Tankpasfraude bij Defensie: skimmer veroordeeld tot ruim tien maanden gevangenisstraf voor stelselmatige diefstal met valselijk opgemaakte tankpassen

Rechtbank Den Haag 2 april 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:7614

De rechtbank Den Haag veroordeelt een man voor het stelen van een tankpas van het Ministerie van Defensie, het skimmen en valselijk opmaken van meerdere tankpassen, diefstal van brandstof ter waarde van ruim 13.000 euro door middel van een valse sleutel, en het voorhanden hebben van skimapparatuur. De verdachte stal een tankpas uit de tas van zijn toenmalige schoonzoon, die werkzaam was bij de Koninklijke Marechaussee, en kopieerde vervolgens met behulp van een NFC reader/writer de magneetstripgegevens naar valse passen. Met deze geskimde tankpassen tankte hij stelselmatig bij onbemande tankstations, terwijl het Ministerie van Defensie de kosten droeg. De rechtbank rekent de verdachte het gemak aan waarmee hij overging tot benadeling van een overheidsorganisatie die is belast met de bescherming en verdediging van Nederland. Het medeplegen wordt bij alle feiten niet bewezen verklaard wegens onvoldoende aanknopingspunten in het dossier. De rechtbank legt een gevangenisstraf op van tien maanden en vijftien dagen, gematigd wegens overschrijding van de redelijke termijn met een jaar, en verklaart de inbeslaggenomen skimapparatuur verbeurd.

Inleiding en context

De zaak betreft een mannelijke verdachte, geboren in 1963, die wordt vervolgd voor een omvangrijke tankpasfraude ten nadele van het Ministerie van Defensie. Aanleiding voor het strafrechtelijk onderzoek is een aangifte van diefstal en verduistering namens het Ministerie van Defensie op 15 maart 2022. Uit die aangifte blijkt dat met drie tankpassen die behoren bij defensievoertuigen stelselmatig aanzienlijk meer diesel wordt getankt dan gelet op de tankinhoud van die voertuigen feitelijk mogelijk is. Politieonderzoek naar de transactiegegevens van deze tankpassen brengt een patroon van afwijkend tankgedrag aan het licht bij zes onbemande tankstations in Utrecht, Rijswijk, De Meern, Benthuizen en Leidschendam. Vervolgonderzoek naar historische gegevens van andere defensie-tankpassen wijst uit dat tientallen tankbeurten als afwijkend kunnen worden aangemerkt. Uit camerabeelden, kentekenonderzoek en observaties rijzen verdenkingen jegens de verdachte. Het afwijkende tankgedrag stopt na 22 december 2022. De verdachte wordt op 14 maart 2023 in verzekering gesteld en twee dagen later weer in vrijheid gesteld. De zaak wordt inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 12 maart 2026 en het vonnis wordt gewezen op 2 april 2026. Het betreft een behandeling in eerste aanleg door de meervoudige strafkamer.

Tenlastelegging en wettelijk kader

De verdachte wordt vijf feiten verweten. Onder feit 1 wordt hem verweten dat hij in de periode van 1 januari 2022 tot 23 december 2022 een of meer tankpassen toebehorende aan het Ministerie van Defensie en in gebruik bij de Koninklijke Marechaussee brigade Zuid-Holland heeft weggenomen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening (artikel 310 Sr). Onder feit 2 wordt hem verweten dat hij door middel van geskimde en valse tankpassen, zijnde een valse sleutel, geldbedragen en brandstof toebehorende aan het Ministerie van Defensie heeft weggenomen (artikel 311 Sr). Onder feit 3 wordt hem verweten dat hij opzettelijk tankpassen, zijnde niet-contante betaalinstrumenten, valselijk heeft opgemaakt met het oogmerk zichzelf of een ander te bevoordelen, onder meer door met een NFC reader/writer magneetstripgegevens van originele tankpassen te kopieren naar andere betaalpassen (artikel 232 Sr). Onder feit 4 wordt hem verweten dat hij de aldus verkregen valse tankpassen opzettelijk heeft overgedragen, voorhanden heeft gehad en heeft gebruikt door daarmee bij onbemande tankstations te tanken (artikel 232 Sr). Onder feit 5 wordt hem verweten dat hij op 14 maart 2023 skimapparatuur voorhanden heeft gehad, waaronder een NFC reader/writer, bewegingsdetectoren, camera's en een directionele bi-quad antenne, wetende dat deze bestemd waren voor het plegen van misdrijven als omschreven in de artikelen 232 en 310 en verder Sr (artikel 234 Sr).

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie rekwireert tot bewezenverklaring van alle vijf de feiten. Ten aanzien van de feiten 1 en 3 rekwireert zij met de nuancering dat deze niet in vereniging met anderen zijn begaan en dat feit 3 in Zoetermeer heeft plaatsgevonden. Ten aanzien van feit 2 stelt het Openbaar Ministerie dat het totale aantal liters niet uitsluitend door de verdachte is getankt, maar dat het totaalbedrag aan hem is toe te rekenen. De officier van justitie vordert, gelet op de overschrijding van de redelijke termijn met een jaar, een gevangenisstraf voor de duur van tieneneenhalve maand.

Standpunt van de verdediging

De raadsman stelt zich namens de verdachte op het standpunt dat alle vijf de feiten bewezen kunnen worden verklaard, met dien verstande dat de feiten 1, 2, 3 en 4 niet in vereniging met anderen zijn begaan. Ten aanzien van feit 2 bepleit de verdediging dat slechts de diefstal van een aanzienlijke hoeveelheid brandstof bewezen kan worden verklaard en dat de tenlastegelegde diefstal van meerdere geldbedragen niet bewezen kan worden. Ten aanzien van de strafmaat voert de raadsman aan dat de redelijke termijn met een jaar is overschreden. Daarnaast betoogt hij dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van meer dan enkele weken tot ontslag van de verdachte bij zijn werkgever zal leiden, hetgeen tevens een financiele regeling met het Ministerie van Defensie in de weg zou staan. De verdediging bepleit dat alle tenlastegelegde handelingen in feite neerkomen op een enkel feit en dat daarom een maximale taakstraf dient te worden opgelegd, zo nodig in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf.

Oordeel van het gerecht

De rechtbank stelt vast dat de verdachte degene is geweest die een tankpas heeft gestolen, meerdere tankpassen valselijk heeft opgemaakt, daarvoor de benodigde apparatuur in huis had, de tankpassen heeft overgedragen en zelf heeft gebruikt om te tanken, terwijl het Ministerie van Defensie voor de brandstof betaalde.

Ten aanzien van feit 1 stelt de rechtbank vast dat een medeverdachte eenmalig een voertuigboekje met bijbehorende tankpas van de Koninklijke Marechaussee na een dienst mee naar huis heeft genomen. De verdachte heeft deze tankpas zonder medeweten van de medeverdachte uit diens tas weggenomen om deze te skimmen. De rechtbank acht niet bewezen dat de verdachte meer dan een tankpas heeft weggenomen of dat hij dit in vereniging met anderen heeft gedaan.

Ten aanzien van feit 2 oordeelt de rechtbank dat de verdachte met de gegevens van twee tankpassen in totaal 6.860,24 liter diesel heeft getankt, waarvoor in totaal 13.185,25 euro bij het Ministerie van Defensie in rekening is gebracht. Anders dan de officier van justitie oordeelt de rechtbank dat niet alle onderzochte tankmomenten aan de verdachte kunnen worden toegerekend. De bekennende verklaring van de verdachte vindt steun in geanalyseerde printlijsten, mastlocaties van zijn telefoon en veiliggestelde camerabeelden. De rechtbank komt evenmin tot het oordeel dat sprake is van medeplegen.

Ten aanzien van feit 3 vat de rechtbank de verklaringen van de verdachte op als een bekennende verklaring. De verdachte heeft verklaard dat hij door de gestolen pas uit te lezen met een NFC reader/writer de magneetstripgegevens kon kopieren naar andere passen. Door observatie bij tankstations kon hij kentekens van defensievoertuigen verzamelen en met behulp van bepaalde software de gegevens en pincodes van de bijbehorende tankpassen genereren. Het plaatsen van skimapparatuur bij tankstation Argos Rotterdam wordt niet bewezen geacht.

Ten aanzien van feit 4 oordeelt de rechtbank dat de verdachte meerdere vervalste tankpassen opzettelijk heeft overgedragen aan anderen en daarvan gebruik heeft gemaakt, maar niet dat hij dit in vereniging heeft gedaan.

Bewezenverklaring

De rechtbank verklaart wettig en overtuigend bewezen:

  • Feit 1: diefstal van een tankpas toebehorende aan het Ministerie van Defensie en in gebruik bij de Koninklijke Marechaussee

  • Feit 2: diefstal van geldbedragen ter waarde van in totaal 13.185,25 euro toebehorende aan het Ministerie van Defensie, door middel van een valse sleutel, te weten geskimde en valse tankpassen

  • Feit 3: het opzettelijk valselijk opmaken van niet-contante betaalinstrumenten (tankpassen) met het oogmerk zichzelf of een ander te bevoordelen

  • Feit 4: het opzettelijk overdragen, voorhanden hebben en gebruiken van valse niet-contante betaalinstrumenten

  • Feit 5: het voorhanden hebben van voorwerpen bestemd voor het plegen van misdrijven met betrekking tot de verkrijging van niet-contante betaalinstrumenten

De verdachte wordt vrijgesproken van het medeplegen bij alle feiten, van het wegnemen van meer dan een tankpas (feit 1), van het meerdere boven 13.185,25 euro (feit 2) en van het plaatsen van skimapparatuur bij tankstation Argos Rotterdam (feit 3).

Strafoplegging en maatregelen

De rechtbank zoekt voor de strafmaat aansluiting bij de landelijke orientatiepunten voor straftoemeting (LOVS). Deze geven als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden voor het gebruik van een valse pas met geskimde gegevens en negen maanden voor het voorhanden hebben van skimapparatuur. Tezamen levert dit een uitgangspunt op van twaalf maanden. De overige drie feiten liggen naar het oordeel van de rechtbank in het verlengde van de eerste twee, zodat zij gelet op artikel 56 Sr de twaalf maanden als uitgangspunt neemt.

De rechtbank kent zwaarwegende betekenis toe aan het gemak waarmee de verdachte is overgegaan tot het plegen van ernstige strafbare feiten en de benadeling van een overheidsorganisatie die is belast met de bescherming en verdediging van Nederland. De verdachte heeft verklaard dat hij het Ministerie van Defensie bewust benadeelde omdat hij daartoe de kans had. De rechtbank weegt mee dat de gepleegde feiten het risico opleverden dat de daglimieten van de geskimde tankpassen werden overschreden, waardoor operationele inzetten van het Ministerie van Defensie in gevaar dreigden te komen. De rechtbank ziet in de spijtbetuiging en de bekennende verklaringen van de verdachte geen reden voor strafvermindering, nu besef of inzicht in de verwijtbaarheid van zijn handelen niet is gebleken.

De redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is met een jaar overschreden. De verdachte is op 14 maart 2023 in verzekering gesteld en het vonnis wordt op 2 april 2026 gewezen. De rechtbank oordeelt dat deze overschrijding een matiging van anderhalve maand rechtvaardigt.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden en vijftien dagen, met aftrek van voorarrest. De straf wordt volledig ten uitvoer gelegd binnen een penitentiaire inrichting. De op de beslaglijst onder 1 tot en met 10 genoemde voorwerpen worden verbeurd verklaard, nu deze aan de verdachte toebehoren en met behulp daarvan de onder 3 en 5 bewezenverklaarde feiten zijn begaan.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^