Proefschrift: Beïnvloedt zwijgen het oordeel van de rechter?
/Het zwijgrecht behoort tot de kern van het strafproces. Zowel in het internationale recht als in het Nederlandse strafrecht geldt dat een verdachte niet verplicht is vragen te beantwoorden en niet hoeft mee te werken aan zijn eigen veroordeling. Toch is daarmee niet gezegd dat het zwijgen van een verdachte altijd zonder gevolgen blijft. In haar proefschrift onderzoekt Tessa van der Rijst, promovendus aan de Vrije Universiteit Amsterdam, welke rol het zwijgen van verdachten in de praktijk speelt bij de bewijsbeslissingen van Nederlandse strafrechters – en hoe die rol juridisch en logisch moet worden beoordeeld.
Juridisch kader: ruimte voor gevolgtrekkingen
Zowel de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens als die van de Hoge Raad laat ruimte voor het trekken van ongunstige gevolgtrekkingen uit het zwijgen van een verdachte. Die ruimte is echter beperkt en sterk afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Kernpunten zijn dat het bewijs tegen de verdachte in beginsel zelfstandig dragend moet zijn en dat aan het zwijgen geen onevenredig gewicht mag worden toegekend. Juist omdat deze kaders casuïstisch zijn ontwikkeld, bestaat in de literatuur al langer kritiek op het risico dat zwijgen in de bewijsredenering toch zwaarder meeweegt dan wenselijk is vanuit het perspectief van de onschuldpresumptie.
Tegen deze achtergrond formuleert Van der Rijst haar centrale onderzoeksvraag: welke rol speelt het zwijgen van verdachten feitelijk in de bewijsbeslissingen van Nederlandse strafrechters, en hoe kan die rol juridisch en logisch worden begrepen en beoordeeld?
Empirisch onderzoek naar de praktijk
Het proefschrift onderscheidt zich door een expliciet empirische benadering. Van der Rijst analyseerde systematisch vonnissen in witwaszaken en diefstalzaken en voerde daarnaast semigestructureerde interviews met twintig strafrechters verspreid over Nederland. Deze combinatie maakt inzichtelijk hoe rechters het zwijgen van verdachten in de dagelijkse praktijk daadwerkelijk betrekken bij hun bewijsoordelen.
Uit dit onderzoek komen twee onderscheiden rollen van het zwijgen naar voren. Die rollen verschillen zowel in juridisch karakter als in hun plaats binnen de bewijsredenering.
Zwijgen als ontbreken van een alternatieve verklaring
De eerste en meest zichtbare rol van zwijgen is die van het ontbreken van een (plausibele) alternatieve verklaring voor belastend bewijs. In een tegenspraakprocedure krijgt de verdachte de gelegenheid om een eigen lezing van de feiten te presenteren. Wanneer hij daarvan afziet, blijft de rechter aangewezen op het door het Openbaar Ministerie gepresenteerde bewijsmateriaal. Dat kan ertoe leiden dat belastende omstandigheden onverklaard blijven.
Deze vorm van betekenisverlening aan zwijgen kan, aldus Van der Rijst, verenigbaar zijn met de rechtspraak van het EHRM en de Hoge Raad, mits aan strikte voorwaarden wordt voldaan. Cruciaal is dat het bewijs de bewezenverklaring in beginsel zelfstandig kan dragen. Pas wanneer aan de bewijslast is voldaan, mag van de verdachte worden verwacht dat hij – indien mogelijk – een verklaring geeft voor belastende feiten. Het zwijgen fungeert dan niet als bewijs op zichzelf, maar als het uitblijven van een ontzenuwende verklaring.
Tegelijkertijd laat het onderzoek zien dat dit een kwetsbaar punt blijft. Juist omdat het zwijgen indirect invloed kan hebben op de waardering van het bewijs, is een kritische toetsing van de bewijsmiddelen en de redenering van de rechter essentieel.
Zwijgen als (subtiele) indicatie van schuld
De tweede rol van zwijgen is minder expliciet en moeilijker te duiden: zwijgen als een impliciete indicatie van schuld. Deze rol sluit niet aan bij het adversariële karakter van het strafproces, maar bij meer constructieve theorieën over bewijs. Daarbij spelen algemene aannames een rol, zoals de gedachte dat iemand die niets te verbergen heeft, wel zal verklaren.
Van der Rijst laat zien dat dergelijke generalisaties op de achtergrond een rol kunnen spelen in de overtuigingsvorming van rechters. In termen van artikel 338 Sv – de eis dat de rechter tot een bewezenverklaring komt op grond van wettige bewijsmiddelen én de overtuiging dat de verdachte het feit heeft begaan – kan zwijgen zo subtiel bijdragen aan het bereiken van de bewijsdrempel.
Juist hier schuilt echter een belangrijk risico. Zwijgen bewijst op zichzelf niets. Verdachten kunnen om uiteenlopende redenen zwijgen, waaronder stress, wantrouwen jegens de autoriteiten of strategisch procesgedrag. Dat deze factoren een rol kunnen spelen binnen de ‘innerlijke overtuiging’ van de rechter maakt ze niet zonder meer problematisch, maar vergt wel voortdurende waakzaamheid.
Juridische en logische evaluatie
In het slothoofdstuk reflecteert Van der Rijst op haar bevindingen aan de hand van drie bewijs-theoretische benaderingen: de argumentatieve, de narratieve en de Bayesiaanse benadering. Deze theoretische verdieping onderstreept dat zwijgen hooguit een zeer marginale plaats mag innemen in de bewijsredenering. Zowel juridisch als logisch geldt dat het zwijgen van een verdachte slechts een afgeleide en beperkte betekenis kan hebben, en nooit dragend mag zijn voor een bewezenverklaring.
Conclusie
Het proefschrift van Van der Rijst maakt duidelijk dat het zwijgrecht in de praktijk minder absoluut is dan het op papier lijkt. Zwijgen kan, onder strikte voorwaarden, betekenis krijgen in de bewijsredenering van de strafrechter. Tegelijkertijd bevestigt het onderzoek dat juist op dit punt zorgvuldigheid geboden is. De onschuldpresumptie en de bewijslastverdeling blijven het uitgangspunt. Zwijgen mag hooguit een kleine, ondersteunende rol spelen – nooit meer dan dat.
Lees hier het gehele proefschrift.
