Rechtbank Amsterdam verklaart Milieudefensie ontvankelijk in collectieve actie tegen ING over klimaatbeleid

De rechtbank Amsterdam heeft op 9 september 2026 een tussenvonnis gewezen in de collectieve actie van Vereniging Milieudefensie tegen ING Groep N.V. en ING Bank N.V. (ECLI:NL:RBAMS:2026:9098). Milieudefensie treedt in die procedure op als belangenbehartiger van huidige en toekomstige generaties Nederlandse ingezetenen en stelt dat ING als grote systeembank deelverantwoordelijk is voor het beperken van de opwarming van de aarde tot 1,5 graden Celsius. Het tussenvonnis gaat uitsluitend over de vraag of Milieudefensie voldoet aan de ontvankelijkheidseisen van de Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie (Wamca), zoals neergelegd in artikel 3:305a BW en artikel 1018c lid 5 Rv. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend en verwerpt daarbij twee verweren van ING over de representativiteit van Milieudefensie. Daarnaast beslist de rechtbank welke processuele voorschriften van de Wamca in deze algemeen belang-actie buiten toepassing blijven en stelt zij het vervolg van de procedure vast, met een extra schriftelijke ronde en een mondelinge behandeling in 2027. Het gaat om een civiele procedure; deze blog beschrijft het procesrechtelijke oordeel en benoemt kort de strafrechtelijke context waarin ING de afgelopen jaren onderwerp van berichtgeving is geweest.

Wat Milieudefensie vordert

Milieudefensie bracht de dagvaarding op 28 maart 2025 uit, volgens de eigen berichtgeving namens circa 30.000 mede-eisers en met bijna 10.000 pagina's aan producties. Het vonnis omschrijft de inzet in algemene termen: Milieudefensie vordert onder meer dat ING maatregelen treft om bij te dragen aan het beperken van de opwarming tot 1,5 graden Celsius. Op haar website licht Milieudefensie de vorderingen toe: zij eist dat ING de totale uitstoot van de financieringsportefeuille halveert en de dienstverlening beëindigt aan olie- en gasbedrijven die doorgaan met uitbreiding van projecten en aan grote bedrijven zonder klimaatplan. ING diende op 18 februari 2026 een conclusie van antwoord in. In een verklaring bij het uitbrengen van de dagvaarding noemde de bank de eisen van Milieudefensie onrealistisch en onredelijk en niet passend bij de rol van banken in de transitie. Na het tussenvonnis herhaalde ING dat standpunt tegenover Banken.nl en wees de bank erop dat het om een procedurele beslissing gaat die niets zegt over de inhoud van de vorderingen.

Het toetsingskader van de Wamca

Partijen stemden ermee in dat de rechtbank op de stukken en zonder mondelinge behandeling over de ontvankelijkheid zou beslissen. De rechtbank stelt eerst vast dat de dagvaarding tijdig is aangetekend in het centraal register voor collectieve acties, zoals artikel 1018c lid 2 Rv voorschrijft. Op grond van artikel 1018c lid 5 Rv kan inhoudelijke behandeling pas plaatsvinden nadat de rechtbank heeft beslist dat de eiser voldoet aan de ontvankelijkheidseisen van artikel 3:305a lid 1 tot en met 3 BW, dat een collectieve vordering efficiënter en effectiever is dan individuele vorderingen, en dat niet summierlijk van de ondeugdelijkheid van de vordering blijkt.

Omdat de vordering met een ideëel doel is ingesteld, past de rechtbank het lichte regime van artikel 3:305a lid 6 BW toe. De eisen van lid 2 onder a tot en met e, die onder meer zien op governance en financiering van de claimorganisatie, blijven daardoor buiten beschouwing. Partijen zijn het erover eens dat sprake is van een algemeen belang-actie. De rechtbank overweegt verder dat het opkomen voor de belangen van huidige en toekomstige generaties Nederlandse ingezetenen bij het beperken van klimaatverandering al eerder als voldoende gelijksoortig is aangemerkt, onder verwijzing naar het arrest van het gerechtshof Den Haag van 12 november 2024 (ECLI:NL:GHDHA:2024:2099) in de zaak tegen Shell en het vonnis van de rechtbank Den Haag van 25 september 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2024:14834). Ook het statutenvereiste is volgens de rechtbank vervuld: de statutaire doelstelling van Milieudefensie omvat het streven naar een duurzame samenleving in het belang van huidige en toekomstige generaties.

Representativiteit en de informatievoorziening aan de achterban

Het geschil over de ontvankelijkheid spitste zich toe op het waarborgvereiste van artikel 3:305a lid 1 en 2 BW, dat vraagt of de belangenbehartiger voldoende representatief is. De rechtbank overweegt dat de kwantitatieve benadering, waarbij de omvang van de achterban en van de vertegenwoordigde vorderingen centraal staan, bij een algemeen belang-actie moeilijk toepasbaar is, omdat de belangen niet individualiseerbaar zijn en de groep diffuus en onbepaald is. Daarom hanteert de rechtbank een kwalitatieve benadering, waarbij de vraag is of de organisatie daadwerkelijk opkomt voor de belangen van de groep en in staat is de procedure tot een goed einde te brengen. Milieudefensie heeft volgens de rechtbank voldoende onderbouwd dat zij een adequate spreekbuis is, gelet op haar inzet voor klimaatbelangen, haar staat van dienst in andere collectieve acties, de steun van andere belangenorganisaties, haar meer dan 100.000 leden en donateurs en de bijna 30.000 steunbetuigingen die zij tot maart 2025 voor deze procedure ontving.

ING voerde aan dat Milieudefensie haar achterban onvoldoende en onjuist informeert. Volgens ING wekt Milieudefensie de indruk dat ING zelf emissies uitstoot, terwijl het om de uitstoot van klanten gaat, en gaf Milieudefensie op haar website misleidende antwoorden over spaargeld en hypotheken van klanten. De rechtbank verwerpt dit verweer. Uit de stukken die Milieudefensie op haar website beschikbaar stelt, inclusief publiekssamenvattingen, blijkt volgens de rechtbank voldoende duidelijk dat het gaat om de verantwoordelijkheid van ING voor zogeheten scope 3-emissies, die elders in de waardeketen ontstaan door de gefinancierde of gefaciliteerde activiteiten van zakelijke klanten. Mede omdat bij het brede publiek bekend is dat ING een bank is, acht de rechtbank niet aannemelijk dat het publiek veronderstelt dat ING de bedoelde emissies zelf uitstoot. De verwijzing naar hypotheken in een van de antwoorden op de website heeft Milieudefensie na het indienen van de conclusie van antwoord verwijderd. De rechtbank ziet in de twee door ING aangehaalde vragen en antwoorden geen grond om aan te nemen dat de gehele achterban op het verkeerde been wordt gezet.

Het baatvereiste

Het tweede verweer van ING was dat de belanghebbenden geen baat hebben bij toewijzing van de vorderingen, omdat toewijzing volgens ING niet tot een vermindering van de daadwerkelijke uitstoot leidt, maar uitsluitend tot een vermindering op papier van de door ING gerapporteerde emissies. ING beriep zich op de memorie van toelichting bij de Wet tot wijziging van de Wet collectieve afwikkeling massaschade, waarin staat dat moet worden getoetst of betrokkenen uiteindelijk baat hebben bij de collectieve actie indien het gevorderde wordt toegewezen, en betoogde dat dit vereiste onder de Wamca is blijven gelden.

De rechtbank volgt ING niet. Zij overweegt dat ING een uitleg geeft aan het baatvereiste die niet overeenkomt met wat de wetgever heeft bedoeld. In de aangehaalde toelichting worden bij betwisting van het waarborgvereiste twee vragen genoemd, namelijk in hoeverre betrokkenen baat hebben bij de collectieve actie en in hoeverre erop mag worden vertrouwd dat de eisende organisatie over voldoende kennis en vaardigheden beschikt. De gezichtspunten die de wetgever daarbij noemt, zoals eerdere werkzaamheden van de organisatie, het aantal aangesloten benadeelden en de naleving van de Claimcode, zien volgens de rechtbank op de claimorganisatie zelf en niet op de ingestelde vorderingen. Het vereiste is in de wet opgenomen om commercieel gedreven stichtingen te kunnen weren, en daarvan is bij Milieudefensie geen sprake. Dat daarnaast apart moet worden getoetst of belanghebbenden gebaat zijn bij de vorderingen, volgt volgens de rechtbank noch uit de Wamca noch uit de wetsgeschiedenis. De rechtbank voegt daaraan toe dat de achterban van Milieudefensie is gebaat bij het doel dat zij nastreeft, en dat de vraag of de vorderingen daadwerkelijk tot dat doel kunnen leiden een inhoudelijke beoordeling vergt die buiten de ontvankelijkheidsfase valt. Zij verwijst daarbij naar het arrest van het gerechtshof Den Haag in de zaak tegen Shell, waarin het hof bij de inhoudelijke behandeling oordeelde dat Milieudefensie bij een deel van haar vorderingen geen belang had omdat het gevorderde bevel niet effectief was ten aanzien van scope 3-emissies.

Overige eisen en de vervolgstappen

De rechtbank stelt vast dat Milieudefensie voldoet aan de eisen van artikel 3:305a lid 3 BW: de betrokken bestuurders hebben geen winstoogmerk, de vordering heeft een voldoende nauwe band met de Nederlandse rechtssfeer en Milieudefensie heeft voldoende getracht het gevorderde door overleg met ING te bereiken. ING heeft dat niet weersproken. Evenmin is in geschil dat een collectieve vordering efficiënter en effectiever is dan individuele vorderingen en dat niet summierlijk van ondeugdelijkheid is gebleken.

Vervolgens gaat de rechtbank in op de beslissingen die de artikelen 1018e, 1018f en 1018g Rv voorschrijven: het aanwijzen van een exclusieve belangenbehartiger, het omschrijven van de nauw omschreven groep, het vaststellen van een opt-out- en eventueel opt-in-termijn en het stellen van een termijn voor het beproeven van een schikking. De rechtbank laat deze voorschriften buiten toepassing. Het vaststellen van een nauw omschreven groep is bij deze diffuse en onbepaalde groep problematisch en onttrekking aan een uitspraak is bij ideële vorderingen met een algemeen belang moeilijk voorstelbaar. Andere belangenorganisaties hebben zich niet gemeld, zodat er geen aanleiding is een exclusieve belangenbehartiger aan te wijzen, en partijen hebben geen behoefte kenbaar gemaakt aan een schikkingstermijn.

Het verzoek van Milieudefensie om het aantal zittingsdagen te heroverwegen, dat de rechtbank op 11 mei 2026 had aangehouden, leidt niet tot aanpassing: het blijft bij twee zittingsdagen. Wel wenst de rechtbank voor de mondelinge behandeling een nadere schriftelijke toelichting. De zaak wordt daarom verwezen naar de rol van 2 december 2026 voor conclusie van repliek en naar de rol van 3 maart 2027 voor conclusie van dupliek, waarbij Milieudefensie wordt verzocht zich te beperken tot de acht thema's uit haar brief van 29 april 2026. Beide conclusies zijn gemaximeerd op honderd bladzijden. De mondelinge behandeling staat gepland voor de tweede helft van het tweede kwartaal van 2027. Iedere verdere beslissing is aangehouden.

ING in strafrechtelijke context

De klimaatzaak is een civiele procedure en staat los van de strafrechtelijke afdoeningen waarin ING eerder betrokken was. In september 2018 accepteerde ING Bank N.V. een door het Openbaar Ministerie aangeboden transactie van € 775 miljoen wegens jarenlange en structurele overtreding van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme en schuldwitwassen in het onderzoek Houston, bestaande uit € 675 miljoen aan geldboete en € 100 miljoen aan ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. In de daaropvolgende artikel 12 Sv-procedure liet het gerechtshof Den Haag op 9 december 2020 de transactie in stand, maar beval het de vervolging van de voormalige bestuursvoorzitter. Het Openbaar Ministerie concludeerde in december 2024 na het onderzoek Eastwood dat onvoldoende bewijs bestond dat hij feitelijk leiding had gegeven aan de strafbare feiten, waarna het hof in december 2025 het verzoek toewees om de vervolging niet voort te zetten. In mei 2026 sloot ING België een minnelijke schikking van € 1,6 miljoen met het parket van Brussel in een witwasonderzoek. Die zaken betreffen de poortwachtersfunctie van de bank en hebben geen betrekking op het klimaatbeleid dat in de civiele procedure ter beoordeling staat.

Afsluiting

Met het tussenvonnis van 9 september 2026 is Milieudefensie ontvankelijk verklaard in haar collectieve vorderingen tegen ING Groep N.V. en ING Bank N.V. De rechtbank Amsterdam heeft het lichte regime van artikel 3:305a lid 6 BW toegepast, de verweren van ING over de informatievoorziening aan de achterban en over het baatvereiste verworpen en de Wamca-voorschriften over een exclusieve belangenbehartiger, een nauw omschreven groep en de opt-outregeling buiten toepassing gelaten. Over de inhoud van de vorderingen heeft de rechtbank nog niet geoordeeld. De zaak staat op de rol van 2 december 2026 voor repliek en van 3 maart 2027 voor dupliek; de mondelinge behandeling volgt in de tweede helft van het tweede kwartaal van 2027, waarna een inhoudelijk vonnis kan worden verwacht.

Klik hier voor de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^