Hoge Raad: leerplichtvrijstelling openbaar onderwijs alleen in uitzonderlijke gevallen

Hoge Raad 21 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:658 en ECLI:NL:HR:2026:659

Aangescherpt toetsingskader leerplichtvrijstelling: openbaar onderwijs vrijwel buiten bereik van beroep op overwegende bedenkingen

Achtergrond

De onderhavige zaken betreffen twee samenhangende cassatieberoepen van een ouderpaar, beiden natuurlijke personen, die op grond van hun geloofsovertuiging, de Tasawwuf (het soefisme), voor hun in 2017 geboren dochter een beroep hebben gedaan op de vrijstelling van de inschrijfplicht zoals bedoeld in artikel 5, aanhef en onder b, van de Leerplichtwet 1969 (hierna: Lpw). De ouders hebben bij brief van 23 februari 2022 een kennisgeving gedaan, korte tijd later aangevuld met een overzicht van scholen en hun bedenkingen tegen elk daarvan. De leerplichtambtenaar is na een gesprek tot de conclusie gekomen dat niet aan de wettelijke voorwaarden is voldaan. Dit is de ouders bij brief van 25 mei 2022 medegedeeld, waarna proces-verbaal is opgemaakt en de officier van justitie tot vervolging is overgegaan.

Het gerechtshof Amsterdam heeft op 22 oktober 2024 (ECLI:NL:GHAMS:2024:2924 en ECLI:NL:GHAMS:2024:2925) bewezen verklaard dat de ouders in de periode van 1 april 2022 tot en met 28 september 2022 niet hebben voldaan aan de op hen rustende plicht ervoor te zorgen dat hun dochter als leerling van een school stond ingeschreven. Het hof heeft de bezwaren van de ouders tegen het onderwijs op (soennitisch) islamitische, joodse, antroposofische en christelijke basisscholen in Amsterdam voldoende concreet en voldoende zwaarwegend geoordeeld, maar heeft geoordeeld dat hun bezwaren tegen het openbaar onderwijs niet aan die maatstaf voldoen. Om die reden heeft het hof het beroep op vrijstelling afgewezen en de verdachten veroordeeld tot een (voorwaardelijke) geldboete. De exacte hoogte van de geldboete blijkt niet uit de gepubliceerde uitspraken van de Hoge Raad.

De ouders hebben tegen de arresten van het hof cassatie ingesteld.

Middelen

Eerste middel

Namens beide verdachten wordt geklaagd over het oordeel van het hof dat de door hen aangevoerde bedenkingen tegen de richting van het onderwijs op de openbare scholen binnen redelijke afstand van de woning onvoldoende concreet en onvoldoende zwaarwegend zijn en dat om die reden geen beroep toekomt op de vrijstellingsgrond van artikel 5, aanhef en onder b, Lpw. De verdediging heeft in feitelijke aanleg aangevoerd dat de openbare school de geloofsovertuiging van de ouders niet uitdraagt of bevordert door haar levensbeschouwelijke neutraliteit, dat deze school alle religies zal eerbiedigen en daarmee de spirituele ontwikkeling van de dochter zal schaden, dat de dochter in de war kan raken of kan gaan twijfelen door confrontatie met andere levensovertuigingen, en dat op openbare scholen de geestelijke, cognitieve en sociale ontwikkeling van leerlingen van elkaar wordt gescheiden terwijl de Tasawwuf juist geen onderscheid maakt tussen de spirituele en wereldse kanten van het leven. Volgens de verdediging klemt dit temeer nu de dochter zonder passend onderwijs volgens de overtuiging van de ouders het paradijs niet zou kunnen binnengaan.

Tweede middel

In beide cassatieschrifturen is voorts een tweede middel voorgesteld. De inhoud daarvan blijkt niet uit de gepubliceerde arresten, omdat de Hoge Raad dit middel onder verwijzing naar artikel 81, eerste lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft afgedaan.

Beoordeling Hoge Raad

Voor de beoordeling van het eerste middel neemt de Hoge Raad de gelegenheid te baat om zijn eerdere rechtspraak over de leerplichtvrijstelligsgrond van artikel 5, aanhef en onder b, Lpw te verduidelijken en op belangrijke onderdelen aan te scherpen. Reden hiervoor is enerzijds dat in de praktijk vragen bestaan over de wijze waarop het toetsingskader moet worden toegepast, en anderzijds dat het recht op onderwijs zoals beschermd door artikel 2 van het Eerste Protocol bij het EVRM, in de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, alsmede in het internationaal en Unierecht, steeds meer betekenis heeft gekregen voor een volwaardige deelname aan de samenleving.

De Hoge Raad houdt vast aan het eerder geformuleerde drieluik aan vereisten: de overwegende bedenkingen moeten verband houden met ernstige gemoedsbezwaren die berusten op een welbepaalde godsdienstige overtuiging of levensbeschouwing, zij moeten de richting van het onderwijs betreffen, en zij moeten voldoende concreet en voldoende zwaarwegend zijn in relatie tot het onderwijs zoals een school dat kan bieden. Bij de beoordeling van het eerste vereiste dient de rechter zich, gelet op de door de Staat te betrachten neutraliteit en onpartijdigheid, terughoudend op te stellen.

De kern van de aanscherping ziet op het openbaar onderwijs. Voor dat onderwijs geldt voortaan dat geen sprake kan zijn van voldoende concrete en voldoende zwaarwegende bezwaren voor zover die bezwaren zich richten tegen onderdelen van het onderwijs die niet godsdienstig of levensbeschouwelijk van aard zijn, dan wel tegen onderdelen waarin neutrale overdracht van kennis en informatie over verschillende godsdienstige, levensbeschouwelijke of maatschappelijke opvattingen plaatsvindt. Dit laatste is alleen anders als concreet komt vast te staan dat die overdracht niet plaatsvindt op een objectieve, kritische en pluralistische manier. Degene die zich op de vrijstelling beroept, moet dit aan de hand van concrete feiten en omstandigheden onderbouwen.

Hiermee wordt de eerdere rechtspraak, waaronder HR 12 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3111, waarin was aanvaard dat overwegende bedenkingen ook tegen het ontbreken van een levensbeschouwelijke richting (en dus tegen het openbaar onderwijs) konden worden gericht, bijgesteld. Bedenkingen die zich uitsluitend richten tegen de neutrale richting van het openbaar onderwijs volstaan niet langer. In de praktijk zal een geslaagd beroep op de vrijstellingsgrond voor het openbaar onderwijs daarmee nog slechts in uitzonderlijke gevallen mogelijk zijn.

De Hoge Raad benadrukt voorts dat uit artikel 2 Eerste Protocol bij het EVRM voor de Nederlandse Staat een positieve verplichting voortvloeit om te garanderen dat kinderen onderwijs krijgen en dat het onderwijssysteem effectief is. Deze verplichting brengt met zich dat actief optreden van de Staat wordt gevergd om de Leerplichtwet 1969 te handhaven, zo nodig langs strafrechtelijke weg, wanneer een kind verstoken dreigt te raken van het door het verdragsrecht gegarandeerde onderwijs.

Tegen deze achtergrond oordeelt de Hoge Raad dat het oordeel van het hof geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en toereikend is gemotiveerd. In dat oordeel komt immers tot uitdrukking dat niet is komen vast te staan dat het onderwijs op alle openbare scholen binnen redelijke afstand van de woning, voor zover dat onderwijs godsdienstig, levensbeschouwelijk of maatschappelijk van aard is, niet voldoet aan de maatstaf van kennis- en informatieoverdracht op een objectieve, kritische en pluralistische manier. Het eerste middel faalt in beide zaken. Het tweede middel wordt afgedaan met toepassing van artikel 81, eerste lid, RO. De Hoge Raad verwerpt in beide zaken het beroep, waarmee de veroordeling van de ouders definitief is geworden.

Lees hier de volledige uitspraken: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:HR:2026:658 en https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:HR:2026:659

Print Friendly and PDF ^