Taakstraffen voor medeplegen van het gebruikmaken van valse TVL-aanvragen en RVO niet-ontvankelijk als benadeelde partij
/Rechtbank Overijssel 29 september 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:5795, ECLI:NL:RBOVE:2026:5796 en ECLI:NL:RBOVE:2026:5797
Drie verdachten worden door de politierechter van de Rechtbank Overijssel veroordeeld voor het medeplegen van opzettelijk gebruikmaken van valse geschriften bij aanvragen voor de Tegemoetkoming Vaste Lasten (TVL) tijdens de coronaperiode. De zaken maken deel uit van het FIOD-onderzoek Brescia. De verdachten hebben hun DigiD-gegevens en bankgegevens, en in één zaak een telefoon met een nieuw telefoonnummer voor de sms-verificatie, ter beschikking gesteld aan anderen, die de aanvragen met onjuiste referentieomzetten en valse kopieën van aangiften omzetbelasting indienen bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). De politierechter acht voorwaardelijk opzet en een nauwe en bewuste samenwerking bewezen en legt taakstraffen op van 180, 220 en 110 uren, in één zaak gecombineerd met een gevangenisstraf van één dag in verband met het taakstrafverbod van artikel 22b Sr. De redelijke termijn is in alle drie de zaken met circa vijf tot ruim zes maanden overschreden, hetgeen wordt vastgesteld zonder strafvermindering. RVO wordt als benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard, omdat zij als onderdeel van de Staat geen eigen rechtspersoonlijkheid heeft en een mandaat geen bevoegdheid geeft om in eigen naam te procederen. De vordering kan alleen bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Inleiding en context
De drie vonnissen worden uitgesproken door dezelfde politierechter in Zwolle, in eerste aanleg en op tegenspraak. De zaken zijn onderdeel van het strafrechtelijk onderzoek Brescia van de Belastingdienst/FIOD. De kern daarvan is dat voor verschillende ondernemingen TVL-aanvragen bij RVO zijn ingediend met onjuiste referentieomzetten, onderbouwd met kopieën van aangiften omzetbelasting die afwijken van de bij de Belastingdienst ingediende aangiften. De terugkerende werkwijze is dat andere personen ondernemers benaderen en namens hun onderneming de aanvragen opstellen en indienen. De TVL kon bij RVO worden aangevraagd onder de voorwaarde van een omzetverlies van dertig procent. De aanvrager moest de referentieomzet opgeven, de omzet over hetzelfde tijdvak in het voorafgaande jaar, en onderbouwen met kopieën van de ingediende aangiften omzetbelasting.
In de zaak met ECLI:NL:RBOVE:2026:5795 (parketnummer 84.356022.24) staat een verdachte terecht, geboren in 1989, eigenaar van een eenmanszaak. De tenlastelegging betreft ook de eenmanszaak van zijn zus. RVO doet op 8 april 2021 en 23 juni 2021 een verzamelaangifte tegen 55 ondernemingen. De verdachte is niet ter zitting verschenen en wordt bijgestaan door zijn raadsvrouw.
In de zaak met ECLI:NL:RBOVE:2026:5796 (parketnummer 84.356056.24) staat een verdachte terecht, geboren in 1986, enig eigenaar en enig aandeelhouder van een besloten vennootschap die onder een handelsnaam opereert en op 17 mei 2023 in staat van faillissement is verklaard. RVO doet op 6 september 2021 een verzamelaangifte tegen vijf ondernemingen. De verdachte verschijnt zelf ter zitting.
In de zaak met ECLI:NL:RBOVE:2026:5797 (parketnummer 84.083289.24) staat een verdachte terecht, geboren in 1994, eigenaar van een eenmanszaak in consumentenelektronica, die op 4 november 2021 is opgeheven. RVO doet op 23 juni 2021 een verzamelaangifte tegen 33 ondernemingen. De verdachte verschijnt met zijn raadsman.
In alle drie de zaken voegt RVO zich als benadeelde partij.
Tenlastelegging en wettelijk kader
Aan alle drie de verdachten wordt primair verweten dat zij tezamen en in vereniging met anderen of alleen opzettelijk gebruik hebben gemaakt van valse of vervalste geschriften als ware zij echt en onvervalst (artikel 225 lid 2 Sr, gelezen met artikel 47 Sr). De geschriften zijn de TVL-aanvragen en de bijgevoegde kopieën van aangiften omzetbelasting. De valsheid bestaat hierin dat een onjuiste referentieomzet en gerealiseerde omzet is vermeld. Het gebruikmaken bestaat uit het verzenden en verstrekken aan RVO ten behoeve van financiële ondersteuning op grond van de TVL. Subsidiair wordt in alle zaken medeplichtigheid ten laste gelegd, bestaande uit het beschikbaar stellen van een onderneming of stichting, bankrekeningen en eHerkenning- of DigiD-inloggegevens.
In de zaak 5795 betreft de tenlastelegging de periode van 19 september tot en met 17 december 2020 en zeven geschriften, ten name van twee eenmanszaken: drie TVL-aanvragen (tweede en derde kwartaal 2020, vierde kwartaal 2020 en een aanvraag voor de eenmanszaak van de zus) en vier kopieën van aangiften omzetbelasting. In de zaak 5796 betreft het de periode van 22 oktober 2020 tot en met 2 maart 2021 en zes geschriften ten name van de besloten vennootschap: drie TVL-aanvragen (tweede en derde kwartaal 2020, vierde kwartaal 2020 en eerste kwartaal 2021) en drie kopieën van aangiften omzetbelasting. In de zaak 5797 betreft het de periode van 9 oktober 2020 tot en met 3 maart 2021 en zes geschriften ten name van de eenmanszaak en de verdachte: drie TVL-aanvragen en drie kopieën van aangiften omzetbelasting.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
In de zaak 5795 acht de officier van justitie het subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen en vordert een taakstraf van 160 uren. In de zaak 5796 acht de officier van justitie het primair ten laste gelegde bewezen en vordert een gevangenisstraf van vijf maanden. In de zaak 5797 acht de officier van justitie het primair ten laste gelegde bewezen en vordert een taakstraf van 160 uren. In de zaak 5796 acht de officier van justitie de gevorderde schadevergoeding toewijsbaar.
Standpunt van de verdediging
In de zaak 5795 bepleit de raadsvrouw integrale vrijspraak. Primair voert zij aan dat niet bewezen is dat de verdachte opzet heeft gehad op het gebruik van het valse geschrift en op het valse karakter daarvan. Weliswaar heeft de verdachte zijn inloggegevens aan een ander verstrekt, maar niet is bewezen dat hij wist dat de valse geschriften zouden worden gebruikt. Daarnaast bepleit zij vrijspraak van het primair ten laste gelegde omdat geen sprake is van medeplegen: de rol van de verdachte bestaat enkel uit het verstrekken van zijn inloggegevens, zodat hij geen materiële of intellectuele bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd en van een nauwe en bewuste samenwerking geen sprake is. Voor het geval van een bewezenverklaring bepleit de raadsvrouw een taakstraf en wijst zij op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Strafinhoud Strafrecht, de proceshouding van de verdachte en het tijdsverloop.
In de zaak 5796 verklaart de verdachte ter zitting in de kern dat hij geen opzet heeft gehad op het gebruik van het valse geschrift en het valse karakter daarvan en dat hij geen wetenschap had dat zijn gegevens voor de TVL-aanvragen zouden worden gebruikt. Over het standpunt van de verdediging ten aanzien van de strafmaat vermeldt het vonnis niets.
In de zaak 5797 bepleit de raadsman integrale vrijspraak. Primair voert hij aan dat niet bewezen is dat de verdachte als medepleger gebruik heeft gemaakt van de valse geschriften, omdat zijn rol enkel bestaat uit het verlenen van toegang tot zijn DigiD-account. Subsidiair voert hij aan dat de verdachte van het subsidiair ten laste gelegde moet worden vrijgesproken, omdat het afsluiten van een Lebara-abonnement en het verstrekken van de telefoon met het nieuwe nummer niet ten laste is gelegd. Voor het geval van een bewezenverklaring bepleit hij rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn.
Oordeel gerecht
Voorvragen. In alle drie de zaken stelt de politierechter vast dat de dagvaarding geldig is, dat hij bevoegd is, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat geen redenen voor schorsing van de vervolging bestaan.
Valse geschriften. In alle zaken stelt de politierechter vast dat de in de aanvragen vermelde referentieomzet telkens afwijkt van de omzet die uit de bij de Belastingdienst ingediende aangiften blijkt. De ambtsedige verklaringen omzetbelasting tonen aanzienlijk lagere of nihil bedragen. In de zaak 5795 gaat het onder meer om een opgegeven referentieomzet van € 288.478 tegenover een aangegeven omzet van € 5.367 over het tweede kwartaal van 2019. In de zaak 5796 betreft de bij de tweede aanvraag gevoegde kopie een aangifte van een andere vennootschap. In de zaak 5797 geeft de verdachte over de betreffende kwartalen geen omzet aan. De verdachten verklaren bij de FIOD, respectievelijk ter zitting, dat de vermelde omzet onjuist is. De politierechter oordeelt dat zowel de TVL-aanvragen als de bijgevoegde kopieën onjuiste informatie bevatten en daarom vals zijn. De geschriften zijn opzettelijk gebruikt om aan te tonen dat aan de voorwaarde van omzetverlies is voldaan, waardoor RVO een valse voorstelling van zaken krijgt.
Opzet. De politierechter overweegt dat gebruikmaken in de zin van artikel 225 lid 2 Sr vereist dat het geschrift daadwerkelijk wordt gebruikt ter misleiding van een ander, en dat de verdachte ten minste voorwaardelijk opzet moet hebben op het gebruik en op het valse karakter.
In de zaak 5795 verklaart de verdachte dat hij is benaderd door een bekende uit de autohandel, die zegt dat hij financiële steun van de Staat kan krijgen. De verdachte verstrekt zijn DigiD-gegevens, bankgegevens en de per sms ontvangen verificatiecodes, ook die van zijn zus, en ontvangt voor beide ondernemingen een bedrag van € 10.000. Hij geeft bewust zijn sterk persoonsgebonden DigiD aan een min of meer bekende ander die geen boekhouder of accountant is, weet dat daarmee subsidieaanvragen worden ingediend, en verricht geen onderzoek naar de juistheid van de aanvragen en de aangiften, terwijl hij daartoe gehouden is. Daarmee aanvaardt hij bewust de aanmerkelijke kans dat de aanvragen vals worden opgemaakt en met valse kopieën worden onderbouwd.
In de zaak 5796 verwerpt de politierechter de verklaring van de verdachte dat hij de vennootschap wilde ontbinden en een bekende dit als vriendendienst zou regelen, als ongeloofwaardig. De verklaring over de bankrekeningen is wisselend: bij de FIOD ontkent de verdachte een ING-rekening te hebben gehad, ter zitting verklaart hij over zowel een zakelijke als een privérekening te beschikken. Uit het dossier volgt dat het telefoonnummer van de verdachte op een handgeschreven briefje met zijn DigiD-gegevens staat, door een mededader wordt doorgestuurd en bij twee mededaders onder zijn naam is opgeslagen. In teruggehaalde chatberichten, die wegens scrambling van de woordvolgorde en leestekens zijn ontdaan, wijst de inhoud op wetenschap van de verdachte van de aanvragen. Op de dagen van de uitbetalingen (€ 40.000 op 11 november 2020 en € 39.212,89 op 2 december 2020) schrijft hij bedragen over naar het bedrijf van een mededader (€ 25.000, respectievelijk € 24.212), naar het bedrijf van een andere mededader (telkens € 5.000) en naar zijn privérekening (€ 9.999, respectievelijk € 9.687). Het scenario van de verdachte is onaannemelijk. Bij het doorgeven van een sms-code om bij RVO in te loggen laat hij na te onderzoeken met welk doel dat gebeurt; dat kan in elk geval niet de ontbinding van de vennootschap zijn. Hij aanvaardt bewust de aanmerkelijke kans dat vals opgemaakte aanvragen worden ingediend.
In de zaak 5797 verklaart de verdachte ter zitting dat hij is benaderd door een bekende uit de autohandel, die zegt dat hij recht heeft op een subsidie van de Staat. De bekende beschikt al over zijn DigiD-gegevens, die hij een jaar eerder heeft verstrekt voor de registratie van een zakelijke auto. Voor de tweestapsverificatie sluit de verdachte in samenspraak met de bekende een Lebara-abonnement af, wijzigt hij het telefoonnummer in zijn DigiD-account naar het nieuwe nummer en geeft hij de telefoon aan de bekende. Daarmee verliest hij iedere vorm van zeggenschap over zijn DigiD. Zijn onderneming heeft geen omzet gerealiseerd, zodat geen aanspraak op een TVL-uitkering bestaat, en hij verricht geen onderzoek naar de ingediende stukken, terwijl hij daartoe gehouden is. De verdachte aanvaardt bewust de aanmerkelijke kans dat de aanvraag vals wordt opgemaakt en met een valse kopie aangifte omzetbelasting wordt onderbouwd.
Medeplegen. De politierechter stelt voorop dat medeplegen een voldoende nauwe en bewuste samenwerking vereist en dat ook zonder gezamenlijke uitvoering een materiële of intellectuele bijdrage van voldoende gewicht kan volstaan. Daarbij kan rekening worden gehouden met de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in voorbereiding, uitvoering of afhandeling, het belang van de rol, de aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.
In de zaak 5795 is de bijdrage van de verdachte essentieel en onmisbaar, omdat zonder zijn gegevens niet bij RVO kon worden ingelogd. Hij ontvangt de sms-codes voor de tweestapsverificatie en verstrekt ze, en hij communiceert met de bekende over het bedrag van € 10.000. Dat wijst volgens de politierechter op een nauwe en bewuste samenwerking.
In de zaak 5796 overweegt de politierechter dat de verdachte zijn DigiD-gegevens, identiteitskaart en KvK-gegevens verstrekt en zo een essentiële bijdrage levert. Uit de chat blijkt dat hij de sms-code ontvangt en doorgeeft. Hij vraagt om facturen en verdeelt de ontvangen gelden over twee mededaders en zichzelf. Die communicatie op het moment van indienen en uitkeren is een nauwe en bewuste samenwerking.
In de zaak 5797 levert de verdachte een essentiële bijdrage door het Lebara-abonnement af te sluiten, het telefoonnummer in zijn DigiD-account te wijzigen en de telefoon te verstrekken. Bij de afhandeling gaat hij na ontvangst van de gelden op zijn Duitse bankrekening naar de mededader, schrijft hij op diens verzoek € 28.000 over naar een derde en behoudt hij zelf € 2.000. De rest is contant opgenomen door de mededader. Dat is een nauwe en bewuste samenwerking.
In alle drie de zaken verklaart de politierechter het primair ten laste gelegde bewezen en komt het subsidiair ten laste gelegde niet aan de orde.
Bewezenverklaring
In de zaak 5795 wordt bewezen verklaard dat de verdachte in de periode van 19 september tot en met 17 december 2020 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk gebruik heeft gemaakt van zeven valse geschriften als ware zij echt en onvervalst:
de TVL-aanvragen over het tweede en derde kwartaal 2020 en over het vierde kwartaal 2020, met drie kopieën van aangiften omzetbelasting over het tweede, derde en vierde kwartaal 2019, ten name van zijn eenmanszaak;
een TVL-aanvraag over het vierde kwartaal 2020 met een kopie aangifte omzetbelasting over het vierde kwartaal 2019, ten name van de eenmanszaak van zijn zus.
In de zaak 5796 wordt bewezen verklaard dat de verdachte in de periode van 22 oktober 2020 tot en met 2 maart 2021 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk gebruik heeft gemaakt van zes valse geschriften als ware zij echt en onvervalst:
de TVL-aanvragen over het tweede en derde kwartaal 2020, het vierde kwartaal 2020 en het eerste kwartaal 2021;
de kopieën van aangiften omzetbelasting over het tweede, derde en eerste kwartaal 2019, ten name van de besloten vennootschap.
In de zaak 5797 wordt bewezen verklaard dat de verdachte in de periode van 9 oktober 2020 tot en met 3 maart 2021 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk gebruik heeft gemaakt van zes valse geschriften als ware zij echt en onvervalst:
de TVL-aanvragen over het tweede en derde kwartaal 2020, het vierde kwartaal 2020 en het eerste kwartaal 2021;
de kopieën van aangiften omzetbelasting over het vierde kwartaal 2019 (tweemaal) en het eerste kwartaal 2020, ten name van de eenmanszaak en de verdachte.
In alle drie de zaken is de valsheid gelegen in de vermelding van een onjuiste referentieomzet en gerealiseerde omzet, en bestaat het gebruikmaken uit het verzenden en verstrekken aan RVO. Het bewezenverklaarde levert op het medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd (artikelen 47 en 225 Sr). Voor het overige spreekt de politierechter de verdachten vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd. Strafuitsluitingsgronden zijn niet aannemelijk geworden, zodat de verdachten strafbaar zijn.
Strafoplegging en maatregelen
In alle zaken weegt de politierechter zwaar dat de TVL-regeling is ingesteld in een periode van grote onzekerheid, waarin snelle ondersteuning ten koste is gegaan van controle vooraf. De verdachten hebben samen met anderen misbruik gemaakt van die situatie, het vertrouwen in de juistheid van dergelijke documenten beschaamd en zich kennelijk slechts laten leiden door geldelijk gewin. Dat de schade beperkt is gebleven, is te danken aan oplettende medewerkers van RVO. De politierechter hanteert de oriëntatiepunten voor fraude van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. De redelijke termijn is in alle zaken overschreden. De politierechter volstaat met de constatering daarvan, mede gelet op de aanhouding van de inhoudelijke behandeling op verzoek van de verdediging. Vanwege het tijdsverloop en de gevolgen voor de verdachte acht hij een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet meer passend.
In de zaak 5795 keert RVO voorschotten uit van € 40.000 en € 21.665,28. Het oriëntatiepunt is twee tot vijf maanden gevangenisstraf. De verdachte is eerder veroordeeld en heeft niets terugbetaald. De redelijke termijn is met ongeveer vijf maanden overschreden. De politierechter legt een taakstraf op van 180 uren, met 90 dagen vervangende hechtenis. Dat is meer dan de eis van 160 uren.
In de zaak 5796 keert RVO voorschotten uit van € 40.000 en € 39.212,89. Het oriëntatiepunt is vijf tot negen maanden gevangenisstraf. De verdachte heeft niets terugbetaald en geen verantwoordelijkheid genomen. Omdat hem in de vijf jaren voor het feit wegens een soortgelijk misdrijf een taakstraf is opgelegd en hij die heeft verricht, geeft de politierechter uiting aan het taakstrafverbod van artikel 22b Sr. De redelijke termijn is met ongeveer zes maanden overschreden. De politierechter legt een gevangenisstraf op van één dag en een taakstraf van 220 uren, met 110 dagen vervangende hechtenis. Dat blijft onder de eis van vijf maanden gevangenisstraf.
In de zaak 5797 keert RVO één voorschot uit van € 37.418,33. Het oriëntatiepunt is twee tot vijf maanden gevangenisstraf. De politierechter weegt ten gunste van de verdachte dat hij ter zitting is verschenen en verantwoordelijkheid heeft genomen, en ten nadele dat hij niets heeft terugbetaald. De redelijke termijn is met ruim zes maanden overschreden. De politierechter legt een taakstraf op van 110 uren, met 55 dagen vervangende hechtenis. Dat blijft onder de eis van 160 uren.
In alle drie de zaken verklaart de politierechter RVO niet-ontvankelijk in de vordering als benadeelde partij (€ 40.000 in de zaak 5795, € 79.212,89 in de zaak 5796 en € 37.418,33 in de zaak 5797). In de zaak 5795 wijst hij daarnaast het ter zitting gedane verzoek tot vermeerdering met € 21.665,28 af, omdat het te laat is ingediend en de verdediging daarop niet adequaat kan reageren. De vordering is een civiele vordering, waarvoor procesbevoegdheid vereist is. RVO is een baten-lastenagentschap onder de Minister van Economische Zaken en heeft geen eigen rechtspersoonlijkheid. In civiele procedures stelt RVO vorderingen in naam van de Staat in. De overgelegde mandaatbesluiten geven RVO de bevoegdheid om in naam van de Staat te handelen (artikel 10:1 Awb), niet om in eigen naam op te treden. Het ondermandaat voor het voegen als benadeelde partij schept geen zelfstandige procesbevoegdheid. RVO kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
