Rechter-commissaris wijst verzoek van de verdediging om digitale toegang op afstand tot een FIOD-dataroom af

Rechtbank Amsterdam (rechter-commissaris) 1 juni 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:6056

De rechter-commissaris van de rechtbank Amsterdam wijst de verzoeken van de verdediging om toegang op afstand tot een FIOD-dataroom af. In een strafzaak tegen een in het buitenland wonende verdachte vraagt de verdediging digitale toegang tot alle in het onderzoek vergaarde data die geen deel uitmaken van het procesdossier. De rechter-commissaris neemt op grond van de onderbouwde stelling van de officieren van justitie aan dat toegang op afstand tot de applicatie FTK/AdLab niet mogelijk is zonder serieuze risico's voor de veiligheid en vertrouwelijkheid van de gegevens. Daarnaast miskent het verzoek het systeem van artikel 34 Sv, dat een getrapte volgorde voorschrijft van eerst inzien en dan verstrekken. Digitale toegang op afstand komt neer op het in een klap verstrekken van alle data zonder onderbouwing, wat op gespannen voet staat met de wettelijke regeling. Ook de verzoeken over het fiscale dossier en de vaststellingsovereenkomst wijst de rechter-commissaris af of acht zij zonder belang.

Inleiding en context

In een strafzaak tegen de verdachte X, bijgestaan door mrs. G.J.M.E. de Bont, M. Prins en R. de Bree, beslist de rechter-commissaris op een reeks verzoeken van de verdediging over de inzage in en verstrekking van data uit een dataroom. De FIOD heeft die dataroom ingericht en daarin alle gegevens opgenomen waaruit het onderzoeksteam heeft geput. Een deel van die data maakt geen deel uit van het procesdossier. Op 9 april 2026 verwijst de rechtbank de zaak naar de rechter-commissaris voor regie. De verdediging dient bij brief van 8 mei 2026 verzoeken in, waarop de officieren van justitie mrs. R. Hart en M. Lambregts op 15 mei 2026 reageren.

De verdediging heeft de data in 2025 acht keer in de dataroom ingezien. In december 2025 verzoekt zij de dataroom opnieuw open te stellen, wat de FIOD toestaat, maar dat verzoek zet zij niet door. De verdachte woont in het buitenland en is sinds 2013 niet meer werkzaam bij het betrokken bedrijf, zodat hij geen toegang heeft tot zijn e-mails, documenten en agenda. De feiten hebben zich bijna twintig jaar geleden voorgedaan. Omdat het hier gaat om een procedurele beslissing van de rechter-commissaris op onderzoekswensen, zijn een tenlastelegging, bewezenverklaring en strafoplegging niet aan de orde. De onderliggende verdenking blijkt niet uit de uitspraak; parketnummer en onderzoeksnaam zijn in de brontekst niet ingevuld.

Wettelijk kader

Centraal staat artikel 34 van het Wetboek van Strafvordering. Dit artikel schrijft een getrapte volgorde voor: eerst inzien, dan verstrekken. Uit de eerste twee leden volgt dat eerst gemotiveerd om inzage in een of meer specifieke documenten moet worden gevraagd, waarna de verdediging mede aan de hand van de bij die inzage opgedane kennis een verzoek tot verstrekking van bepaalde stukken kan doen.

Standpunt van de verdediging

De verdediging vraagt ten eerste om toegang op afstand tot de gehele dataroom. Zij voert aan dat de verdachte in het buitenland woont, wat een bezoek aan de dataroom in Nederland bemoeilijkt, en dat zijn blik op de verzamelde data nodig is om de relevantie daarvan te kunnen inschatten. Volgens de verdediging moet het mogelijk zijn de gehele dataroom digitaal ter beschikking te stellen, zodat ook de verdachte zich kan inlezen in de feiten van bijna twintig jaar geleden. Zij stelt bekend te zijn met mogelijkheden om digitale informatie op afstand ter beschikking te stellen en meent dat de huidige techniek daarvoor een oplossing biedt.

De verdediging brengt verder naar voren dat niet alle eerder gebookmarkte bestanden aan haar zijn verstrekt. Daarnaast verzoekt zij om voeging van stukken uit het fiscale dossier, waaronder diverse pleidooien van procespartijen, de kernstukken van het fiscale dossier en de processtukken die zijn ingediend bij de inspecteur, de rechtbank, het gerechtshof en de Hoge Raad. Zij vraagt de officieren opdracht te geven een index op te maken van de stukken die de Belastingdienst aan de FIOD heeft overgedragen. Tot slot verzoekt zij om voeging van de in de voetnoten van de vaststellingsovereenkomst genoemde documenten en van een aantal e-mails en gespreksverslagen.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officieren van justitie reageren afwijzend op het verzoek om toegang op afstand. Zij stellen dat het verlenen van toegang op afstand tot de dataroom niet mogelijk is zonder tekort te doen aan de waarborgen van dataveiligheid en vertrouwelijkheid, en verwijzen naar toepasselijke regelgeving. Ten aanzien van de eerder gebookmarkte bestanden zeggen zij toe de desbetreffende stukken zo snel mogelijk te verstrekken. Met betrekking tot de vaststellingsovereenkomst zeggen zij toe de in de voetnoten genoemde documenten nogmaals en in een aparte case aan de dataroom toe te voegen.

Oordeel rechter-commissaris

De rechter-commissaris wijst het verzoek om digitale toegang op afstand op twee gronden af. Op grond van de onderbouwde stelling van de officieren neemt zij aan dat toegang op afstand tot de applicatie waarin de verzamelde data zijn opgeslagen, FTK/AdLab, niet mogelijk is zonder serieuze risico's voor de veiligheid en vertrouwelijkheid van die gegevens. De enkele stelling van de verdediging dat de techniek daarvoor een oplossing moet bieden, is onvoldoende en niet onderbouwd. Ambtshalve is de rechter-commissaris niet bekend met zaken waarin de verdediging in staat is gesteld een dataroom in FTK/AdLab op afstand in te zien.

Daarnaast miskent het verzoek het getrapte stelsel van artikel 34 Sv. Ten gunste van de verdediging is de eerste stap overgeslagen: door openstelling van de dataroom heeft zij direct inzage verkregen in alle data waaruit het onderzoeksteam heeft geput. De volgende stap is dat zij aan de hand van de bij die inzage opgedane kennis een verzoek tot verstrekking van bepaalde stukken doet. Toegang op afstand komt neer op het in een klap verstrekken van alle data zonder enige onderbouwing, wat op gespannen voet staat met de wettelijke regeling. De praktische bezwaren van de verdediging wegen daar niet tegen op. Uit het verzoek kan niet worden afgeleid dat een zinvolle inzage zonder digitale toegang op afstand onmogelijk is, en de suggestie dat de FIOD en het Openbaar Ministerie onvoldoende gelegenheid tot inzage bieden, is tegenover de gemotiveerde betwisting onvoldoende onderbouwd.

Bij de eerder gebookmarkte bestanden bestaat geen belang meer bij een beslissing, gelet op de toezegging van de officieren deze te verstrekken. Het verzoek over het fiscale dossier voldoet niet aan de eerder gestelde norm dat de verdediging specifiek aangeeft welke stukken zij in het kader van welk onderdeel van de beoordeling relevant acht. In de toelichting ontbreken zowel de individualisering van de gewenste stukken als de onderbouwing van de relevantie. Het verzoek om een index op te laten maken van de door de Belastingdienst overgedragen stukken wijst de rechter-commissaris af, omdat de mappenstructuur overzichtelijk is en niet is gebleken dat de verdediging daarin tevergeefs haar weg heeft gezocht. Ten aanzien van de vaststellingsovereenkomst is het aan de verdediging om na inzage geïndividualiseerd te onderbouwen waarom verstrekking en voeging gerechtvaardigd zijn. Voor de gevraagde e-mails en gespreksverslagen geldt dat onvoldoende duidelijk is of de verdediging deze in de dataroom heeft aangetroffen; zo niet, dan beschikt het Openbaar Ministerie daar niet over en zijn inzage en voeging niet aan de orde.

Beslissing

De rechter-commissaris wijst de verzoeken af. De beslissing is op 1 juni 2026 genomen door mr. H. Fehmers, rechter-commissaris.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^