Syntax error! Een verkenning van betrouwbaarheidsconcepten bij digitaal bewijs in strafzaken

Bij de vraag of het tenlastegelegde kan worden bewezenverklaard, dient de rechter volgens de Hoge Raad alleen bewijsmateriaal te gebruiken dat hij betrouwbaar (en bruikbaar) vindt. Maar wat houdt betrouwbaarheid precies in? In het dagelijkse spraakgebruik verwijst betrouwbaarheid naar vertrouwen in een persoon of object. In de empirische wetenschappen heeft het begrip een meer technische invulling: resultaten zijn betrouwbaar als ze bij herhaalde metingen consistent dezelfde uitkomsten opleveren. In de juridische praktijk wordt betrouwbaarheid in relatie tot bewijsmiddelen op verschillende manieren gebruikt. Zo wordt het begrip gehanteerd in de betekenis van ‘waar’ – waarmee de overeenkomstigheid van het bewijsmiddel met de werkelijkheid wordt bedoeld – en in de betekenis van ‘geloofwaardig’ – waarmee de mate waarin gerechtvaardigd geloof kan worden gehecht aan een bewijsmiddel centraal staat. De wijze waarop de rechter invulling geeft aan de betrouwbaarheidstoets van het bewijs hangt af van de context waarin het bewijs wordt gebruikt en het type bewijs. Het hiervoor beschreven gebrek aan uniformiteit speelt aldus op twee niveaus: enerzijds bestaan discrepanties tussen de dagelijkse, wetenschappelijke en juridische interpretatie van betrouwbaarheid; anderzijds is er binnen de rechtspraktijk en rechtspraak zelf geen eenduidige benadering van het begrip. Dit maakt de betrouwbaarheidstoets in strafzaken diffuus: als zowel de definitie als de invulling van betrouwbaarheid per context verschillen, hoe kan de rechter dan tot een consistente en verantwoorde bewijswaardering komen?

Lees verder:

Print Friendly and PDF ^