Uitkeringsfraude: hof acht gevangenisstraf passend maar legt taakstraf op wegens forse overschrijding redelijke termijn in beide instanties

Gerechtshof Amsterdam 31 maart 2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:880

Het gerechtshof Amsterdam bevestigt in hoger beroep de veroordeling van een vrouw voor uitkeringsfraude, bestaande uit het opzettelijk niet melden van werkzaamheden aan het UWV. De verdachte is in eerste aanleg door de rechtbank Noord-Holland veroordeeld en heeft onbeperkt hoger beroep ingesteld, maar wordt niet-ontvankelijk verklaard voor zover dat is gericht tegen de vrijspraak van het WIA-feit. Het hof acht in beginsel een gevangenisstraf passend, maar legt een taakstraf van 150 uren op vanwege de forse overschrijding van de redelijke termijn met ruim 25 maanden in eerste aanleg en ruim twaalf maanden in hoger beroep. De opgelegde straf is hoger dan de 140 uren die de advocaat-generaal vordert, en het verzoek van de verdediging om een deels voorwaardelijke taakstraf wordt afgewezen. De zaak illustreert hoe een aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn in beide instanties kan leiden tot matiging van een in beginsel passende gevangenisstraf naar een taakstraf.

Inleiding en context

Het gerechtshof Amsterdam oordeelt in hoger beroep over de veroordeling van een vrouw, geboren in 1976, voor uitkeringsfraude. De verdachte is een natuurlijk persoon die ervan wordt verdacht opzettelijk niet te hebben gemeld dat zij werkzaamheden verrichtte terwijl zij een uitkering ontving van het UWV. De zaak betreft een hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 9 maart 2023. De rechtbank heeft de verdachte in eerste aanleg veroordeeld tot een taakstraf van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis. De verdachte is in eerste aanleg vrijgesproken van het onderdeel van de tenlastelegging dat ziet op de WIA-uitkering. Het hoger beroep is namens de verdachte onbeperkt ingesteld, waardoor het zich ook uitstrekt tot de vrijspraak van het WIA-feit. De zaak is op tegenspraak behandeld ter terechtzitting van het hof op 17 maart 2026. Uit de processtukken blijkt dat het parketnummer in eerste aanleg dateert uit 2018, hetgeen relevant is voor de beoordeling van de redelijke termijn.

Tenlastelegging en wettelijk kader

De verdachte wordt verweten dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan uitkeringsfraude door opzettelijk niet aan het UWV te melden dat zij werkzaamheden verrichtte. Door dit na te laten kon het UWV niet op juiste wijze vaststellen of, en zo ja, in hoeverre de verdachte recht had op een uitkering. Het arrest vermeldt niet expliciet op grond van welke wetsartikelen de vervolging is ingesteld. Gelet op de aard van het verwijt, het opzettelijk nalaten om relevante informatie te verstrekken aan een uitkeringsinstantie, is vermoedelijk artikel 227b van het Wetboek van Strafrecht aan de orde, maar dit kan niet met zekerheid uit het arrest worden afgeleid. De tenlastelegging omvat oorspronkelijk ook een onderdeel met betrekking tot de WIA-uitkering, maar daarvan is de verdachte in eerste aanleg vrijgesproken. Welke andere uitkering het bewezenverklaarde feit betreft, wordt in het arrest niet nader gespecificeerd.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal vordert in hoger beroep een taakstraf van 140 uren, subsidiair 70 dagen hechtenis. Dit is tien uren minder dan de straf die de rechtbank in eerste aanleg heeft opgelegd. Het arrest vermeldt niet op welke specifieke gronden de advocaat-generaal deze strafeis baseert. Evenmin blijkt uit het arrest of de advocaat-generaal zich heeft uitgelaten over de bewezenverklaring of over de overschrijding van de redelijke termijn.

Standpunt van de verdediging

De raadsman voert in hoger beroep verschillende verweren, die zich concentreren op de strafmaat. De raadsman verzoekt het hof rekening te houden met het feit dat de verdachte niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld. Daarnaast wijst de raadsman op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte: zij is ziek, zij is alleenstaande ouder en zij heeft psychische druk ervaren. De raadsman verzoekt het hof voorts het bedrag van 26.549,45 euro in mindering te brengen op het benadelingsbedrag, hetgeen erop wijst dat de verdachte een deel van het ten onrechte ontvangen bedrag heeft terugbetaald. Tot slot verzoekt de raadsman het hof een taakstraf op te leggen met een voorwaardelijk deel. Het verweer over de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging, dat in eerste aanleg kennelijk wel is gevoerd, wordt in hoger beroep niet herhaald. Het arrest vermeldt niet dat de verdediging bewijsverweren heeft gevoerd.

Oordeel van het gerecht

Het hof behandelt allereerst de ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep. Nu het hoger beroep onbeperkt is ingesteld, richt het zich mede tegen de vrijspraak van het WIA-feit in eerste aanleg. Het hof oordeelt dat tegen een vrijspraak geen hoger beroep door de verdachte openstaat en verklaart de verdachte in zoverre niet-ontvankelijk.

Voor het overige verenigt het hof zich met het vonnis van de rechtbank Noord-Holland en bevestigt dit. Het hof neemt de overwegingen van de rechtbank ten aanzien van het verweer over de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie niet over, omdat dit verweer in hoger beroep niet is gevoerd. Ten aanzien van hetgeen de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep heeft aangevoerd, overweegt het hof dat dit niet tot een ander oordeel leidt. Het hof honoreert daarmee geen van de door de verdediging aangevoerde strafmaatverweren.

Het hof vervangt uitsluitend de strafmotivering van de rechtbank. Het hof overweegt dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan uitkeringsfraude door opzettelijk niet te melden dat zij werkzaamheden verrichtte, waardoor het UWV niet op juiste wijze kon vaststellen of en in hoeverre zij recht had op een uitkering. Het hof benadrukt dat daardoor ten onrechte gemeenschapsgeld is uitgekeerd en dat sociale voorzieningen uitsluitend zijn bedoeld voor degenen die er recht op hebben en daarvan afhankelijk zijn.

Bewezenverklaring

Het hof bevestigt de bewezenverklaring van de rechtbank Noord-Holland. Bewezen wordt verklaard:

  • uitkeringsfraude, bestaande uit het opzettelijk niet melden van werkzaamheden aan het UWV, waardoor niet op juiste wijze kon worden vastgesteld of en in hoeverre de verdachte recht had op een uitkering.

De verdachte is vrijgesproken van het onderdeel van de tenlastelegging dat betrekking heeft op de WIA-uitkering. Deze vrijspraak is in eerste aanleg uitgesproken en is in hoger beroep niet aan het oordeel van het hof onderworpen.

Strafoplegging en maatregelen

Het hof acht in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden, gelet op de ernst van de feiten. Het hof constateert evenwel dat de redelijke termijn aanzienlijk is overschreden. In eerste aanleg bedraagt de overschrijding ruim 25 maanden, in hoger beroep ruim twaalf maanden. Deze forse overschrijdingen in beide instanties geven het hof aanleiding de straf te matigen. In plaats van de in beginsel passend geachte gevangenisstraf legt het hof een taakstraf op van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis.

Het hof komt daarmee tot een hogere straf dan de 140 uren die de advocaat-generaal heeft gevorderd. Het hof motiveert dit met een verwijzing naar de ernst van de feiten. Het verzoek van de verdediging om een deel van de taakstraf voorwaardelijk op te leggen wordt afgewezen. Het hof overweegt dat het in hetgeen door de raadsman is aangevoerd en ook overigens geen reden ziet voor een deels voorwaardelijke straf. Het hof gaat eveneens niet zichtbaar in op het verzoek van de verdediging om het bedrag van 26.549,45 euro in mindering te brengen op het benadelingsbedrag. Bijkomende straffen of maatregelen worden niet opgelegd.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^