Rekenkamer over prioritering politie: regionale verschillen, onbehandelde aangiften en beperkt inzicht in resultaten

Op 18 juni 2026 heeft de Algemene Rekenkamer het rapport Een ernstige zaak; Prioritering in opsporing door politie aangeboden aan de Tweede Kamer. De tekst van het rapport is vastgesteld op 11 mei 2026. In het onderzoek berekende de Rekenkamer hoeveel publiek geld en personele capaciteit de politie per wettelijke taak besteedt, en onderzocht zij in hoeverre de politie bij de prioritering binnen de opsporing rekening houdt met de maatschappelijke schade die misdrijven veroorzaken. Het onderzoeksjaar is 2024, waarin de politie ruim 791.000 nieuwe misdrijven registreerde en € 8,1 miljard uitgaf aan haar wettelijke taken. De Rekenkamer komt tot de conclusie dat de prioriteiten binnen de opsporing zich slechts deels richten op de misdrijven die volgens haar de meeste maatschappelijke schade veroorzaken. Het opsporen van verdachten is een wettelijke taak van de politie naast het handhaven van de openbare orde, hulpverlening en overige justitiële taken.

De Crime Harm Index

Voor de toetsing van de opsporingsprioriteiten ontwikkelde de Rekenkamer samen met het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC) een Crime Harm Index (CHI). De CHI drukt de relatieve ernst van een misdrijf uit in het gemiddeld aantal detentiedagen dat voor dat type misdrijf is opgelegd aan first offenders volgens het volwassenenstrafrecht. De ernst per misdrijf is daarmee gebaseerd op straffen die de rechter of de officier van justitie heeft opgelegd. De ernst vermenigvuldigd met het aantal aangiften van dat misdrijf levert een schatting op van de totale maatschappelijke schade, uitgedrukt in detentiejaren. De Rekenkamer onderscheidt drie categorieën: licht (CHI lager dan 18 detentiedagen), gemiddeld (18 tot en met 39) en ernstig (40 detentiedagen en hoger). Het merendeel van de geregistreerde criminaliteit, ongeveer 80 procent, valt in de lage categorie. Circa 15 procent valt in de middencategorie en 5 procent, bijna 42.000 aangiften, in de hoge categorie.

De CHI is voor de Nederlandse situatie nieuw. Andere landen werken al langer met een dergelijke index. Het rapport verwijst onder meer naar toepassingen in Groot-Brittannië, Zweden en Australië, waar de CHI wordt gebruikt om budget over deelgebieden te verdelen en om crime-hotspots aan te wijzen. Het Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving (NSCR) ontwikkelde recent een verwant model, de Crime Severity Index (CSI), die uitgaat van de maximale strafmaat uit het Wetboek van Strafrecht. Uit de vergelijking tussen de CHI en de CSI volgt een correlatie van r = 0,72; van de respectieve top 20 bestaat 80 procent uit dezelfde misdrijven.

Prioriteiten en ernst sluiten deels op elkaar aan

De prioriteiten voor de opsporing worden op verschillende plekken bepaald. De minister van Justitie en Veiligheid stelt de landelijke beleidsdoelstellingen vast in de Veiligheidsagenda. In de Veiligheidsagenda 2023-2026 prioriteerde de minister ondermijning en georganiseerde criminaliteit, mensenhandel, en cybercrime en gedigitaliseerde criminaliteit waaronder online seksueel kindermisbruik. Het Openbaar Ministerie prioriteert in de Aanwijzing voor de opsporing drie soorten misdrijven waarvan de aangiften altijd behandeld moeten worden: heterdaadzaken, high impact crimes en ondermijning. Daarnaast prioriteert het OM op opsporingskans en bewijsbaarheid. Binnen deze landelijke kaders heeft de politie ruimte om op regionaal en lokaal niveau eigen accenten aan te brengen.

De Rekenkamer berekende of deze prioriteiten gericht zijn op de feiten die het hoogst scoren op de CHI, en concludeert dat dit slechts deels het geval is. Zo prioriteert de minister cybercrime en gedigitaliseerde criminaliteit, terwijl deze feiten volgens het rapport in de laag- of middencategorie van de CHI scoren. Hetzelfde geldt voor bepaalde heterdaad- en ondermijningszaken die het OM prioriteert, zoals winkeldiefstal en het bezit van hard- en softdrugs. Anderzijds zijn er ernstige misdrijven die niet zijn geprioriteerd, zoals brandstichting en identiteitsfraude. Het rapport merkt op dat onder de prioriteiten high impact crime en ondermijning ook lichtere zaken vallen: 35 procent van de high-impact-crimezaken betreft volgens de CHI lichte misdrijven, en bij ondermijning is dat 78 procent.

10.000 onbehandelde aangiften van ernstige misdrijven

De kern van de bevindingen betreft de aangiften die in 2024 onbehandeld bleven. Van de door de Rekenkamer onderzochte 755.300 in 2024 geregistreerde en afgeronde aangiften werden er ruim 358.000 (47 procent) meteen afgewezen. Aangiften van ernstige misdrijven worden volgens de CHI relatief vaker opgepakt dan lichtere zaken: 83 procent tegenover 51 procent bij lichte en 52 procent bij gemiddelde misdrijven. Tegelijk betekent dit dat 17 procent van de aangiften van ernstige misdrijven direct wordt afgewezen, neerkomend op 7.000 zaken. Daarnaast worden 3.000 aangiften van ernstige misdrijven uit capaciteitsoverwegingen vroegtijdig beëindigd. In totaal bleven zo ruim 10.000 aangiften van ernstige misdrijven liggen.

Van die 10.000 hadden er 1.600 prioriteit voor het OM en/of de minister. Het gaat om 550 geweldsdelicten, 200 zedenmisdrijven, 750 overige high impact crimes en 100 ondermijningszaken. De overige niet-geprioriteerde ernstige misdrijven betreffen 3.450 zware diefstallen en 5.050 diverse misdrijven, waaronder identiteitsfraude, brandstichting en chantage. De Rekenkamer wijst erop dat de aantallen op vijftigtallen zijn afgerond, waardoor de optelling kan afwijken van het totaal. Hoewel ernstige misdrijven klein zijn in aantal, dragen zij volgens de berekening het meest bij aan de totale maatschappelijke schade: 5 procent van de aangiften staat voor 43 procent van de geschatte schade in detentiejaren.

Regionale verschillen

De Rekenkamer voerde praktijkonderzoek uit bij drie regionale eenheden: Limburg, Oost-Nederland en Rotterdam. Daaruit blijken verschillen in de behandeling van ernstige aangiften. De eenheid Rotterdam wees in 2024 relatief de meeste aangiften van ernstige misdrijven direct af, in 19 procent van de gevallen, tegenover 12 procent in Oost-Nederland en 11 procent in Limburg. Bij vroegtijdige beëindiging wegens capaciteitstekort is het beeld omgekeerd: dit gebeurde het vaakst in Limburg (13 procent), minder vaak in Oost-Nederland (8 procent) en het minst vaak in Rotterdam (7 procent). De Rekenkamer brengt deze verschillen in verband met de keuzevrijheid die de politie heeft, mede bepaald door regionale en lokale prioriteiten van het OM en burgemeesters. In welke eenheid aangifte wordt gedaan, is volgens het rapport van invloed op de mate waarin de politie een ernstig misdrijf in behandeling neemt.

Ernstige misdrijven bij de basisteams

Het rapport beschrijft dat de opsporing van ernstige misdrijven steeds meer naar de basisteams verschuift door overbelasting van de districtsrecherches en de regionale en landelijke rechercheteams. De basisteams zijn binnen de opsporing vooral gericht op veelvoorkomende criminaliteit, zoals vernieling en eenvoudige diefstal. High impact crimes als woninginbraken, overvallen, zedendelicten en geweldsmisdrijven horen bij de districts- of regionale recherche, maar belanden door capaciteitsdruk alsnog bij de basisteams. De Rekenkamer verwijst naar het onderzoek Lokaal signaal van de Inspectie Justitie en Veiligheid uit 2025, waarin de Inspectie concludeerde dat de basisteams onvoldoende zijn opgewassen tegen deze zwaardere, complexe criminaliteit. Volgens de Inspectie leidt de prioriteit op heterdaadzaken bovendien tot verdringing van vaak zwaardere niet-heterdaadzaken.

Beperkt zicht op resultaten en kosten

De Rekenkamer stelt vast dat de politie van een deel van de opsporing het resultaat niet kent. Aangiften worden geregistreerd in het systeem BOSZ, dat alleen onderscheid maakt tussen high impact crimes en ondermijningszaken en daarbij niet dezelfde definities hanteert als de Aanwijzing voor de opsporing. Grote, vaak internationale onderzoeken die de politie zelf start, veelal zonder aangifte, worden geregistreerd in Summ-IT. In 2024 ging het om 11.500 van zulke onderzoeken, uitgevoerd door ruim 12.300 fte bij de districtsrecherches en de regionale en landelijke rechercheteams. Uit Summ-IT kan volgens het rapport geen managementinformatie worden gehaald over welke misdrijven onderwerp van onderzoek zijn, welke capaciteit nodig of ingezet is en welke resultaten worden behaald.

Ook financieel ontbreekt het overzicht. De administratie van de politie is niet ingericht om de kosten naar wettelijke taak te onderscheiden. De Rekenkamer schat dat de politie € 3,3 miljard (41 procent) aan opsporing besteedde, € 2,6 miljard (33 procent) aan handhaving van de openbare orde en veiligheid, € 1,9 miljard (24 procent) aan hulpverlening en € 0,3 miljard (4 procent) aan overige justitiële taken. Deze schatting voor de opsporing ligt hoger dan de eerdere raming van ongeveer 31 procent over 2023, wat de Rekenkamer toeschrijft aan een aangepaste berekeningswijze. Volgens het rapport kunnen de minister en de korpschef niet aangeven hoeveel publiek geld aan welke wettelijke taak is besteed, wat de Rekenkamer mede in het licht van het budgetrecht van het parlement aan de orde stelt.

Aanbevelingen

De Rekenkamer doet vier aanbevelingen. Aan de minister van Justitie en Veiligheid en het College van procureurs-generaal beveelt zij aan de prioriteiten voor de opsporing te heroverwegen en te vereenvoudigen, onder meer door definities te harmoniseren, en te verkennen of de CHI van toegevoegde waarde kan zijn bij de prioriteitsbepaling. Aan de korpschef beveelt zij aan de registratie van de opsporingsonderzoeken op orde te brengen, zowel financieel als organisatorisch. Aan de minister, het College van procureurs-generaal en de korpschef gezamenlijk beveelt zij aan jaarlijks de resultaten van de opsporing te verantwoorden, inclusief de kosten. Aan de minister beveelt zij ten slotte aan het begrotingsartikel 31 Politie te splitsen, dat nu als één bedrag is opgenomen.

De bestuurlijke reactie

De minister van Justitie en Veiligheid reageerde op 21 april 2026 mede namens de korpschef, het OM en de regioburgemeesters. De minister en de korpschef onderschrijven dat verbeteringen in de opsporing nodig zijn en beschouwen het onderzoek als een stimulans daarvoor. Ten aanzien van de CHI stelt de minister dat deze een aanvullend inzicht biedt maar in de praktijk van de opsporing slechts zeer beperkt bruikbaar is, omdat de prioritering gelaagd is en afhangt van meerdere factoren, waaronder andere criteria en belangen, regionale verschillen en schaarse capaciteit. De minister plaatst daarbij de kanttekening dat de cijfers over de 10.000 niet opgepakte aangiften een vertekend beeld geven, omdat het niet alleen om aangiften maar ook om meldingen gaat en de helft volgens hem niet kon worden opgepakt vanwege het ontbreken van aanknopingspunten voor opsporing. Over het splitsen van begrotingsartikel 31 stelt de minister dat opsplitsing onwenselijk is, een standpunt dat ook de regioburgemeesters en het OM delen, omdat dit niet past bij het uitgangspunt dat beheer het gezag volgt.

In het nawoord houdt de Rekenkamer haar bevindingen en aanbevelingen overeind. Zij betreurt dat de minister de CHI op voorhand afwijst en wijst erop dat de index in diverse landen, waaronder het Verenigd Koninkrijk en Denemarken, zijn waarde heeft bewezen. Ook handhaaft zij haar standpunt over de splitsing van artikel 31.

Afsluiting

Het rapport is op 18 juni 2026 aangeboden aan de Tweede Kamer. De integrale bestuurlijke reactie van de minister, mede namens de korpschef, het OM en de regioburgemeesters, en de afzonderlijke brief van het College van procureurs-generaal zijn als bijlagen bij de reactie van de minister gevoegd en staan op de website van de Algemene Rekenkamer. De minister en de korpschef geven aan in 2026 stappen te hebben gezet om het inzicht in uitgaven en resultaten te vergroten en verkennen welke verdere stappen mogelijk zijn. De parlementaire behandeling van het rapport moet nog plaatsvinden.

Het volledige rapport is te raadplegen via de website van de Algemene Rekenkamer.

Print Friendly and PDF ^