Rechtbank spreekt payrollbedrijf én bestuurder vrij in onderzoek 26Donau
/De Rechtbank Overijssel heeft op 22 april 2026 zowel een besloten vennootschap die actief is als payrollbedrijf, als haar destijds geregistreerde bestuurder, vrijgesproken in twee samenhangende strafzaken die voortkomen uit het opsporingsonderzoek 26Donau. De vennootschap zou in de periode 15 december 2017 tot en met 17 augustus 2021 een totaalbedrag van € 496.768,50 aan schoolgelden hebben witgewassen, betaald aan een particuliere internationale school in Rotterdam ten behoeve van de kinderen van diverse (mede)verdachten. De bestuurder werd primair vervolgd voor (gewoonte)witwassen, subsidiair voor het feitelijk leidinggeven aan witwassen door de vennootschap, en daarnaast voor het valselijk opmaken van vier facturen. In beide vonnissen oordeelde de rechtbank dat het wettig en overtuigend bewijs ontoereikend is. De uitspraken bieden een illustratie van de bewijsrechtelijke drempels in witwaszaken zonder concreet aanwijsbaar gronddelict, en geven daarnaast een blik op de eisen die de rechtbank stelt aan (voorwaardelijk) opzet bij medewerkers en bestuurders.
Het onderzoek 26Donau en de positie van de vennootschap
Onderzoek 26Donau is medio 2020 gestart naar aanleiding van informatie over personen die zich bezig zouden houden met de invoer van en de handel in verdovende middelen. In de loop van het onderzoek zijn meer dan dertig personen als verdachte aangemerkt. Voor één van de hoofdverdachten is een afzonderlijk deelonderzoek geopend onder de naam 26Wayne. Uit het financieel onderzoek kwam naar voren dat deze hoofdverdachte inkomsten genoot vanuit de vennootschap, en dat de vennootschap voor de kinderen van diens broer schoolgeld betaalde aan de internationale school. De vennootschap, sinds 2014 ingeschreven in het handelsregister, hield zich blijkens de KvK-inschrijving bezig met salarisadministratie, bemiddeling en het ter beschikking stellen van uitzendkrachten. De familie van een andere hoofdverdachte bezat gezamenlijk vijftig van de negentig uitgegeven aandelen. Het Openbaar Ministerie zag in deze constructie aanleiding om zowel de vennootschap als haar bestuurder te vervolgen.
De tenlasteleggingen en de standpunten van partijen
In de zaak tegen de vennootschap kwam de tenlastelegging er kort gezegd op neer dat zij, samen met anderen, in de periode 2017 tot en met 2021 het bedrag van € 496.768,50 zou hebben witgewassen door de werkelijke aard, herkomst en rechthebbenden van de gelden te verhullen, en dat zij van het plegen van witwassen een gewoonte zou hebben gemaakt. Het schoolgeld varieerde, blijkens het zaaksdossier, tussen € 15.200 en € 19.700 per kind per jaar. Tegen de bestuurder werd het witwassen primair als (mede)pleger en subsidiair in de feitelijk-leidinggevende-variant ten laste gelegd. Daarnaast werd hem verweten dat hij in oktober 2019 valselijk vier facturen had opgemaakt of doen opmaken, in gebruik bij de vennootschap, waarop in strijd met de waarheid zou zijn vermeld dat een medeverdachte werkzaamheden had verricht ten behoeve van een inlener.
Het Openbaar Ministerie stelde zich op het standpunt dat de vennootschap als ‘crimineel vehikel’ was gebruikt: de schoolgelden zouden vermoedelijk afkomstig zijn uit de opbrengst van misdrijven die door de criminele organisatie rondom de hoofdverdachten zouden zijn gepleegd, en bovendien zou door deze betalingen als bedrijfskosten op te voeren de Belastingdienst zijn benadeeld. Volgens het OM had de bestuurder dit vermoeden niet weerlegd, omdat hij bij de politie geen verklaring had afgelegd over de inkomsten van de vennootschap. De verdediging bepleitte vrijspraak vanwege het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. De huidige directeur van de vennootschap heeft tegenover de rechter-commissaris verklaard dat de schoolgelden een soort lening aan de aandeelhouders betroffen, in de vorm van een rekening-courantverhouding.
Het toetsingskader: witwassen zonder concreet gronddelict
De rechtbank stelde voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘afkomstig uit enig misdrijf’ in artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht niet vereist is dat een concreet gronddelict wordt aangewezen. Wanneer uit de vastgestelde feiten en omstandigheden een vermoeden van witwassen volgt, mag van de verdachte worden verlangd dat deze een verklaring geeft over de herkomst van het geld, die concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is. Dit toetsingskader, voortvloeiend uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad en uitgewerkt in het zogenoemde zes-stappenarrest van het Gerechtshof Amsterdam van 11 januari 2013, vormt al jaren de leidraad in witwaszaken zonder aantoonbaar gronddelict (zie ook de toelichting van het Anti Money Laundering Centre). Geeft de verdachte een dergelijke verklaring, dan ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar de gestelde alternatieve herkomst.
De beoordeling van het witwassen
In zijn beoordeling kwam de rechtbank tot het oordeel dat de stelling, dat de schoolgelden uit de winstreserves van de vennootschap zijn betaald, steun vond in het procesdossier. Uit de administratie bleek dat de schoolgelden van de winstreserves zijn betaald, en de rechtbank achtte het aannemelijk dat de vennootschap sinds 2014 daadwerkelijk omzet had gegenereerd met haar payrollactiviteiten. De rechtbank constateerde weliswaar dat zij geen volledig zicht had verkregen op de omzet, de totstandkoming van het vermogen en de beschikbare liquide middelen op specifieke momenten, maar overwoog dat het op de weg van het Openbaar Ministerie had gelegen om dit door middel van onderzoek naar de omzetcijfers en jaarstukken nader te onderbouwen. Het verrichte onderzoek werd op dat punt onvoldoende geacht.
Daarnaast woog mee dat het onderzoeksteam in zijn proces-verbaal had aangegeven dat het niet had kunnen vaststellen dat op enig moment gelden van een hoofdverdachte binnen de bedrijfsstructuur van de vennootschap terecht waren gekomen, hoewel dit volgens de verbalisanten ook niet uit te sluiten was. De gestelde modus operandi, waarbij werknemers contant met crimineel geld zouden zijn betaald en de vennootschap dat loon vervolgens aan inleners zou hebben gefactureerd, kwalificeerde de rechtbank als ‘aannames en vermoedens’. Dat de wijze waarop schoolgelden via een rekening-courantverhouding aan aandeelhouders werden geleend vragen oproept, achtte de rechtbank op zichzelf onvoldoende om vast te stellen dat crimineel geld in de vennootschap was gebracht waarmee vervolgens de schoolgelden zouden zijn betaald. Ten aanzien van de bestuurder oordeelde de rechtbank in vrijwel gelijkluidende bewoordingen, en verwierp zij ook de subsidiair ten laste gelegde feitelijk-leidinggevende-variant: nu het primaire feit niet bewezen kon worden, kwam de rechtbank evenmin toe aan een veroordeling als feitelijk leidinggevende.
Het belastingfraude-argument
Het Openbaar Ministerie had subsidiair betoogd dat sprake zou zijn geweest van witwassen omdat de schoolgelden waren betaald uit de opbrengst van belastingfraude, doordat de bedragen ten onrechte als scholingskosten ten laste van de fiscale winst zouden zijn gebracht. De rechtbank verwierp ook dit standpunt. Namens de vennootschap was aangevoerd dat de Belastingdienst de vennootschapsbelasting over deze post had nagevorderd en daarbij was uitgegaan van grove schuld, niet van opzet. De opgelegde bestuurlijke boete bevestigde die kwalificatie. Op die grondslag, zo oordeelde de rechtbank, kan niet worden vastgesteld dat de schoolgelden zijn betaald uit gelden afkomstig uit het misdrijf belastingfraude.
Valsheid in geschrifte: geen (voorwaardelijk) opzet
In de zaak tegen de bestuurder kwam ook het tweede feit aan de orde: het valselijk opmaken van vier facturen waarop in strijd met de waarheid zou zijn vermeld dat een medeverdachte arbeid had verricht voor een inlener. Het OM ging ervan uit dat deze medeverdachte feitelijk niet voor de inlener had gewerkt, en dat de gemachtigde van de vennootschap met hem had gecommuniceerd over de urendeclaraties en de uitbetaling daarvan. De bestuurder had ter zitting verklaard dat hij persoonlijk niet betrokken was bij de facturatie aan de betreffende inleners, en dat een payrollbedrijf in de regel afhankelijk is van de urenstaten die door de inlener worden aangeleverd, zonder zelfstandig te kunnen controleren of een werknemer feitelijk aanwezig is geweest of vakantiedagen heeft opgenomen.
De rechtbank stelde voorop dat van iedere onderneming, en daarmee ook van haar bestuurder en gevolmachtigde, in beginsel mag worden verwacht dat de administratie een juiste voorstelling van de werkelijkheid geeft. Het nalaten van controle op de doorgegeven uren is daarvoor echter onvoldoende: daaruit kan niet zonder meer voorwaardelijk opzet op de valsheid worden afgeleid. De rechtbank betrok daarbij uitdrukkelijk de werkwijze van een payrollbedrijf, dat het juridische werkgeverschap overneemt en daarbij afhankelijk is van de informatie die de inlener aanlevert. Hoewel de rechtbank ‘slordigheden’ in de administratie ten aanzien van de betreffende werknemer constateerde, zoals rond contractsfases, reiskostenvergoedingen en de vakantie-urenregistratie, kon op basis van het dossier niet worden vastgesteld dat de bestuurder en gevolmachtigde wisten dat de gefactureerde uren onjuist waren of dat de werknemer feitelijk niet bij de inlener werkzaam was. Het uitbetalen van gereserveerde vakantie-uren was bovendien wettelijk verklaarbaar. Op die grond ontbrak het bewijs van wetenschap, en daarmee van het voor artikel 225 Sr vereiste opzet.
Afsluiting
De rechtbank concludeerde dat in geen van beide zaken kan worden bevestigd dat mogelijk criminele gelden zijn gebruikt voor de betaling van de schoolgelden, dat juist uitsluitend gelden met een legale herkomst zijn gebruikt, of dat sprake is geweest van vermenging van criminele en legale gelden. Hoewel de rechtbank de gehanteerde constructie ‘dubieus’ noemde en opmerkte dat deze vragen oproept, oordeelde zij dat onvoldoende wettig bewijs bestond voor het ten laste gelegde witwassen. Ook ten aanzien van de valsheid in geschrifte volgde een vrijspraak, omdat het opzet, ook in voorwaardelijke vorm, niet kon worden bewezen. Beide vonnissen passen in een reeks beslissingen waarin rechters benadrukken dat een vermoeden van witwassen pas leidt tot een veroordeling wanneer het onderzoek van het Openbaar Ministerie de gestelde alternatieve herkomst van gelden voldoende heeft kunnen ontkrachten, en geven daarnaast een illustratie van de eisen die in payrollconstructies aan het bewijs van opzet bij administratieve onregelmatigheden worden gesteld.
