertogenbosch behandelt in hoger beroep de vraag of de officier van justitie terecht niet-ontvankelijk is verklaard in de strafvervolging van de verdachte. De verdachte is een natuurlijk persoon, geboren in het buitenland, zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland en volgens eigen opgave ter terechtzitting woonachtig in Spanje. De rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, verklaart de officier van justitie bij vonnis van 7 november 2024 niet-ontvankelijk omdat zij van oordeel is dat de ten laste gelegde feiten zijn verjaard. De officier van justitie stelt tegen dat vonnis hoger beroep in. De zaak vindt haar oorsprong in een bevel tot vervolging dat het gerechtshof Den Haag op 5 april 2016 geeft naar aanleiding van een klaagschrift ex artikel 12 Sv.
Tenlastelegging en wettelijk kader
De verdachte wordt verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan drie feiten. Feit 1 betreft het tezamen en in vereniging plegen van verduistering in dienstbetrekking in de periode van 22 mei 2008 tot en met 30 oktober 2009, strafbaar gesteld in artikel 322 juncto artikel 321 juncto artikel 47 Sr. Het gaat om de wederrechtelijke toe-eigening van geldbedragen tot een totaalbedrag van ruim € 920.000 die als converteerbare geldleningen aan een vennootschap toebehoorden, en die de verdachte als directeur of bestuurder onder zich had. Feit 2 betreft het (feitelijk leidinggeven aan) het in vereniging plegen van (gewoonte)witwassen in dezelfde periode, strafbaar gesteld in artikel 420ter juncto artikel 47 Sr en artikel 420bis lid 1 onder b Sr. Feit 3 betreft het (feitelijk leidinggeven aan) het in vereniging plegen van faillissementsfraude in de periode van 4 augustus 2009 tot en met 21 oktober 2009, strafbaar gesteld in artikel 341 juncto de artikelen 51 en 47 Sr en artikel 343 Sr, door onttrekking van goederen en geld aan de boedel en bevoordeling van een schuldeiser na de faillietverklaring van de vennootschap.
Voor de verjaring zijn de artikelen 70 en 72 Sr bepalend. Het hof stelt vast dat voor alle drie de feiten een verjaringstermijn van twaalf jaren geldt op grond van artikel 70, eerste lid, onder 3°, Sr. Voor feit 1 voorziet artikel 322 Sr in een strafmaximum van vier jaren. Voor feit 2 geldt voor het (gewoonte)witwassen een strafmaximum van acht jaren onder artikel 420ter Sr, waarbij het hof met de verdediging uitgaat van de pleegdata van de afzonderlijke witwasfeiten die gezamenlijk de gewoonte vormen. Voor feit 3 voorzien de artikelen 341 en 343 Sr in een strafmaximum van zes jaren.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal vordert dat het hof de officier van justitie alsnog ontvankelijk verklaart in de strafvervolging en de zaak terugwijst naar de rechtbank. Hij wijst op het arrest van de Hoge Raad van 19 mei 2026 (ECLI:NL:HR:2026:772), waarin is bepaald dat de verjaringstermijn bij verduistering ingaat op de dag na die waarop het feit is gepleegd. Voor deze zaak betekent dit dat de feiten 1 en 2 in beginsel zijn verjaard op 21 oktober 2021 en feit 3 op 22 oktober 2021. De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat de verjaring tijdig is gestuit door drie handelingen: het ad-hocbesluit van de Stuur- en Weegploeg van het Openbaar Ministerie van 15 mei 2017, het verzenden van een Europees Onderzoeksbevel aan de Spaanse justitiële autoriteiten op 14 augustus 2017 en het verzenden van een onderzoekswensenbrief aan de raadsman, met afschrift aan het regiebureau van de rechter-commissaris, op 7 augustus 2019.
Standpunt van de verdediging
Namens de verdachte wordt bepleit dat het hof het vonnis van de rechtbank bevestigt. De verdediging stelt zich op het standpunt dat de ten laste gelegde feiten zijn verjaard en dat de door het Openbaar Ministerie aangevoerde handelingen niet als stuitingshandelingen kunnen worden aangemerkt. Met betrekking tot het Europees Onderzoeksbevel voert de verdediging aan dat in het buitenland geen rechter bij de zaak is betrokken, zodat van een daad van vervolging geen sprake is.
Oordeel gerecht
Het hof vernietigt het vonnis waarvan beroep omdat dit niet te verenigen is met de te geven beslissing. Het stelt voorop dat een daad van vervolging in de zin van artikel 72 Sr ruim en materieel moet worden begrepen. Het gaat om een formele daad uitgaande van het Openbaar Ministerie of de rechter om in de fase voorafgaand aan de tenuitvoerlegging tot een uitvoerbare rechterlijke beslissing te geraken, waarmee het Openbaar Ministerie tot uitdrukking brengt dat de inbreuk op de rechtsorde nog steeds strafvervolging vereist. Het hof verwijst daarbij naar de jurisprudentie van de Hoge Raad, waaronder het arrest van 13 juli 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BN1014).
Het hof stelt vast dat alle door de advocaat-generaal genoemde handelingen hebben plaatsgevonden vóór het einde van de verjaringstermijnen. Het besluit van de Stuur- en Weegploeg van 15 mei 2017 om een strafrechtelijk onderzoek tegen de verdachte in te stellen, geeft uitvoering aan de opdracht van het gerechtshof Den Haag tot vervolging en kan redelijkerwijs niet anders worden uitgelegd dan als gericht op het verkrijgen van een rechterlijke beslissing. Het hof oordeelt dat dit besluit heeft te gelden als een daad van vervolging die de verjaring stuit, zodat de verjaring reeds op 15 mei 2017 is gestuit.
Anders dan de rechtbank en de verdediging beschouwt het hof ook het Europees Onderzoeksbevel van 14 augustus 2017 als een daad van vervolging die de verjaring stuit. Het hof verwijst naar het arrest van de Hoge Raad van 13 juli 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1006), waarin is geoordeeld dat het aanmerken van een rechtshulpverzoek als stuitende daad van vervolging niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk is. In het kader van het onderzoeksbevel zijn in Spanje verhoren afgenomen. De omstandigheid dat daarbij geen rechter is betrokken, doet aan het oordeel niet af, nu dat geen vereiste is dat uit het genoemde arrest volgt.
Het hof oordeelt voorts dat het enkele te kennen geven van het voornemen tot dagvaarden bij brief van 7 augustus 2019 geen daad van vervolging is. Het vervolgens betrekken van de rechter-commissaris in de zaak, doordat de verdediging is uitgenodigd onderzoekswensen in te dienen en de raadsman daaraan gevolg heeft gegeven met een verzoek tot het horen van vijf getuigen, waarna de rechter-commissaris bij beschikking van 8 januari 2020 tot het horen van een getuige heeft beslist, merkt het hof wel als zodanige daad aan. De andersluidende argumenten van de verdediging kunnen hieraan niet afdoen. Het hof ziet geen aanleiding de zaak aan te houden voor een prejudiciële beslissing van de Hoge Raad, omdat beantwoording van de aan de orde zijnde rechtsvragen reeds mogelijk is op grond van bestaande jurisprudentie.
Het hof concludeert dat de feiten waarvoor de verdachte wordt vervolgd niet zijn verjaard.
Bewezenverklaring
Het hof komt aan een bewezenverklaring niet toe. Het arrest beperkt zich tot de ontvankelijkheid van de officier van justitie in verband met de verjaring. Een inhoudelijk oordeel over de feiten is voorbehouden aan de rechtbank na terugwijzing.
Strafoplegging en maatregelen
Het hof legt geen straf of maatregel op. Het vernietigt het vonnis waarvan beroep, verklaart de officier van justitie alsnog ontvankelijk in de strafvervolging van de verdachte en wijst de zaak terug naar de rechtbank Oost-Brabant teneinde met inachtneming van dit arrest recht te doen.
Lees hier de volledige uitspraak.
