Raad voor de rechtspraak maakt documenten over functioneel verschoningsrecht in tweede aanvullingswet deels openbaar
/De Raad voor de rechtspraak heeft op 8 juli 2026 beslist op een Woo-verzoek van 12 mei 2026 over de voorbereiding en totstandkoming van de tweede aanvullingswet bij het nieuwe Wetboek van Strafvordering, in het bijzonder over het functioneel verschoningsrecht. Het besluit maakt 22 documenten geheel of gedeeltelijk openbaar; de bijlage telt 95 pagina's en loopt van een memo uit mei 2023 tot correspondentie van maart 2026. Daarin zit het overleg dat voorafging aan de consultatieversie van 7 mei 2026: notities van rechters-commissarissen, de reactie van de Nederlandse orde van advocaten en het verslag van de derde expertmeeting. De kern van wat daar werd besloten, is dat de selectie en filtering van mogelijk geprivilegieerd materiaal verschuift naar het Openbaar Ministerie en dat het redelijk vermoeden voortaan betrekking heeft op specifieke gegevens in plaats van op een gegevensverzameling als geheel. De stukken tonen ook dat de Rechtspraak zelf op die wijziging heeft aangedrongen en dat de advocatuur zich er tot het laatst tegen heeft verzet.
Van conceptregeling naar consultatieversie
Het traject begon met twee expertmeetings op 18 en 28 november 2025, waarvoor een conceptregeling met toelichting was opgesteld. Kort daarna verscheen het rapport Internationaal vergelijkend onderzoek professioneel verschoningsrecht van de Erasmus School of Law, gedateerd oktober 2025 en in december 2025 gepubliceerd. Eind januari 2026 leverden de kabinetten rechter-commissaris van Amsterdam en Rotterdam hun commentaar. Op 5 februari 2026 besprak de gecombineerde werkgroep het onderwerp, waarna het ministerie liet weten dat een fundamentele heroriëntatie naar aanleiding van het onderzoek te ver reikt voor de doelstelling van het nieuwe wetboek, maar dat over de filteringsprocedure en de beklagmogelijkheden een derde expertmeeting zou worden georganiseerd. Die vond plaats op 6 maart 2026, met twee deelnemers per organisatie vanuit de Raad voor de rechtspraak, het Openbaar Ministerie, de bijzondere opsporingsdiensten, de politie en de Nederlandse orde van advocaten. Twee maanden later ging de tweede aanvullingswet in consultatie.
De Rechtspraak vroeg om een pas op de plaats
De notitie van de Rechtspraak, geheel openbaar gemaakt, is stellig over het ontwerp dat er in januari 2026 lag. Modernisering is dringend nodig, maar het conceptontwerp voorziet "in het geheel niet in die behoefte; het lost bestaande knelpunten niet op, laat bestaande onduidelijkheden in stand en creëert nieuwe complicaties". Het kernbezwaar is dat het wetsvoorstel geen onderscheid maakt tussen drie verschillende beoordelingen: het filteren van grote hoeveelheden data aan de hand van zoektermen, het beoordelen of een concreet bestand onder het verschoningsrecht valt, en het beoordelen of zo'n bestand toch mag worden vrijgegeven. Bij het filteren gaat het volgens de notitie "om een inspanningsverplichting, niet om een resultaatsverplichting", en de selectie is niet gebaseerd op een inhoudelijke beoordeling van concrete bestanden. Doordat dezelfde voorschriften gelden voor beide, en doordat bij verschoningsgerechtigden de fictie leeft dat zich na filtering geen enkel geprivilegieerd gegeven meer in de data mag bevinden, is het in grote fraudezaken "eerder regel dan uitzondering dat het jaren duurt voordat de door de opsporing vergaarde data kunnen worden vrijgegeven aan het onderzoeksteam". Genoemd worden zaken over grootschalige fraude, dividendstripping, corruptie in de asielopvang en omkoping in de medische wereld. De conclusie luidde dat een pas op de plaats nodig was in de vorm van een derde expertmeeting, waarbij ook de opstellers van het WODC-rapport zouden worden gehoord.
Capaciteit, en een geschrapt artikel
Het kabinet rechter-commissaris Rotterdam sloot zich op 28 januari 2026 bij die lijn aan en voegde er twee punten aan toe die in het besluit terugkomen. Het eerste is uitvoerend: in de voorliggende plannen "ontbreekt de mogelijkheid om verschoningsrechtprocedures te begeleiden of uit te laten voeren door gerechtsjuristen en IT-medewerkers op de kabinetten", terwijl te voorzien is dat geheimhouderprocedures "in de toekomst eerder meer dan minder beslag zullen gaan leggen op de capaciteit van de rechters-commissarissen". Het tweede raakt de reikwijdte. Het kabinet signaleert dat de woorden "bij verschoningsgerechtigden" in artikel 2.7.60 zijn geschrapt, zodat het inbeslagnemingsverbod algemeen geldt ongeacht waar de informatie zich bevindt, en dat er daardoor "al snel (altijd) wel een redelijk vermoeden" is. Tegelijk is artikel 2.7.65 uit de eerste vaststellingswet vervallen, de bepaling waarvan de toelichting die reikwijdte juist inperkte voor het geval de vertrouwelijkheid met verstrekking aan een derde is opgegeven. De aantekeningen op artikelniveau, pagina's 5 tot en met 13 van de bijlage bij dat commentaar, zijn niet openbaar gemaakt.
De advocatuur tegenover de rest van de keten
Op 5 maart 2026 reageerden de rechters-commissarissen van Rotterdam en Amsterdam op de notitie voor de derde expertmeeting. Zij zijn "verheugd dat de door ons geuite zorgen over de vastlopende verschoningsrechtpraktijk in strafzaken zijn gehoord en onderkend", benadrukken niet te tornen aan het belang dat hulpzoekenden zich zonder vrees tot een verschoningsgerechtigde moeten kunnen wenden, en scharen zich achter het uitgangspunt dat de filtering kan worden uitgevoerd door aangewezen opsporingsambtenaren onder verantwoordelijkheid van het Openbaar Ministerie. Dat beklag wordt beperkt tot de dreigende kennisneming van mogelijk geprivilegieerd materiaal, zal volgens hen "substantieel bijdragen aan het verminderen van ongerichte klachten".
In de expertmeeting van 6 maart 2026 stonden zij daarin niet alleen. Het Openbaar Ministerie onderschreef het loskoppelen van filtering en beoordeling, de politie noemde het voorstel navolgbaar en technisch uitvoerbaar, en de bijzondere opsporingsdiensten waardeerden het onderscheid tussen het digitale filterproces en de juridische beoordeling. De Nederlandse orde van advocaten liet weten zich "juist totaal niet in het stuk te kunnen vinden": in de bespreeknotitie wordt de rol van de rechter-commissaris "beduidend kleiner gemaakt ten opzichte van het eerdere voorstel". Volgens de orde worden met het aan de kant schuiven van de uitspraak van de Hoge Raad principes overboord gegooid en is het aan de voorkant inroepen van het verschoningsrecht lastig gemaakt. Regeringscommissaris Geert Knigge gaf tijdens de bijeenkomst aan dat het voorstel inderdaad afwijkt van het arrest van de Hoge Raad, omdat het redelijk vermoeden alleen de specifieke gegevens zelf betreft. In haar afzonderlijke reactie, eveneens geheel openbaar, schrijft de orde dat het borgen van het verschoningsrecht "gaat om meer dan een inspanningsverplichting" en wijst zij op een praktisch probleem bij de automatische filtering: de zoektermen zelf vallen meestal ook onder het verschoningsrecht.
Wat de Raad niet openbaar maakt
De voorstellen op artikelniveau uit het Rotterdamse commentaar blijven achterwege. Het gaat volgens de Raad om persoonlijke beleidsopvattingen ten behoeve van intern beraad, en het belang van het voorkomen van schade aan het wetgevingstraject en het democratische proces weegt zwaarder dan het algemene belang van openbaarmaking, mede omdat het conceptwetsvoorstel inmiddels voor consultatie openbaar is. Grondslag zijn artikel 5.1, tweede lid, onder i, en artikel 5.2, eerste lid, van de Woo. Uit een memo van 16 mei 2023 is de informatie weggelaten over de wijze waarop de FIOD en het Nederlands Forensisch Instituut digitaal forensisch onderzoek uitvoeren, op grond van onderdelen c, h en i. Namen van ambtenaren, telefoonnummers, interne e-mailadressen en toegangscodes zijn onleesbaar gemaakt.
Twee afbakeningen verdienen aandacht. De Raad stelt voorop dat de Woo uitsluitend van toepassing is op de Raad, de daaronder vallende landelijke diensten en het College van Afgevaardigden, en dat vakinhoudelijke overleggremia als het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht en de Landelijke Expertgroep Rechters- en Raadsheren-commissarissen daarbuiten vallen; documenten die uitsluitend daar berusten kan hij niet opvragen of vorderen. Daarnaast worden vijf documenten beoordeeld door het ministerie van Justitie en Veiligheid, de politie, het Openbaar Ministerie en de FIOD, omdat de indieners daar een gelijkluidend verzoek hebben ingediend en die organisaties de broneigenaar zijn.
Afsluiting
De consultatieversie van 7 mei 2026 legt het redelijk vermoeden vast in artikel 2.7.61a, de filterprocedure in artikel 2.7.61b, de beoordelingsprocedure in artikel 2.7.62, de bewaarplicht in artikel 2.7.62b en de beklagregeling in de artikelen 6.4.11a tot en met 6.4.11f. De consultatiereacties en de verdere behandeling moeten nog volgen; de aanvullingswetten treden tegelijk met de vaststellingswetten in werking, voorzien op 1 april 2029. Het besluit bevat geen afzonderlijke overweging over het onderdeel van het verzoek dat zag op de declaraties van de door de Raad ingeschakelde advocaten, en op de inventarislijst staan geen declaraties.
Klik hier voor het volledige Woo-besluit van 8 juli 2026 en hier voor de bijlage met de openbaar gemaakte documenten.
